Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:17819

Asiel; veilig derde land; beroep ongegrond

Rechtbank Den Haag 6 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:17819 text/xml public 2026-07-06T08:57:43 2026-07-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-20 NL25.36306 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17819 text/html public 2026-07-01T12:39:07 2026-07-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:17819 Rechtbank Den Haag , 20-05-2026 / NL25.36306
Asiel; veilig derde land; beroep ongegrond
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.36306
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam 1] , eiser
V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Drenth),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).
Procesverloop
Bij besluit 30 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft verweerder bepaald dat aan eiser niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend en dat hij geen uitstel van vertrek krijgt. Het bestreden besluit omvat ook een terugkeerbesluit. Tot slot heeft verweerder aan eiser een rechterlijke dwangsom van € 700,- toegekend.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 31 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Neshin. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Op 6 maart 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en partijen in de gelegenheid gesteld een standpunt in te nemen over de actuele situatie als gevolg van de oorlog tussen Israël en Iran.

Verweerder heeft op 20 maart 2026 een schriftelijke reactie ingediend.

Eiser heeft op 1 april 2026 een schriftelijke reactie ingediend.

De rechtbank heeft partijen op 16 april 2026 bericht dat een nadere zitting achterwege blijft, tenzij partijen binnen één week laten weten wel op een nadere zitting te willen worden gehoord. Partijen hebben hierop niet gereageerd.

De rechtbank sluit het onderzoek en doet uitspraak.
Overwegingen
Het asielrelaas

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraanse nationaliteit.

2. Hij heeft op 14 september 2022 de asielaanvraag ingediend. Daaraan legt eiser – samengevat – het volgende ten grondslag. Eiser is Joods en had in Iran een vriendin, genaamd [naam 2] . Zij komt uit een streng islamitisch gezin. Op enig moment heeft [naam 2] ruzie gekregen met haar familie en heeft zij verteld dat eiser Joods is. Dit heeft ertoe geleid dat eiser problemen kreeg met de familie van [naam 2] en daarin heeft hij aanleiding gezien om Iran te ontvluchten.

Het bestreden besluit

3. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser met het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder stelt zich op het standpunt dat Israël voor eiser kan worden aangemerkt als veilig derde land. Een zus van eiser woont namelijk in Israël en is inmiddels ook Israëlisch staatsburger. Eiser heeft verder verklaard dat hij ook veel andere familieleden heeft die in Israël wonen. Daarnaast is het op grond van de Israëlische wet voor iedere Jood mogelijk om naar Israël te reizen, zich daar te vestigen en de Israëlische nationaliteit te verkrijgen (Aliyah). Dit geldt dus ook voor eiser. Niet gebleken is dat het gegeven dat hij de Iraanse nationaliteit bezit, dit anders maakt.

Standpunt eiser

4. Eiser betoogt dat verweerder zich ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat Israël in zijn geval moet worden aangemerkt als veilig derde land. Hij voert daartoe aan dat het niet aannemelijk is dat hij tot Israël zal worden toegelaten. Van hem kan niet worden verwacht dat hij zich tot de Israëlische autoriteiten wendt, aangezien de Iraanse autoriteiten hier achter zullen komen en dit hem en zijn familie in Iran in gevaar brengt. Eiser betwist verder dat hij een band heeft met Israël. Bovendien is de huidige situatie tussen Israël en de omliggende landen, waaronder ook Iran, erg gespannen. Daarnaast is de interne situatie in Israël onrustig.

Juridisch kader
5.1.
Verweerder kan een aanvraag niet-ontvankelijk verklaren als een derde land voor die vreemdeling als veilig derde land wordt beschouwd (op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw). Anders dan bij veilige landen van herkomst is hiervoor niet vereist dat verweerder een derde land aanwijst en opneemt in een lijst. Verweerder kan in een concreet geval beoordelen of een land voor de specifieke vreemdeling een veilig derde land is. Aan die tegenwerping moet gedegen onderzoek ten grondslag liggen. Verweerder moet bepaalde informatiebronnen over de algemene situatie in een bepaald land bij zijn oordeel betrekken, en het door hem verrichte onderzoek en de daarop gebaseerde beoordeling ook inzichtelijk maken. Uit dit onderzoek moet blijken dat een vreemdeling in het derde land overeenkomstig de beginselen, genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb zal worden behandeld.
5.2.
Als verweerder aan de hand van zorgvuldig onderzoek deugdelijk heeft gemotiveerd dat een vreemdeling in het derde land volgens de hiervoor bedoelde beginselen wordt behandeld, kan hij dit slechts tegenwerpen indien die vreemdeling een zodanige band heeft met dat land dat het voor die vreemdeling redelijk zou zijn daar naartoe te gaan én als de vreemdeling wordt toegelaten tot dat land. Die band kan blijken uit het feit dat een vreemdeling in het verleden in dat land heeft gewoond, maar kan ook worden afgeleid uit andere individuele omstandigheden, zoals het hebben van een partner of andere familie in dat land. Het is, zoals ook volgt uit paragraaf C2/6.3 van de Vc, in beginsel aan verweerder om aan de hand van de verklaringen van een vreemdeling en eventuele overgelegde of anderszins verkregen documenten aannemelijk te maken dat die vreemdeling een band heeft met het derde land. Het is vervolgens aan die vreemdeling om dat te weerleggen. Zoals eveneens volgt uit paragraaf C2/6.3 van de Vc is het ook aan verweerder om aannemelijk te maken dat een vreemdeling wordt toegelaten tot een bepaald land. Hiertoe dient hij aan de hand van informatie uit algemene bronnen, of op basis van de verklaringen van een vreemdeling, redenen aan te dragen waarom toegang in beginsel mogelijk moet zijn. Vervolgens is het aan een vreemdeling om aan te tonen dat de door verweerder geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot het land, in zijn geval niet aanwezig zijn (zie ook de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3379 en ECLI:NL:RVS:2017:3380, en 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:122).

Oordeel van de rechtbank

6.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder Israël terecht aangemerkt als veilig derde land voor eiser. De rechtbank licht dat hieronder toe.

Criteria van artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb
6.2.
Verweerder stelt dat Israël weliswaar niet voldoet aan de criteria van artikel 3.106a, eerste lid, onder a tot en met e, van het Vb, maar dat Israëlisch staatsburgerschap minimaal dezelfde bescherming biedt als de vluchtelingenstatus. Verweerder stelt dat daarmee wordt voldaan aan de criteria onder a tot en met d. De mogelijkheid om de vluchtelingenstatus te krijgen (onder e) is niet van belang in het geval van staatsburgerschap.
6.3.
Eiser heeft dit standpunt niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank staat dan ook vast dat eiser in Israël zal worden behandeld overeenkomstig de beginselen van artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb als verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser het Israëlisch staatsburgerschap kan verkrijgen. Eiser heeft dit laatste betwist. Dit beoordeelt de rechtbank hieronder bij ‘toelating tot Israël’.

Band met Israël
6.4.
De rechtbank vindt verder dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser een zodanige band heeft met Israël dat het voor hem redelijk zou zijn daar naartoe te gaan. Niet in geschil is dat eisers zus daar al ruime tijd woont en werkt. Zij heeft bovendien de Israëlische nationaliteit. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat hij haar ook, zij het in 2013, heeft bezocht in Israël. Daarnaast heeft eiser tijdens het nader gehoor verklaard dat er ook veel andere familieleden, zowel van moederskant als vaderskant, in Israël woonachtig zijn. Eiser stelt ook dat het gevaarlijk is om contact met zijn zus op te nemen vanwege haar werk. Dit staat echter haaks op zijn verklaring tijdens het nader gehoor dat hij contact met haar onderhoudt. Dat eiser Israël slechts als vakantieland ziet en dat hij (verder) alleen verre familieleden in Israël heeft, zoals hij stelt, doet hier niet aan af. Het contact met zijn zus die in Israël woont is al voldoende. De rechtbank verwijst hiervoor naar het juridisch kader onder 5.2 van deze uitspraak.

Toelating tot Israël
6.5.
Verweerder heeft ook aannemelijk gemaakt dat eiser tot Israël zal worden toegelaten. Daarbij is van belang dat dit niet op voorhand vast hoeft te staan, maar dat verweerder redenen moet aangeven op grond waarvan dit aannemelijk is (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:838). Verweerder heeft gesteld dat iedere Jood of persoon met Joodse wortels, waar dan ook ter wereld, het recht heeft om naar Israël te reizen als immigrant, zich daar te vestigen, en het Israëlisch staatsburgerschap te verkrijgen (Aliyah). Hierbij heeft verweerder verwezen naar The Law of Return van 5 juli 1950. Het is niet in geschil dat eiser Joods is. Volgens verweerder kan hij zich daarom wenden tot The Jewish Agency voor het staatsburgerschap. Hij moet dan een aantal documenten overleggen, waaronder identificerende documenten. Verweerder heeft hiervoor naar verschillende websites verwezen, waaronder van The Jewish Agency. Ook heeft verweerder gesteld dat navraag is gedaan bij The Jewish Agency of het mogelijk is om Aliyah aan te vragen zonder identificerende documenten, nu eisers asieldossier die niet bevat. Dit werd niet op voorhand uitgesloten. Geadviseerd werd dat eiser hiervoor zelf contact zou opnemen. Volgens verweerder mag redelijkerwijs van eiser worden verwacht dat hij contact opneemt met The Jewish Agency om een aanvraag voor Aliyah in te dienen.
6.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aangetoond dat de door verweerder geschetste omstandigheden om toegang te krijgen tot Israël in zijn geval niet aanwezig zijn. Eiser heeft gesteld dat het een utopie is dat Israël hem alleen op basis van het feit dat hij Joods is zal toelaten en dat in Israël iedere kleine link met Iran voldoende is voor het opsluiten, arresteren en executeren van mensen. Eiser heeft dit echter niet onderbouwd. Eiser stelt verder dat hij komt uit het land van de aartsvijand, heeft gewezen op de geopolitieke en militaire situatie in Israël, op het feit dat Israël eisers land van herkomst bombardeert, een land in oorlog is en mensenrechtenschendingen begaat. Voor zover dit juist is, doet dit naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de mogelijkheden voor toegang die verweerder heeft geschetst. Verweerder heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser zich overal in Israël kan vestigen en dat grote delen van het land veilig zijn. Dat toegang voor Iraanse burgers in het algemeen lastig is en vrijwel onmogelijk voor toeristen, zoals eiser onder verwijzing naar een uittreksel van NPO Kennis heeft gesteld, is in dit kader ook onvoldoende. Verweerder heeft onderbouwd waarom het voor eiser als Jood anders ligt. Dat The Law of Return voor hem als Iraanse Jood niet geldt, of anders wordt toegepast, is niet gebleken.
6.7.
Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser kan proberen Aliyah te verkrijgen en er een nieuwe situatie ontstaat als eiser kan aantonen dat dit niet mogelijk was. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat eiser dan een nieuwe aanvraag kan indienen in Nederland. Dat eiser hiermee zichzelf en zijn familie in gevaar zou brengen omdat de Iraanse autoriteiten ervan op de hoogte zullen raken als hij The Jewish Authority benadert om een Aliyah aan te vragen heeft hij niet onderbouwd. De enkele verklaring dat hij uit ervaring weet dat dit zo is, is onvoldoende.

Iran
6.8.
Eiser heeft verder nog aangevoerd dat Iran een gevangene heeft geëxecuteerd die schuldig werd bevonden aan spionage voor Israël en geeft Amnesty International aan te vrezen dat Iran meer mensen zal executeren die worden beschuldigd dat samenwerking met Israël. Ook heeft eiser verwezen naar zorgelijke ontwikkelingen in Iran die maken dat de Iraanse autoriteiten ‘paranoia zijn voor alles wat maar enigszins riekt naar Israël’. Verder heeft hij aangevoerd dat het zeker vanuit Iran zeer gevaarlijk is om contact met zijn zus te onderhouden. Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat hij in Iran zal worden geconfronteerd met schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Omdat er (op dit moment) geen sprake van is dat eiser wordt teruggestuurd naar Iran, laat de rechtbank deze argumenten buiten beschouwing.

Terugkeerbesluit en non-refoulement
6.9.
Eiser heeft verder nog tijdens de zitting betoogd dat het bestreden besluit in strijd is met arrest Ararat van het Hof van 17 oktober 2024 (ECLI:EU:C:2024:892), omdat hij eenmaal in Israël als vreemdeling zal worden uitgezet en dit in strijd is met het verbod van refoulement. Uit het arrest Ararat volgt dat verweerder op grond van artikel 5 van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn), gelezen in het licht van artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het Handvest, verplicht is om vóór de uitvoering van het terugkeerbesluit een geactualiseerde refoulementbeoordeling te maken.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade aangezien verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij toegang tot en verblijf in Israël zal krijgen en zich dus niet naar Iran zal hoeven te begeven. De rechtbank verwijst verder naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot Israël als veilig derde land voor eiser. Daaruit volgt dat eiser in Israël bescherming kan krijgen als Israëlisch staatsburger.
6.10.
De rechtbank heeft aanleiding gezien om het onderzoek op 6 maart 2026 te heropenen vanwege het opgelaaide conflict tussen Israël en Iran. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om een schriftelijk standpunt in te nemen over de ontstane situatie en zich uit te laten over de vraag of het conflict gevolgen heeft voor de asielprocedure van eiser. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontwikkelingen er niet toe leiden dat Israël ten aanzien van eiser niet langer als ‘veilig derde land’ kan worden aangemerkt. Daartoe stelt verweerder dat eiser zich in heel Israël kan vestigen en dat niet is gebleken van individuele feiten en omstandigheden die maken dat eiser te maken rijgt met ernstige schade in de huidige situatie. Eiser heeft in reactie op het schriftelijke standpunt van verweerder de rechtbank op 1 april 2026 allereerst herhaald dat hij vreest dat hij vanwege zijn Iraanse afkomst in Israël in de negatieve belangstelling zal komen te staan. Daarnaast wenst hij niet terug te keren naar een land in oorlog. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om anders te oordelen en verwijst hiervoor terug naar hetgeen zij onder 6.5. en 6.6. heeft overwogen. Daarnaast heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat het conflict heeft geleid tot grote onrust in de regio en betoogd dat Israël radicaliseert, temeer aldaar een wetvoorstel is aangenomen dat voorziet in de oplegging van de doodstraf. De rechtbank ziet in de door eiser aangedragen omstandigheden echter onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat hij in Israël een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft zijn gestelde vrees namelijk geenszins geconcretiseerd en de enkele omstandigheid dat er sprake is van een conflict is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat eiser een risico zou lopen om daarvan slachtoffer te worden.
6.11.
Verweerder heeft eiser dus terecht een terugkeerbesluit voor Israël opgelegd.
Conclusie en gevolgen
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de asielaanvraag van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat Israël in zijn geval als veilig derde land kan worden aangemerkt. De door eiser aangedragen beroepsgronden slagen niet.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel delen