Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:17990

Bewaring vervolgberoep buiten zitting Guinee-Bissau; voldoende voortvarend; zicht op uitzetting binnen redelijke termijn; voortduren van maatregel gerechtvaardigd, detentieomstandigheden, ontbreken van een avondprogramma, detentiecentrum Rotterdam voldoet aan eisen speciale inrichting voor bewaring art. 16 Terugkeerrichtlijn; beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag 2 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:17990 text/xml public 2026-07-02T17:00:13 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-06-30 NL26.33777 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17990 text/html public 2026-07-02T13:14:25 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:17990 Rechtbank Den Haag , 30-06-2026 / NL26.33777
Bewaring vervolgberoep buiten zitting Guinee-Bissau; voldoende voortvarend; zicht op uitzetting binnen redelijke termijn; voortduren van maatregel gerechtvaardigd, detentieomstandigheden, ontbreken van een avondprogramma, detentiecentrum Rotterdam voldoet aan eisen speciale inrichting voor bewaring art. 16 Terugkeerrichtlijn; beroep ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.33777
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),

en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De minister heeft op 2 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 16 april 2026. Op het eerste vervolgberoep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 20 mei 2026.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft op 21 juni 2026 de gronden van het beroep ingediend.

De rechtbank heeft het vooronderzoek op 24 juni 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 20 mei 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 18 mei 2026.
2.1.
Verder hecht de rechtbank er aan op te merken dat het bericht van de rechtbank, waarbij is medegedeeld dat het beroep zonder zitting wordt afgedaan en het onderzoek wordt gesloten, lijkt te suggereren dat gemachtigde van eiser niet (tijdig) op de voortgangsrapportage heeft gereageerd. Dit is niet het geval. De gemachtigde heeft voorafgaand aan het sluiten van het onderzoek de gronden van het beroep ingediend en de rechtbank zal deze gronden ook bespreken.

Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser en ontbreekt zicht op uitzetting binnen redelijke termijn?

3. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en dat onvoldoende duidelijk is of uitzetting binnen een redelijke termijn zal plaatsvinden. Eiser benadrukt dat zijn identiteit en nationaliteit reeds zijn aangetoond en onderbouwd met een kopie van zijn paspoort. Desondanks rappelleert de minister volgens eiser onnodig traag omdat tussen de rappels telkens meer dan drie weken verstrijken. Daarnaast is na de presentatie van 3 juni 2026 is geen duidelijkheid ontstaan over de afgifte van een reisdocument. Eiser wijst erop dat in de voortgangsrapportage is vermeld dat op 15 juni 2026 een terugkoppeling zou volgen van de ambassade, maar deze blijkt niet uit het dossier en ook blijkt niet dat de minister hierop actie heeft ondernomen.
3.1.
Uit de voortgangsrapportage volgt dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek verschillende uitzettingshandelingen heeft verricht. Er zijn vertrekgesprekken gevoerd en op 3 juni 2026 is eiser telefonisch gepresenteerd bij de autoriteiten van Guinee-Bissau, waarbij zijn nationaliteit is bevestigd. Vervolgens heeft de minister op 4 juni 2026 schriftelijk gerappelleerd. Daarna heeft de minister op 11 juni 2026 telefonisch contact opgenomen met de ambassade van Guinee-Bissau en is door het consulaat bevestigd dat het dossier is doorgestuurd naar de autoriteiten in Guinee-Bissau. Dat nadien geen terugkoppeling van de ambassade in de voortgangsrapportage is opgenomen, maakt niet dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Tijdens het vertrekgesprek van 3 juni 2026 is immers aangegeven dat, na ontvangst van een terugkoppeling, zal worden overgegaan tot het boeken van een vlucht. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de minister voor het verkrijgen van reisdocumenten afhankelijk is van de medewerking van de autoriteiten van Guinee-Bissau. Gelet op het voorgaande werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
3.2.
De rechtbank overweegt verder dat er geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Guinee-Bissau in zijn algemeenheid ontbreekt. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval geen sprake is van zicht op uitzetting. Niet is gebleken dat de laissez-passer (lp) aanvraag is afgewezen of niet langer in behandeling wordt genomen. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De beroepsgrond slaagt niet.

Is het voortduren van de maatregel nog gerechtvaardigd?

4. Eiser voert aan dat naarmate de bewaring langer voortduurt, een strengere beoordeling van het voortduren van de maatregel is aangewezen. Hij verwijst in dit verband naar het rapport van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) over het detentiecentrum van Rotterdam. Volgens eiser volgt hieruit dat het detentiecentrum door het ontbreken van een avondprogramma mogelijk niet voldoet aan de vereisten van een gespecialiseerde detentie-inrichting in de zin van artikel 16 van de Terugkeerrichtlijn. Het ontbreken van een avondprogramma kan leiden tot langdurige insluiting en een gebrek aan betekenisvolle activiteiten, wat nadelige gevolgen kan hebben voor de mentale gezondheid van gedetineerden, met name als de detentie langer duurt. Dat geldt te meer voor eiser. Hij verblijft inmiddels ruim drie maanden in bewaring en heeft psychische klachten. Deze omstandigheden maken dat de bewaring volgens eiser een zwaardere impact heeft op zijn menselijke waardigheid en gezondheid.
4.1.
Voor zover eiser betoogt dat het detentiecentrum van Rotterdam geen speciale inrichting voor bewaring is als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn, overweegt de rechtbank als volgt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 29 december 2022 overwogen dat het detentiecentrum van Rotterdam voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie in zijn arrest van 10 maart 2022 heeft gesteld aan een speciale inrichting voor bewaring in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. De Afdeling heeft deze rechtspraak nadien herhaald. Wat eiser heeft aangevoerd, is onvoldoende voor een ander oordeel. Voor zover eiser met zijn verwijzing naar het ontbreken van een avondprogramma en de daarmee samenhangende detentieomstandigheden betoogt dat de bewaring in zijn geval niet langer kan voortduren, volgt de rechtbank hem daarin niet. Over de door eiser gestelde detentieomstandigheden kan hij namelijk, volgens vaste jurisprudentie, een klacht indienen bij het detentiecentrum. Het is geen omstandigheid die de bewaring als zodanig onrechtmatig maakt.

Voor zover eiser daarnaast betoogt dat zijn belangen inmiddels zwaarder wegen dan die van de minister, slaagt ook dit betoog niet. In beginsel komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring meer gewicht toe aan het belang van de minister bij voortduring van de maatregel dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Pas na het verstrijken van deze termijn dient de minister een verzwaarde belangenafweging te maken. Nu eiser nog geen zes maanden in bewaring verblijft, is een dergelijke verzwaarde belangenafweging nog niet aan de orde. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat reeds vóór het verstrijken van de zes maandentermijn groter gewicht toekomt aan de belangen van de vreemdeling dan aan de belangen van de minister. Eiser heeft echter geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die tot een dergelijk oordeel leiden. De beroepsgrond slaagt niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. Habibi griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.

European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment, Ad hoc visit | 6-17 October 2025, published on 19 June 2026.

ECLI:NL:RVS:2022:4002.

Landkreis Gifhorn, ECLI:EU:C:2022:178, onder 57 punt.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:700.

De rechtbank wijst op de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3184 en op de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8075.

Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X), HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.

Artikel delen