Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:17225

Asiel - Syrië - Rif-Damascus/Douma - problemen met HTS - geen persoonlijke omstandigheden die verhoogd risico maken om slachtoffer te worden van willekeurig geweld (15c) - verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt in een situatie te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM - gebrek hersteld in verweerschrift - niet het meest actuele AAB be...

Rechtbank Den Haag 8 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:17225 text/xml public 2026-07-08T18:00:18 2026-06-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-06-24 NL26.12332 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17225 text/html public 2026-07-06T11:06:05 2026-07-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:17225 Rechtbank Den Haag , 24-06-2026 / NL26.12332
Asiel - Syrië - Rif-Damascus/Douma - problemen met HTS - geen persoonlijke omstandigheden die verhoogd risico maken om slachtoffer te worden van willekeurig geweld (15c) - verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt in een situatie te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM - gebrek hersteld in verweerschrift - niet het meest actuele AAB betrokken - beroep gegrond, besluit vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.12332
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
<?linebreak?> [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. K. Yousef),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.F. Aly).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 31 oktober 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Rida als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1991. Hij heeft Syrië in 2017 verlaten, toen een aantal jaar in Turkije gewoond en is in 2023 naar Nederland gekomen. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is onder het vorige regime gedeserteerd. Daarnaast heeft hij problemen gekregen met Al Nusra, omdat zij auto’s van eisers familie wilden stelen. Al Nusra heeft eiser tweeënhalf jaar gevangen genomen. Eiser verwacht daar nog steeds problemen van, omdat Al Nusra nu is opgegaan in Hayat Tahrir Al Sham (HTS), dat de macht heeft in eisers herkomstgebied.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en

eisers problemen met HTS.

4. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Eisers problemen met HTS vindt verweerder niet geloofwaardig, omdat zijn verklaringen daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder wijst erop dat eiser deze problemen niet met documenten heeft onderbouwd. Eiser heeft daarnaast ongerijmd verklaard over deze problemen en de aanleiding voor zijn vertrek. Zijn verklaringen in het nader gehoor verschillen van zijn verklaringen tijdens het aanmeldgehoor. Volgens verweerder heeft eiser op basis van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geen gegronde vrees voor vervolging en loopt hij geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië. Hoewel er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië, gelden voor eiser geen individuele omstandigheden die maken dat hij daar slachtoffer van zal worden.

Wat vindt eiser in beroep?

5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder mocht allereerst eisers problemen met HTS niet ongeloofwaardig achten. Op basis van zijn verklaringen moet hem het voordeel van de twijfel worden gegeven. Verweerder heeft daarnaast ten onrechte geconcludeerd dat eiser geen risico loopt vanwege het willekeurige geweld in Syrië. Omdat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, moest verweerder beoordelen of voor eiser individuele omstandigheden gelden die het risico verhogen dat hij slachtoffer wordt van dat geweld. Voor eiser zijn die omstandigheden dat hij met het voormalige regime wordt geassocieerd en dat hij geen bescherming kan krijgen van de huidige autoriteiten. Verweerder heeft ook niet deugdelijk beoordeeld of eiser bij terugkeer terecht komt in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM in het licht van het arrest Sufi en Elmi.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en zal het daarom vernietigen. Zij ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank dat uit.

Eisers problemen met HTS

7. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder eisers problemen met HTS ongeloofwaardig vinden. De rechtbank vindt hiertoe van belang dat eiser in het gehoor bij de AVIM en tijdens zijn aanmeldgehoor bij de IND – beide in 2023 – niets heeft gezegd over deze problemen. Eiser heeft toen juist verklaard dat hij problemen had met het toenmalige regime. Toen hem tijdens het aanmeldgehoor werd gevraagd waarom hij Syrië heeft verlaten, heeft eiser alleen aangegeven dat hij gevaar loopt vanwege zijn desertie. Eiser heeft vervolgens tijdens het nader gehoor in februari 2026 naar voren gebracht dat hij tweeënhalf jaar is vastgehouden door Al Nusra. Dit is een dusdanig belangrijke gebeurtenis in eisers asielrelaas, dat verwacht mocht worden dat hij hier vanaf het begin over verklaarde. Eisers betoog dat het aanmeldgehoor kort was en dat eiser dacht dat hij dacht dat hij dit aspect pas in het nader gehoor naar voren moest brengen, doet hier niet aan af. Tijdens het aanmeldgehoor is namelijk de open vraag aan eiser gesteld wat de redenen waren voor zijn vertrek. Dat eiser een gebeurtenis die zo sterk in de kern van zijn asielrelaas ligt, op dat moment niet zou benoemen, is niet aannemelijk. Daar komt bij dat eiser ook in het aanmeldgehoor is bevraagd over de machthebbers in zijn woonomgeving en of hun aanwezigheid effect had op eisers dagelijks leven. Ook hier had eiser gelegenheid gehad om te verklaren over zijn problemen met Al Nusra.

Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld

8. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting verduidelijkt dat hij niet betwist dat in Rif-Damascus/Douma sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De vraag die bij de rechtbank voorligt, is daarom of verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van het willekeurige geweld.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat voor eiser dergelijke individuele risicoverhogende omstandigheden gelden. Eiser heeft in dit kader opnieuw gewezen op zijn problemen met HTS. Hij stelt dat hij vanwege die problemen wordt gezien als aanhanger van het vorige regime en dat hij geen bescherming kan inroepen van de huidige autoriteiten. Eisers problemen met HTS zien echter op gericht geweld en kunnen om die reden niet gelden als individuele risicoverhogende omstandigheden in dit kader. Daar komt bij dat de problemen, zoals hierboven besproken, niet geloofwaardig zijn. Uit de aangevoerde landeninformatie volgt naar het oordeel van de rechtbank ook niet dat HTS iedereen die zich niet bij hen heeft aangesloten, als aanhanger van het vorige regime ziet. Ook in die informatie bestaat dus geen aanleiding voor de conclusie dat HTS naar eiser op zoek zou zijn. Ook dat eiser lange tijd uit Syrië afwezig is geweest, is niet voldoende om aan te nemen dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Terugkeerbesluit

9. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden.
9.1.
Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi twee situaties onderscheidt:- In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.

- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Een beoordeling in dit kader ontbreekt namelijk in het geheel in het bestreden besluit.
9.3.
Het hiervoor geconstateerde motiveringsgebrek is in het verweerschrift deels hersteld. Verweerder heeft er namelijk op gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Verweerder heeft op basis van het Algemeen Ambtsbericht van mei 2025 gemotiveerd dat deze lat van toepassing is, omdat ‘de huidige humanitaire omstandigheden thans niet hoofdzakelijk worden veroorzaakt door actuele doelbewuste handelingen van een overheid of andere actor, maar vooral door de nasleep van jarenlang conflict, economische ontwrichting, beschadigde infrastructuur en algemene armoede.’
9.4.
Ondanks dat het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026 al beschikbaar was toen het besluit en het voornemen werden uitgebracht, heeft verweerder het nieuwe Ambtsbericht op beide momenten niet meegenomen. De rechtbank ziet ook hierin een motiveringsgebrek, omdat verweerder de meest actuele informatie bij zijn beoordeling moet betrekken. De rechtbank volgt verweerder echter in zijn betoog ter zitting dat uit het nieuwe Algemeen Ambtsbericht geen wezenlijk ander beeld blijkt wat betreft de humanitaire situatie, die de beoordeling voor eiser anders zou maken.
9.5.
Verweerder heeft zich vervolgens in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een schrijnende humanitaire situatie in strijd met het arrest Sufi en Elmi. De rechtbank volgt verweerder in deze beoordeling. Hiertoe vindt de rechtbank van belang dat eiser een gezonde volwassen man is en dat hij nog familie heeft wonen in zijn herkomstgebied. Er is niet gebleken van andere omstandigheden die hem bijzonder kwetsbaar maken. Voor zover eiser in dit kader op zijn problemen met HTS heeft gewezen, geldt ook hier dat die niet geloofwaardig zijn en dus niet maken dat eiser een verhoogd risico loopt bij terugkeer.
9.6.
Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, gelet op wat zij hiervoor onder 9.3 t/m 9.6 heeft overwogen. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
10.1.
Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 4 maart 2026;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).

Uitspraak van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.4.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (Elgafaji), punt 28.

Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), punt 278-283.

1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.

Artikel delen