ECLI:NL:RBDHA:2026:17274
Gerechtelijke vaststelling ouderschap ondanks dat de man niet mee heeft gewerkt aan DNA-onderzoek of is verschenen in de procedure.
Rechtbank Den Haag 7 July 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:17274
text/xml
public
2026-07-07T08:45:04
2026-06-26
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-05-26
C/09/690259 / FA RK 25-6238
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
NL
Den Haag
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17274
text/html
public
2026-07-07T08:44:29
2026-07-07
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:17274 Rechtbank Den Haag , 26-05-2026 / C/09/690259 / FA RK 25-6238
Gerechtelijke vaststelling ouderschap ondanks dat de man niet mee heeft gewerkt aan DNA-onderzoek of is verschenen in de procedure.
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-6238
Zaaknummer: C/09/690259
Datum beschikking: 26 mei 2026
Gerechtelijke vaststelling ouderschap
Beschikking op het op 14 augustus 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. R.N. Baldew in ’s-Gravenhage.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de man],
de man,
volgens de Registratie Niet Ingezetenen (RNI) per 24 maart 2023 geëmigreerd naar een onbekend adres,
en
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2024 in [geboorteplaats],
de minderjarige (hierna: [minderjarige]),
in rechte vertegenwoordigd door mr. K. Moene, advocaat in ’s-Gravenhage,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
ProcedureBij beschikking van 6 januari 2026 van deze rechtbank is iedere verdere beslissing ten aanzien van de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap en de kosten van het deskundigenonderzoek aangehouden tot 1 mei 2026 pro forma. Daarnaast is een onderzoek bevolen door een deskundige van het DNA van de man en [minderjarige] met de vraag welke conclusie aan de bevindingen moet worden verbonden ten aanzien van het eventuele verwekkerschap van de man.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
de brief van 20 januari 2026 van Verilabs;
het bericht met bijlagen van 22 april 2026 van de moeder.
Op 28 april 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de moeder bijgestaan door haar advocaat en de bijzondere curator.
De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de zitting verschenen.
Door de advocaat van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op grond van artikel 3 sub a Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe, omdat de moeder en [minderjarige] hun woonplaats hebben in Nederland.
Op grond van artikel 10:97 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt de vraag of en onder welke voorwaarden ouderschap van de biologische vader kan worden vastgesteld bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de biologische vader en de moeder of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Bezitten de biologische vader en de moeder meer dan een gemeenschappelijke nationaliteit, dan worden zij geacht geen gemeenschappelijke nationaliteit te bezitten. Bepalend is het tijdstip van de indiening van het verzoek
Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift hadden de moeder en de man beiden de Nederlandse nationaliteit, zodat Nederlands recht van toepassing is op het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap.
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:207 lid 1 BW kan het ouderschap van een persoon op de grond dat deze de verwekker is van het kind door de rechtbank worden vastgesteld op verzoek van:
de moeder, tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt;
het kind.
Op grond van lid 3 van voormeld artikel wordt een verzoek door de moeder bij de rechtbank ingediend binnen vijf jaren na de geboorte van het kind, of ingeval van onbekendheid met de identiteit van de vermoedelijke verwekker dan wel onbekendheid van zijn verblijfplaats, binnen vijf jaren na de dag waarop de identiteit en de verblijfplaats aan de moeder bekend zijn geworden. Gelet op het voorgaande is de moeder ontvankelijk in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Het onderzoek waartoe bij tussenbeschikking van 6 januari 2026 van deze rechtbank is bevolen, zou worden verricht door Verilabs. Verilabs heeft in een brief van 19 januari 2026 laten weten dat zij zonder adresgegevens van de man niet kunnen starten met het onderzoek. De rechtbank heeft toen besloten om de zaak op een zitting te behandelen.
De rechtbank overweegt als volgt. De moeder heeft duidelijk en consequent verklaard dat zij rond de tijd van de verwekking van [minderjarige] alleen gemeenschap heeft gehad met de man. Daarnaast heeft de moeder Whatsapp gesprekken overgelegd waarbij de man erkent dat hij een kind met haar heeft. De man heeft niet op verschillende oproepen en berichten van de bijzondere curator gereageerd, terwijl in ieder geval haar berichten via Whatsapp wel op de telefoon van de man zijn aangekomen. De man heeft voorts geen verweer gevoerd in deze procedure en is niet op de zitting verschenen. Ter zitting is verder gebleken dat de man, ondanks dat hij is geregistreerd als RNI, zich in Nederland bevindt.
De rechtbank is van oordeel dat de man zich onbereikbaar houdt door zich te laten registreren als RNI maar feitelijk wel in Nederland te verblijven. Het handelen van de man heeft ertoe geleid dat Verilabs zijn werk niet heeft kunnen doen. Nu de man zich ook verder volledig onbereikbaar houdt en nergens op reageert, heeft de moeder geen enkele andere manier (meer) om het vaderschap vast te (laten) stellen.
Uit de conclusie van de AG (ECLI:NL:PHR:2004:AP1318) bij de Hoge Raad uitspraak van 11 juni 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AP1318) volgt dat via een DNA-onderzoek met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan komen vast te staan of de man de verwekker is. In het geval dat de man weigert mee te werken aan zodanig DNA-onderzoek, waardoor de belangrijkste en meest zekere wijze van vaststelling wordt gefrustreerd door degene die er juist belang bij zou hebben wanneer er geen sprake van een afstamming zou zijn, kunnen andere feiten en omstandigheden voldoende grond zijn voor een gerechtelijke vaststelling in de zin van artikel 1:207 BW. In dat geval moet het belang van de man wijken voor het belang van de minderjarige die anders verstoken zou blijven van de vaststelling van zijn afstamming, wat als onwenselijk moet worden beschouwd.
Ondanks dat er geen DNA-onderzoek is uitgevoerd en het daardoor niet onomstotelijk vaststaat dat de man de verwekker is van [minderjarige], is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden voldoende zijn om het ouderschap van de man gerechtelijk vast te stellen. Zoals hiervoor beschreven moet het belang van [minderjarige] daarbij prevaleren boven het (eventuele) belang van de man. De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder toewijzen.
Bijzondere curator
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Beslissing
De rechtbank:
*
stelt vast het ouderschap van:
- [de man], geboren op [geboortedatum 2] 1985 in [land],
over:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2024 in [geboorteplaats],
uit:
- [de moeder], geboren op [geboortedatum 3] 2000 in [geboorteplaats],
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 mei 2026.