ECLI:NL:RBDHA:2026:17975
Vervallenverklaring NL26 22782 en samenhangende eerste beroepen niet tijdig asielaanvragen 21 maanden verstreken gegrond nadere beslistermijn acht weken
Rechtbank Den Haag 2 July 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:17975
text/xml
public
2026-07-02T11:59:19
2026-07-02
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-06-16
NL26.22782 NL26.22776
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Utrecht
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17975
text/html
public
2026-07-02T11:59:05
2026-07-02
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:17975 Rechtbank Den Haag , 16-06-2026 / NL26.22782 NL26.22776
Vervallenverklaring NL26 22782 en samenhangende eerste beroepen niet tijdig asielaanvragen 21 maanden verstreken gegrond nadere beslistermijn acht weken
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.22782 en NL26.22776
vervallenverklaring en tevens uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2], eisers
V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Rasul), en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Op 7 mei 2026 zijn door eisers beroepen ingesteld omdat de minister niet tijdig heeft beslist op hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvragen).
Bij uitspraak van 20 mei 2026 heeft de rechtbank het beroepschrift, ingediend door [eiser 1] , niet-ontvankelijk verklaard.1
Overwegingen
1. De rechtbank is van oordeel dat de uitspraak van 20 mei 2026 vervallen moet worden verklaard. Dat legt zij hierna uit.
2. De aanvragen zijn door de minister ontvangen op 28 augustus 2024. De minister moet in beginsel uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvragen beslissen.2
3. Eisers komen uit Syrië. Met ingang van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 gold voor asielaanvragen van vreemdelingen uit Syrië een besluitmoratorium.3 De beslistermijn voor asielaanvragen die vóór of tijdens de werking van het besluitmoratorium werden ontvangen, is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden.4
1. NL26.22782
2 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023/26 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2024 weer een beslistermijn van zes maanden.
3 Stct. 2024, 41538.
4 Artikel 43, eerste lid, van de Vw en artikel 2 van het Besluit tot het instellen van een besluitmoratorium en vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Syrië.
4. De minister diende uiterlijk op 28 februari 2026 te beslissen op de aanvragen (28 augustus 2024 + zes maanden + één jaar, tot in totaal ten hoogste 21 maanden).
5. In haar uitspraak van 20 mei 2026 is de rechtbank ervan uitgegaan dat de minister de ingebrekestelling van eiser op 23 februari 2026 -en daarmee dus prematuur- had ontvangen. Dit was evenwel onjuist. Blijkens de ontvangstbevestiging van 1 april 2026 heeft de minister namelijk nogmaals een ingebrekestelling ontvangen, op 30 maart 2026. Dit was ná het verstrijken van de beslistermijn en daarmee was de ingebrekestelling tijdig ingediend. De rechtbank heeft het beroep van eiser mitsdien ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank verklaart daarom de uitspraak van 20 mei 2026 ambtshalve vervallen.
6. De rechtbank gaat nu alsnog over tot de inhoudelijke behandeling van het beroep.
7. De rechtbank vindt het in deze zaken niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.5
8. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.6
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
9. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.7 In deze zaken is dit aan de orde.
10. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij houdt zij rekening met het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvorming.8 Dat de beslistermijn van 21 maanden waarbinnen de behandelingsprocedure dient te worden afgerond in dit geval is overschreden, is één van de aspecten die de rechtbank in deze afweging meeweegt. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat uit de beschikbare stukken blijkt dat eisers nog niet zijn gehoord omtrent hun asielmotieven. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak besluiten op de aanvragen bekend moet maken.
De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak
11. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.9 De rechtbank bepaalt in deze zaken dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak
5 Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
7 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
8 ECLI:NL:RVS:2020:1560.
9 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/onderwerpen/overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.
bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
12. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en dat de minister binnen acht weken alsnog besluiten op de aanvragen bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, dan verbeurt hij een dwangsom.
13. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaken alleen gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
14. De rechtbank beschouwt deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Immers, eisers zijn familieleden en hebben op dezelfde data hun aanvragen, ingebrekestellingen en beroepschriften ingediend. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend.10 Dit geldt ook voor de te verbeuren rechterlijke dwangsom.11
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de uitspraak van 20 mei 2026 vervallen;
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt het met besluiten gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten;
draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog besluiten op de aanvragen bekend te maken;
bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-, toe te kennen in zaaknummer NL26.22782;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 467,-, toe te kennen in zaaknummer NL26.22782;
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. C.A.A.W. van der Heijden, griffier.
10 Artikel 3 van het Bpb.
11 ECLI:NL:RVS:2020:1624.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 juni 2026
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.