Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:18268

Bewaring; volgberoep.

Rechtbank Den Haag 3 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:18268 text/xml public 2026-07-03T23:13:24 2026-07-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-03 NL26.34631 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18268 text/html public 2026-07-03T23:11:30 2026-07-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:18268 Rechtbank Den Haag , 03-07-2026 / NL26.34631
Bewaring; volgberoep.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.34631
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer:],

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - De Groot).
Inleiding
1. De minister heeft op 4 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier op 26 juni 2026 schriftelijk gereageerd, waarna de minister op 30 juni 2026 een verweerschrift heeft ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 2 juli 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al driemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 mei 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 8 mei 2026.

3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Wat vindt eiser?

4. Eiser betoogt dat de voortduring van de bewaring onrechtmatig is. Daartoe stelt eiser te lijden aan medische en psychische klachten waarvoor hij onder medische behandeling staat. Gelet hierop is volgens eiser de voortduring van de bewaring voor hem onevenredig zwaar geworden en kan worden volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht, waaraan hij bereid is zich te houden. Daarnaast stelt eiser beroep te hebben ingesteld tegen de negatieve beslissing op zijn artikel 64-aanvraag, welk beroep volgens eiser schorsende werking heeft.

Oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 26 februari 2026 geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel nu wel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn. Zoals reeds is overwogen in de eerdere uitspraak, kan eiser zich voor zijn medische en psychische klachten wenden tot de medische dienst in het detentiecentrum. Niet is gesteld noch is gebleken dat de medische voorzieningen in het detentiecentrum voor eiser ontoereikend zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.1.
Ten aanzien van eisers betoog dat hij beroep heeft ingesteld tegen de negatieve beschikking op zijn artikel 64 Vw-aanvraag, overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is gemaakt dat een dergelijk beroep is ingesteld. De minister heeft dit bovendien op zitting uitdrukkelijk betwist. Verder overweegt de rechtbank dat, indien een dergelijk beroep al zou zijn ingesteld, het louter indienen daarvan geen schorsende werking heeft ten aanzien van de uitzetting van eiser. Deze beroepsgrond faalt ook.
5.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat zicht op uitzetting naar Nigeria bestaat. Zoals ook in de vorige uitspraken is overwogen, ontbreekt zicht op uitzetting naar Nigeria binnen een redelijke termijn in zijn algemeenheid niet. Niet is gebleken dat de Nigeriaanse autoriteiten geen laissez-passer zullen verstrekken. De minister heeft in zijn reactie op de beroepsgronden toegelicht dat de afdeling DIA heeft aangegeven dat de Nigeriaanse autoriteiten de nationaliteit van eiser hebben bevestigd en dat de ambassade nog wacht op de foto die behoort bij het paspoortnummer dat uit het identiteitsonderzoek naar voren is gekomen. De verwachting is dat daarna, zonder dat een presentatie nodig is, een laissez-passer door de Nigeriaanse autoriteiten zal worden afgegeven.
5.3.
De rechtbank ziet verder ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 8 mei 2026 op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.

Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, ECLI:NL:RBDHA:2026:11983.

Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, ECLI:NL:RBDHA:2026:3840.

Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2707) en 27 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2418).

Directie Internationale Aangelegenheden.

Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).

Artikel delen