Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:18022

Bewaring; elektronische handtekening; non-refoulement; lichter middel; ongegrond.

Rechtbank Den Haag 2 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:18022 text/xml public 2026-07-02T17:00:14 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-06-30 NL26.33874 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18022 text/html public 2026-07-02T14:47:03 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:18022 Rechtbank Den Haag , 30-06-2026 / NL26.33874
Bewaring; elektronische handtekening; non-refoulement; lichter middel; ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.33874
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),

en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 17 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring, op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, onder c, en onder e van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), opgelegd. De minister heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Is de maatregel van vreemdelingenbewaring voorzien van een rechtsgeldige elektronische handtekening?

3. Eiser voert aan dat uit het handtekeningenvenster niet kan worden geverifieerd of de maatregel van vreemdelingenbewaring op de rechtsgeldige wijze elektronisch is ondertekend. Als geen sprake is van een geldige elektronische handtekening, is de maatregel volgens eiser vanaf het begin af aan onrechtmatig.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat het dossier geen versie van de maatregel bevat waarop kan worden gecontroleerd of deze van een rechtsgeldige elektronische handtekening is voorzien. De rechtbank heeft de gemachtigde van de minister daarom tijdens de zitting gevraagd of zij op dat moment een versie van de maatregel kon tonen waarin dit wel zichtbaar was. De gemachtigde van de minister heeft dit gedaan. De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel is voorzien van een rechtsgeldige elektronische handtekening. Eiser heeft dit op de zitting ook niet betwist. De beroepsgrond slaagt niet.

Had de minister een actuele non-refoulementbeoordeling moeten maken?

4. Eiser voert aan dat de minister geen actuele beoordeling heeft gemaakt van het risico op refoulement, zoals bedoeld in de uitspraken van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Volgens eiser hoeft een dergelijke beoordeling in beginsel niet plaats te vinden, omdat dit tijdens zijn asielaanvraag wordt beoordeeld. Nu de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring wel een beoordeling heeft opgenomen, had deze volgens eiser ook actueel en individueel moeten zijn. Dit is volgens hem niet het geval.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op de zitting terecht op het standpunt heeft gesteld dat de beoordeling van het risico op refoulement in de maatregel ten overvloede is opgenomen. Omdat eiser op grond van artikel 59b van de Vw 2000 in vreemdelingenbewaring is gesteld in afwachting van zijn asielaanvraag, is de vreemdelingenbewaring op dit moment niet gericht op zijn uitzetting. De beoordeling van een mogelijk risico op refoulement vindt daarom plaats in de asielprocedure. Voor zover de in de maatregel opgenomen beoordeling onvolledig of onjuist zou zijn, leidt dit niet tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. De beroepsgrond slaagt niet.

Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?

5. Eiser voert aan dat hij in oktober 2025 door de politie uit zijn woning is gehaald en vervolgens naar het detentiecentrum in Rotterdam is overgebracht, waar hij sindsdien in vreemdelingenbewaring verblijft. Eiser voert aan dat hij nooit eerder met de politie in aanraking is geweest, altijd heeft gewerkt en zijn belastingen en verzekeringen heeft betaald. Verder voert eiser aan dat hij getrouwd is geweest met een Nederlandse vrouw, met wie hij een onderneming wilde starten. In dat kader is een lening op zijn naam afgesloten, wat heeft geleid tot een belastingschuld van 10.000 euro.
5.1.
Voor zover eiser met deze beroepsgrond betoogt dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, volgt de rechtbank hem daarin niet. De minister heeft in de maatregel van vreemdelingenbewaring voldoende gemotiveerd waarom vreemdelingenbewaring noodzakelijk is en waarom niet met een minder dwingende maatregel kon worden volstaan. Uit de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden volgt dat sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht. Eiser heeft deze gronden niet betwist. De door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden zijn onvoldoende om te oordelen dat de vreemdelingenbewaring voor hem onevenredig bezwarend is of dat de minister hierin aanleiding had moeten zien om een lichter middel toe te passen. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser eerder niet heeft meegewerkt aan zijn vertrek door één dag voor zijn geplande uitzetting naar Gambia een asielaanvraag in te dienen. De beroepsgrond slaagt niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.

HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.

Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Artikel delen