Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:17988

Bewaring, artikel 59b lid 1 onder a en b, doorwerking onrechtmatigheid eerdere maatregel, grondslag, gronden, beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag 2 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:17988 text/xml public 2026-07-02T17:00:12 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-06-30 NL26.33875 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17988 text/html public 2026-07-02T13:02:20 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:17988 Rechtbank Den Haag , 30-06-2026 / NL26.33875
Bewaring, artikel 59b lid 1 onder a en b, doorwerking onrechtmatigheid eerdere maatregel, grondslag, gronden, beroep ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.33875
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),

en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 17 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader

3. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2° van de Vw 2000 voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 zich voordoen. Ook kan de vreemdelingenbewaring noodzakelijk zijn met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen, en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid van het Vb 2000 zich voordoen.
3.1.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.

Werkt de onrechtmatigheid van de vorige maatregel door in de huidige maatregel?

4. Eiser voert (samengevat) aan dat de onrechtmatigheid van de vorige maatregel doorwerkt in onderhavige maatregel. De wet wordt tekort gedaan als het enkele gevolg van een onrechtmatige eerdere maatregel schadevergoeding is.
4.1.
De rechtbank overweegt allereerst dat de minister eiser eerder op 15 juni 2026 in bewaring heeft gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Omdat de wettelijke grondslag onjuist bleek te zijn, heeft de minister deze eerste maatregel op 17 juni 2026 opgeheven en eiser op dezelfde dag in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, onder a en b, van de Vw 2000. De minister heeft aan eiser schadevergoeding aangeboden. Om die reden gaat de rechtbank in dit beroep uit van de onrechtmatigheid van de eerste maatregel.
4.2.
De rechtbank is echter van oordeel dat de onrechtmatigheid van de vorige maatregel in dit geval niet doorwerkt in de huidige maatregel. De onrechtmatigheid van een eerdere maatregel werkt namelijk alleen door als het vastgestelde gebrek van een eerdere maatregel een ernstige schending oplevert van het (fundamentele) recht om in vrijheid te worden gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van eiser geen sprake van zo’n ernstige schending. Eiser heeft drie dagen op een verkeerde grondslag in bewaring gezien. Hiervoor is schadevergoeding aangeboden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat als een vreemdeling een relatief korte periode zonder juiste grondslag is vastgehouden, dit op zichzelf geen ernstige schending oplevert. Dat deze rechtspraak, zoals eiser op de zitting heeft betoogd, enkel van toepassing zou zijn in gevallen waarin een vreemdeling ten onrechte (langer) in bewaring heeft gezeten op een grondslag zijnde dat die vreemdeling rechtmatig verblijf had, volgt de rechtbank niet. De rechtbank wijst in dat kader bijvoorbeeld op de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2024. Ook in deze zaak had de minister de vreemdeling ten onrechte in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000, terwijl de vreemdeling tijdens het gehoor voorafgaand aan die maatregel al een asielwens had geuit. De Afdeling oordeelde daar dat geen sprake was van een ernstige schending van het recht om in vrijheid te worden gesteld. Hoewel de minister de asielwens van de vreemdeling niet tijdig had erkend, had de vreemdeling kort daarna alsnog een asielaanvraag kunnen indienen en was hij, na zes dagen, op de daarvoor geschikte grondslag in bewaring gesteld. De rechtbank ziet in het geval van eiser geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Berust de maatregel van vreemdelingenbewaring op een onjuiste grondslag?

5. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (grondslag a) en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0011823/2026-06-12), met name indien er sprake is van een risico op onttrekking (grondslag b).
5.1.
Eiser betoogt dat zowel grondslag a als grondslag b niet aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag gelegd kunnen worden. Ten aanzien van grondslag a voert eiser aan dat zijn identiteit en nationaliteit niet in geschil zijn. Bij zijn eerdere asielaanvraag heeft hij namelijk een Turkse identiteitskaart overgelegd. Deze is nog in het bezit van de minister. Ten aanzien van de grondslag b betoogt eiser dat dit niet aan de orde is. Hij heeft zijn situatie namelijk al in het voortraject geschetst.
5.2.
De rechtbank overweegt dat in de vorige maatregel van 15 juni 2026 staat dat eiser zich tijdens zijn eerdere asielaanvraag in 2022 heeft geïdentificeerd met een Turkse identiteitskaart en dat deze identiteitskaart door de politie in bewaring is genomen gedurende deze asielaanvraag. Dit heeft eiser ook tijdens de zitting verklaard. Of de maatregel tot vreemdelingenbewaring mocht worden gebaseerd op grondslag a laat de rechtbank echter in het midden. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de minister de maatregel van bewaring in ieder geval heeft kunnen baseren op grond b. Gelet op wat hierna onder 6.3 en 6.3.1 wordt geoordeeld, zijn de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd ook voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Met de vaststelling dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, is ook gegeven dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag. De rechtbank wijst in dat kader op de uitspraken van de Afdeling van 19 oktober 2016 en 22 augustus 2019. Dat eiser die gegevens al eerder heeft verstrekt volgt de rechtbank niet. Hij heeft immers een opvolgende asielaanvraag gedaan die de minister moet beoordelen. Daarvoor moet hij gegevens, zoals eisers verklaringen, verkrijgen.

Kunnen de gronden de maatregel tot vreemdelingenbewaring dragen?

6. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;

r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6.1.
De minister heeft op de zitting grond q laten vallen.
6.2.
Eiser betoogt dat geen van de gronden ten grondslag gelegd kunnen worden aan de maatregel. Hij heeft namelijk een asielaanvraag ingediend en de minister moet die aanvraag behandelen. In een bewaringsprocedure is geen ruimte om de asielaanvraag compleet te behandelen. Daarnaast betoogt eiser meer specifiek dat grond r niet tegengeworpen kan worden. Het niet hebben van een vaste woon- of verblijfplaats is immers van toepassing op iedere asielzoeker.
6.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals overwogen in 3 en 3.1 kan een asielzoeker in bewaring worden gesteld als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Het enkele feit dat eiser een asielaanvraag heeft lopen, maakt daarom niet dat geen van de gronden ten grondslag gelegd kunnen worden aan de maatregel tot bewaring.
6.3.1.
Eiser heeft verder de gronden van bewaring inhoudelijk niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de gronden a, b, h, j en o feitelijk juist zijn en de maatregel al kunnen dragen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er een risico bestaat op onderduiken. De rechtbank merkt ten overvloede verder op dat de enkele omstandigheid dat eiser als asielzoeker redelijkerwijs niet kan beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats niet betekent dat de minister hem deze grond alleen daarom al niet kon tegenwerpen.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Het beroep tegen een maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.

Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.

Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Dit volgt uit artikel 5.7, eerste lid, van het Vb 2000.

Dit volgt uit artikel 5.7, eerste lid, van het Vb 2000.

Dit volgt uit artikel 59c van de Vw 2000.

Zie bv. 16 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2353 en recentelijk 20 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:262.

ECLI:NL:RVS:2024:1206.

ECLI:NL:RVS:2016:2852 en ECLI:NL:RVS:2019:2844.

Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Artikel delen