Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:18270

Bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

Rechtbank Den Haag 3 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:18270 text/xml public 2026-07-03T23:21:24 2026-07-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-03 NL26.34986 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18270 text/html public 2026-07-03T23:19:19 2026-07-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:18270 Rechtbank Den Haag , 03-07-2026 / NL26.34986
Bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.34986
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres
V-nummer: [v-nummer:],

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - De Groot).
Inleiding
1. De minister heeft op 27 mei 2026 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
1.1.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld op 24 juni 2026. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft schriftelijk verklaard afstand te doen van het recht om op zitting te verschijnen en was om die reden niet aanwezig. Uit het dossier blijkt verder dat eiseres geen advocaat wenst om haar bij te staan. De gemachtigde van de minister heeft wel aan de zitting deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:

(zware gronden) 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van haar identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer;

(lichte gronden) 4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
2.1.
De minister heeft op de zitting de zware grond 3d laten vallen.
2.2.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.
2.3.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.

Voortraject

3. De rechtbank stelt vast dat eiseres de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.

Grondslag

4. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft. Eiseres heeft op

11 januari 2024 een terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd gekregen. Eiseres valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.

Gronden

5. De rechtbank stelt vast dat deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 2 april 2026 de zware gronden en de lichte gronden 3a, 3b, 3c, 3i, 4c en 4d reeds rechtmatig heeft bevonden. Nu niet is gebleken dat hoger beroep tegen deze uitspraak is ingesteld, staat de rechtmatigheid van deze gronden in rechte vast. De rechtbank is mede gelet daarop van oordeel dat deze zware en lichte gronden in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel, nog steeds voldoende zijn om ook de onderhavige maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat en dat eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van de gronden 4a, 4b en 4f daarom onbesproken.

Lichter middel

6. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiseres een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de maatregel kunnen dragen en daarmee het risico op onttrekking is gegeven.
6.1.
Verder is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiseres die de bewaring voor haar onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiseres een lichter middel dan bewaring op te leggen. Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiseres heeft de minister in de maatregel erop gewezen dat binnen de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg beschikbaar is en dat eiseres, indien deze zorg niet voldoende kan worden geboden, kan worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De rechtbank is verder gebleken dat eiseres ten tijde van de zitting nog verbleef in het psychiatrisch centrum Veldzicht, waar zij dwangmedicatie ontvangt. De rechtbank is van oordeel dat de medische zorg voor eiseres hiermee voldoende is geborgd.

Voortvarendheid

7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiseres. De minister heeft op de derde dag van de inbewaringstelling, te weten op 29 mei 2026, een vertrekgesprek met eiseres willen voeren. Dit gesprek heeft geen doorgang kunnen vinden omdat een psycholoog negatief advies had gegeven om dit gesprek met eiseres te voeren. Vervolgens heeft de minister op 3 juni 2026 een vertrekgesprek met eiseres gevoerd. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat op 1 juli 2026 opnieuw een vertrekgesprek met eiseres zal worden gevoerd en dat op 8 juli 2026 een presentatie bij de Algerijnse autoriteiten staat gepland. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.

Zicht op uitzetting

8. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije bestaat. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiseres anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiseres te zullen verstrekken.
Conclusie en gevolgen
9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Vreemdelingenwet 2000.

Vreemdelingebesluit 2000.

Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 2 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7602.

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

ECLI:NL:RVS:2024:1892 en ECLI:NL:RVS:2024:2842.

Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).

Artikel delen