Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:17660

Verzoek om een voorlopige voorziening bij beroep afgewezen.

Rechtbank Den Haag 30 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:17660 text/xml public 2026-06-30T17:00:58 2026-06-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-06-25 NL26.31519 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17660 text/html public 2026-06-29T14:59:04 2026-06-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:17660 Rechtbank Den Haag , 25-06-2026 / NL26.31519
Verzoek om een voorlopige voorziening bij beroep afgewezen.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.31519
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker
V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.W.F. Noot),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
In het besluit van 4 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is.

Eiser heeft beroep (NL26.31518) ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. In de uitspraak van vandaag in de zaak met nummer NL26.31518 heeft de rechtbank beslist op het beroep waarom dit verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. Om die reden wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.

2. Gelet op de uitkomst van het beroep ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Beslissing
De voorzieningenrechter:

 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

 veroordeelt verweerder tot betaling van € 934 (negenhonderdvierendertig euro) aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan op 25 juni 2026 door mr. M.J. Paffen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel delen