Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:17989

Dublin; Frankrijk; artikel 17 DVO; afhankelijkheid; familierelatie; proceseconomische redenen; beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag 2 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:17989 text/xml public 2026-07-02T17:00:13 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-06-30 NL26.20090 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17989 text/html public 2026-07-02T13:07:28 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:17989 Rechtbank Den Haag , 30-06-2026 / NL26.20090
Dublin; Frankrijk; artikel 17 DVO; afhankelijkheid; familierelatie; proceseconomische redenen; beroep ongegrond.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.20088 en NL26.20090
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer 1], eiser
[eiseres] , v-nummer: [nummer 2], eiseres (gezamenlijk: eisers)

(gemachtigde: mr. G. Tuenter),

en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A. Sloots).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun asielaanvragen. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor hun aanvragen
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, hun gemachtigde en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvragen in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stond in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening nam de minister een asielaanvraag niet in behandeling als werd vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.

Had de minister de asielaanvragen van eisers onverplicht in behandeling moeten nemen?

5. Eisers betogen dat de minister hun asielaanvragen onverplicht in behandeling had moeten nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening zoals dat luidde tot 12 juni 2026, nu eisers (schoon)moeder ook in Nederland asiel heeft aangevraagd, en zij voor dagelijkse zorg en ondersteuning grotendeels van eiser afhankelijk is. Ter onderbouwing van de medische afhankelijkheid verwijzen eisers naar het GZA-patiëntendossier van de moeder en de verklaringen van eisers. De minister heeft ten onrechte gesteld dat de familieband tussen eisers en de moeder niet is aangetoond, nu deze op basis van de gehoren van eisers aannemelijk is. Daarnaast hebben eisers twee (schoon)zussen, een zwager en hun kinderen ook in Nederland asiel aangevraagd. Volgens eisers is een gezamenlijke behandeling van hun asielaanvragen van belang. De minister had de asielaanvragen van eisers daarom ook onverplicht aan zich moeten trekken om proceseconomische redenen.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister hoeft de asielaanvragen van eisers niet onverplicht in behandeling te nemen. Allereerst heeft de minister mogen vinden dat eisers de familieband tussen eiser en zijn moeder niet aannemelijk hebben gemaakt. Los van het feit dat eisers in hun gehoren niets hebben verklaard over de moeder van eiser, worden eisers er ook niet in gevolgd dat de enkele verklaringen van eiser in de zienswijze en in beroep hiertoe voldoende zijn. Ook heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eisers de afhankelijkheid tussen eiser en zijn moeder onvoldoende hebben onderbouwd. Uit het GZA-patiëntendossier blijkt weliswaar dat eisers moeder paniekaanvallen heeft gehad, maar daarmee hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zij dagelijkse zorg en ondersteuning van eiser behoeft. Bovendien heeft de minister hierbij het feit dat eisers moeder pas twee maanden na hen naar Nederland is gekomen ook in hun nadeel mogen betrekken. Verder heeft de minister erop gewezen dat asielaanvragen alleen in uitzonderlijke gevallen onverplicht in behandeling worden genomen om familierelaties te herstellen, aangezien het bijeenhouden en het bijeenbrengen van het gezin al geschiedt op grond van andere bepalingen van de Dublinverordening. De minister heeft er ook op gewezen dat de Dublinverordening op zichzelf niet bedoeld is als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een familie- of gezinslid in Nederland kan worden verkregen. Hoewel de wens van eisers om met hun (schoon)moeder in Nederland te kunnen verblijven een begrijpelijke is, heeft de minister dit dan ook niet hoeven aanmerken als een bijzondere, individuele omstandigheid die maakt dat overdracht van eisers aan Frankrijk van een onevenredige hardheid getuigt.
5.2.
Daarnaast heeft de minister de asielaanvragen van eisers ook niet onverplicht aan zich hoeven trekken om proceseconomische redenen. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eisers toegelicht dat de asielrelazen van eisers en hun familieleden met elkaar samenhangen en dat de kans op inwilliging afneemt als de behandeling van die aanvragen wordt gesplitst. De ‘proceseconomische redenen’ in de zin van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) gaan echter over de situatie dat het naar het oordeel van de minister proceseconomisch gunstiger is voor hem om een asielaanvraag alsnog in behandeling te nemen. In de omstandigheid dat een gezamenlijke behandeling van de asielaanvragen mogelijk gunstiger en efficiënter is voor eisers, heeft de minister dan ook geen proceseconomische reden hoeven zien om de asielaanvragen onverplicht aan zich te trekken. Daarbij komt dat de minister tijdens de zitting heeft toegelicht dat het vanuit proceseconomisch oogpunt voor de minister juist gunstiger is om de asielaanvragen van eisers niet in behandeling te nemen, nu vaststaat dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers.
Conclusie en gevolgen
6. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Sinds 12 juni 2026 staat deze regelgeving in de Asiel- en Migratiebeheerverordening.

Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).

Paragraaf C2/5 van de Vc 2000 (zoals die luidde tot 12 juni 2026).

Artikel delen