Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:18027

Derdelander Oekraïne, beëindiging tijdelijke bescherming, terugkeerbesluit, geen strijd met EU-recht, beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag 3 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:18027 text/xml public 2026-07-03T17:00:29 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-01 NL23.26719 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18027 text/html public 2026-07-02T15:00:20 2026-07-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:18027 Rechtbank Den Haag , 01-07-2026 / NL23.26719
Derdelander Oekraïne, beëindiging tijdelijke bescherming, terugkeerbesluit, geen strijd met EU-recht, beroep ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht

zaaknummers: NL23.26719, NL24.9160 en NL24.9462.
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),

en
de minister van Asiel en Migratie, Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn) en de oplegging van meerdere terugkeerbesluiten. Eiser is het met deze besluiten niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 heeft beëindigd en per 11 augustus 2025 2025 een terugkeerbesluit aan hem heeft opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser bij besluit van 31 augustus 2023 in kennis gesteld van de beëindiging van de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 september 2023. Dit besluit geldt ook als terugkeerbesluit. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld (NL23.26719). Eiser heeft ook de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL23.26720). Op 31 januari 2024 heeft de minister het besluit van 31 augustus 2023 ingetrokken. De rechtbank heeft aan eiser op 1 februari 2024 gevraagd of hij het beroep wenst te handhaven. Eiser heeft op dit bericht niet gereageerd.
2.1.
Op 7 februari 2024 heeft de minister een nieuw terugkeerbesluit genomen waarin aan eiser is meegedeeld dat de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per4 maart 2024 eindigt. Tegen dit terugkeerbesluit is namens eiser beroep ingesteld door twee verschillende gemachtigden. Deze beroepen zijn geregistreerd onder de zaaknummers NL24.9160 en NL24.9462. Daarnaast hebben beide gemachtigden de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze verzoeken zijn geregistreerd onder de zaaknummers NL24.9161 en NL24.9463.
2.2.
Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats de verzoeken met zaaknummers NL23.26720 en NL24.9161 toegewezen en bepaald dat eiser moet worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op hem van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op het beroep. Eiser heeft het verzoek om het treffen voor een voorlopige voorziening met nummer NL24.9463 naar aanleiding van deze uitspraak ingetrokken.
2.3.
Bij besluit van 11 augustus 2025 heeft de minister het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ingetrokken en tegen eiser een vervangend terugkeerbesluit uitgevaardigd.
2.4.
De minister heeft bij bericht van 8 april 2026 verweer gevoerd.
2.5.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en inleidende opmerkingen

3. Eiser komt uit Marokko. Hij had in Oekraïne een tijdelijk verblijfsrecht op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op 31 augustus 2023 buiten behandeling gesteld. Hiertegen is geen beroep ingesteld.

4. De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bij besluit van31 augustus 2023 bekendgemaakt. Met dit besluit is aan eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. Bij brief van 24 januari 2024 heeft de minister eiser gewezen op deze beëindiging van rechtswege op 4 maart 2024. Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd.

5. De minister heeft op 7 februari 2024 opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd en vastgesteld dat eisers met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de Europese Unie moet verlaten. Tegen dit besluit heeft eiser ook beroep ingesteld.

6. Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 en 25 april 2024 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de uitleg van de Richtlijn. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd.

7. De Afdeling heeft in uitspraken van 23 april 2025 uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij heeft besloten om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2024 einduitspraak gedaan.

Beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming/terugkeerbesluit per 4 september 2023

8. De minister heeft het besluit van 31 augustus 2023 tot beëindiging per 4 september 2023 van de aan eiser toegekende tijdelijke bescherming en tot oplegging van een terugkeerbesluit ingetrokken. Dat betekent in beginsel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het tegen dit besluit gerichte beroep. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel moeten leiden. Daarom is het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2023 niet-ontvankelijk.

Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024

9. Het tegen het besluit van 31 augustus 2023 gehandhaafde beroep (NL23.26719) is naar het oordeel van de rechtbank ook gericht tegen het alsnog op 7 februari 2024 genomen terugkeerbesluit. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft eerder overwogen dat dit naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 genomen terugkeerbesluit op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege bij de beoordeling van dat beroep moet worden betrokken. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak geen aanleiding voor een ander oordeel. Dit besluit van 7 februari 2024 heeft namelijk een gelijke strekking en is gebaseerd op dezelfde bevoegdheidsgrondslag en feitelijke omstandigheden als het eerdere besluit van 31 augustus 2023 en vertoont daarmee dus een onlosmakelijke samenhang. Die samenhang volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, waarin zowel op de verblijfsbeëindiging per 4 september 2023 als die per 4 maart 2024 wordt ingegaan. Verder heeft het besluit van 7 februari 2024 ook rechtsgevolg, omdat het de reikwijdte van het besluit van 31 augustus 2023 wijzigt. De datum waarop het rechtmatig verblijf van eiser eindigt en het moment waarop een vertrekplicht ontstaat wijzigen. Het tijdsverloop tussen het moment van intrekking van het eerdere terugkeerbesluit (31 januari 2024) en het vervangende terugkeerbesluit van 7 februari 2024 betekent niet dat artikel 6:19 van de Awb niet kan worden toegepast. Het aanmerken van het besluit van 7 februari 2024 als een 6:19-besluit dient ook de proceseconomie: de rechtszoekende kan zijn bezwaren tegen het nieuwe besluit in de al aanhangig gemaakte procedure naar voren brengen en hoeft dus ook geen afzonderlijk rechtsmiddel in te dienen.
9.1.
De rechtbank is echter van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit terugkeerbesluit van 7 februari 2024. De minister heeft dit prematuur genomen besluit, als gevolg van het arrest Kaduna en de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, ingetrokken en aan eiser geen nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat zij toch een procesbelang heeft bij het tegen het besluit van 7 februari 2024 gerichte beroep. Het enkel handhaven van een beroep zodat eiser, gelet op de bevriezingsmaatregel, de rechten horende bij tijdelijke bescherming kan blijven genieten, is daartoe onvoldoende. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

De beroepen met zaaknummers NL24.9160 en NL24.9462

10. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat het beroep met zaaknummer NL23.26719 tegen het besluit van 31 augustus 2023 ook betrekking heeft op het nadien genomen besluit van 7 februari 2024 (in zaaknummers NL24.9160 en NL24.9462). Het was dus niet nodig om tegen het besluit van 21 februari 2024 nog afzonderlijk beroep in te stellen. De rechtbank zal daarom geen uitspraak doen op deze beroepen.

Beroep tegen het besluit van 11 augustus 2025

Kwalificatie van het besluit van 11 augustus 2025

11. In het besluit van 11 augustus 2025 staat dat de minister het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 intrekt en vervangt door het met dat besluit opgelegde terugkeerbesluit. De rechtbank zal dit besluit aanmerken als een besluit tot vervanging, als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, van het eerdere terugkeerbesluit. De rechtbank zal hierna de tegen dit besluit aangevoerde beroepsgronden bespreken.

Had de minister een apart beëindigingsbesluit moeten nemen?

12. Eiser betoogt dat de minister een beslissing tot het eindigen van eisers rechtmatige verblijf had moeten nemen, alvorens aan eiser een terugkeerbesluit op te leggen. Daarmee is het terugkeerbesluit volgens eiser prematuur. Eiser wijst op het arrest Kaduna. Daardoor is eiser naar eigen zeggen ten onrechte niet in staat geweest om tegen het beëindigen een zienswijze in te dienen.
12.1.
Het betoog slaagt niet. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat de minister de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024 en dat de betreffende vreemdelingen daarover zijn geïnformeerd. De rechtbank ziet, anders dan eiser in de bewoordingen van punt 135 van het arrest Kaduna geen aanleiding voor het oordeel dat het rechtmatig verblijf op grond van de richtlijn bij beschikking individueel had moeten worden beëindigd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 volgt dat de tijdelijke bescherming van rechtswege afloopt op 4 maart 2024. Dat heeft als gevolg dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen over het eindigen van de tijdelijke bescherming.

Had eiser nog rechtmatig verblijf ten tijde van de bevriezingsmaatregel?

13. Eiser betoogt dat de minister heeft miskend dat eiser ten tijde van de bevriezingsmaatregel en de toegekende voorlopige voorziening en de zaken NL23.26720 en NL24.9161 rechtmatig verblijf had tot 5 september 2025 en dat het onderhavige terugkeerbesluit daarom prematuur is genomen.
13.1.
Het betoog slaagt niet. In de uitspraken van 23 april 2025 heeft de Afdeling bevestigd dat de tijdelijke bescherming (van rechtswege) op 4 maart 2024 is geëindigd. Dat eiser daarna nog gebruik heeft gemaakt van de rechten van de Richtlijn komt omdat de gevolgen van het stoppen van de tijdelijke bescherming zijn bevroren als gevolg van de gestelde prejudiciële vragen. Deze bevriezing houdt niet in dat de tijdelijke bescherming is verlengd, maar enkel dat eiser nog feitelijk mag gebruikmaken van de rechten die zij vanwege de tijdelijke bescherming had. De Afdeling heeft bij uitspraak van 31 oktober 2025 bevestigd dat de bevriezingsmaatregel niet maakt dat de minister geen terugkeerbesluit kon nemen. Ook de bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 4 april 2024 toegewezen verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening maken niet dat eiser rechtmatig verblijf heeft totdat op het beroep is beslist. De voorzieningenrechter heeft immers slechts bepaald dat de betreffende verzoekers (waaronder eiser) worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten, op hen van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op de beroepen. Zoals de minister terecht overweegt, staan de lopende beroepsprocedure en/of de toegewezen voorlopige voorzieningen niet in de weg aan het opleggen van een terugkeerbesluit. Eiser heeft procedureel rechtmatig verblijf om de uitkomst van zijn beroepsprocedure te kunnen afwachten. Het terugkeerbesluit is tijdelijk opgeschort. Dit doet niet af aan de vaststelling van illegaal verblijf en dus de bevoegdheid van de minister om een terugkeerbesluit uit te vaardigen.

Heeft de minister voldoende rekening gehouden met de beginselen van het Unierecht en met artikel 8 van het EVRM?

14. Eiser betoogt dat het beëindigen van eisers verblijfsrecht op grond van de Richtlijn in strijd is met het discriminatieverbod en dat het strijdig is met het nuttig effect van de richtlijn nu asielachterstanden juist toenemen. In de beschikking is volgens eiser geen overweging opgenomen over de invloed van het beëindigen van de bescherming van Oekraïense derdelanders voor het nuttig effect van de richtlijn. Volgens eiser kan de minister zich voor het beëindigen van de bescherming niet beroepen op rechtspraak van de Afdeling, maar had hij moeten ingaan op de argumenten van eiser in de zienswijze. Verder heeft de minister volgens eiser ten onrechte niet beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM.
14.1.
Het betoog slaagt niet. De rechtbank wijst met betrekking tot het betoog dat eiser niet heeft kunnen reageren middels een zienswijze allereerst op het onder 12.1 overwogene.
14.1.1.
De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn betoog dat het beëindigen van zijn tijdelijke bescherming in strijd is met het doel en nuttig effect van de richtlijn. Uit het arrest Kaduna volgt dat de intrekking van de facultatieve tijdelijke bescherming geen afbreuk mag doen aan het doel en het nuttig effect van de Richtlijn en daarbij moeten de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het anti-discriminatiebeginsel, in acht worden genomen. Met het besluit om terug te komen op de toepassing van de facultatieve bepaling voor derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne bestaat geen grondslag meer voor de toekenning en de voortzetting van tijdelijke bescherming aan deze groep. De minister heeft daarom terecht gesteld dat de op een betrokkene toegespitste beoordeling niet verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning en daarnaast niet op een andere grond aanspraak kan worden gemaakt op tijdelijke bescherming. De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 en de uitspraak van deze zittingsplaats van 28 maart 2024. Eiser heeft overigens niet geconcretiseerd waarom sprake zou zijn van schending van het anti-discriminatiebeginsel.
14.1.2.
Het betoog van eiser dat de minister ten onrechte niet heeft beoordeeld of hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM slaagt eveneens niet. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de minister bij het opleggen van een terugkeerbesluit naar behoren rekening moet houden met onder meer het privéleven en het familie- en gezinsleven van de betrokken vreemdeling. Uit die rechtspraak volgt verder dat de minister, wanneer hij voornemens is een terugkeerbesluit uit te vaardigen, de vreemdeling de gelegenheid moet bieden alle relevante informatie naar voren te brengen die kan rechtvaardigen dat geen terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd. In dit geval heeft de minister eiser de gelegenheid gegeven om in zijn zienswijze op het voornemen van 4 juni 2025 dergelijke omstandigheden naar voren te brengen. Eiser heeft echter in de zienswijze, noch in beroep concrete omstandigheden benoemd op grond waarvan hij meent privéleven of familie- of gezinsleven te hebben in Nederland, zodat het betoog alleen om die reden al niet slaagt.

Is de SIS-registratie van eiser onevenredig bezwarend?

15. Eiser betoogt dat er een stigma kleeft aan de SIS-signalering en dat de SIS-signalering had moeten worden opgeschort tot op het moment van uitspraak op het beroep. Verder betoogt eiser dat de minister had moeten ingaan op zijn verzoek tot verwijderen en dat eiser recht heeft op vergoeding van de geleden schade.
15.1.
Het betoog slaagt niet. De minister wijst er terecht op dat artikel 3, eerste lid, van Verordening 2018/1860 dwingend voorschrijft dat hij een signalering in het SIS invoert wanneer hij een terugkeerbesluit uitvaardigt. Daarmee bestaat, mede gezien het onder 13.1 overwogene geen grond voor het oordeel dat de minister de SIS-signalering van eiser gedurende de behandeling van het beroep had moeten opschorten op grond van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 april 2024. Wat er verder ook zij van het betoog van eiser dat de minister desondanks ten onrechte niet heeft beoordeeld of de gevolgen van een SIS-signalering voor hem niet onevenredig zijn, constateert de rechtbank dat eiser geen omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit moet worden afgeleid dat de SIS-signalering in zijn geval onevenredige gevolgen heeft (gehad). Eiser heeft niet concreet gemaakt dat hij daadwerkelijk naar een andere lidstaat wilde afreizen en van plan was zich daar te vestigen. Dat eiser op een andere wijze door de SIS-registratie zou zijn benadeeld, heeft hij eveneens niet onderbouwd. Van enige (reputatie) schade is dan ook niet gebleken.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het zich richt tegen de terugkeerbesluiten van 31 augustus 2023 en 7 februari 2024. Voor zover het beroep zich richt tegen het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025 is het ongegrond. Dat betekent dat het terugkeerbesluit in stand blijft.
16.1.
Omdat de minister de terugkeerbesluiten van 31 augustus 2023 en 7 februari 2024 heeft ingetrokken heeft eiser wel recht op een proceskostenvergoeding. De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1868 bestaande uit een punt voor het beroep tegen de ingetrokken besluiten van 7 februari 2024 en 31 augustus 2023 en1 punt voor de aanvullende gronden tegen het terugkeerbesluit van 11 augustus 2025, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 31 augustus 2023 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 augustus 2025 ongegrond;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser ter hoogte van € 1868.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.

Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.

ABRvS, 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32.

ECLI:NL:RBDHA:2024:4394.

ABRvS, 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.

HvJEU 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna).

ABRvS, 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.

Kamerstukken II 2024/25, 19637, nr. 3434.

Rb. Den Haag, zp Amsterdam 10 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12445.

ECLI:EU:C:2024:1038, punt 135.

Eiser wijst op artikel 79, eerste lid, aanheft en onder d van de Vw 2000.

ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.

ECLI:NL:RVS:2024:32.

De rechtbank wijst op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4375.

ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.

ECLI:NL:RVS:2025:5214.

Op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000.

Zie HvJEU 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465 (Gnandi), rechtsoverweging (r.o.) 44 e.v. en ABRvS, 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, r.o. 8 en 9.

ECLI:EU:C:2024:1038.

Onder 10.3

ECLI:NL:RBDHA:2024:4375, onder 15.

Dit volgt uit het arrest van 8 mei 2018, EU:C:2018:308 (K.A. e.a.) punt 102, in samenhang met het arrest van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913 (X) punt 92.

Zie ook ABRvS, 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1075 r.o. 6 e.v.

Dit volgt uit artikelen 7:15 en 8:75 van de Awb.

Artikel delen