Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:18571

asiel Marokko, eiser heeft zijn identiteit niet met identificerende documenten onderbouwd, beroep ongegrond

Rechtbank Den Haag 8 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:18571 text/xml public 2026-07-08T08:50:48 2026-07-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-10 NL25.46913 en NL25.46914 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18571 text/html public 2026-07-06T16:41:02 2026-07-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:18571 Rechtbank Den Haag , 10-03-2026 / NL25.46913 en NL25.46914
asiel Marokko, eiser heeft zijn identiteit niet met identificerende documenten onderbouwd, beroep ongegrond
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL25.46913 (beroep)

NL25.46914 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [v-nummer]

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser]¸
geboren op [geboortedag] 1977, van Marokkaanse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. H.L.M. Janssen),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. L. Ludwig).
Procesverloop
Bij besluit van 19 september 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft de minister een terugkeerbesluit uitgevaardigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Partijen zijn verschenen en vertegenwoordigd door voornoemd gemachtigden.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Overwegingen
Asielrelaas

1. Eiser verblijft sinds 1999 illegaal in Nederland. Hij heeft op 13 augustus 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en daar het volgende relaas aan ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat hij problemen heeft gekregen met zijn oom na het overlijden van zijn vader in 2012, toen eiser erachter kwam dat zijn oom alle bezittingen van eisers vader op zijn naam heeft gezet en er voor eiser geen erfenis meer was. Eisers oom heeft gedreigd dat wanneer eiser terugkeert naar Marokko hij wordt vastgezet.

Besluitvorming

2. Volgens de minister bestaat het relaas uit de volgende asielmotieven:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. eisers problemen met zijn oom.
2.1.
De minister acht eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Eiser heeft verklaard dat zijn paspoort in 1999 is kwijtgeraakt omdat zijn broer het heeft weggegooid, maar heeft nagelaten aangifte te doen of een nieuw paspoort aan te vragen. Ook heeft eiser bij zijn ex-vrouw in Nederland een identiteitskaart en geboorteakte liggen, maar heeft geen geldige verklaring gegeven waarom hij geen moeite heeft gedaan om deze documenten op te halen. De minister werpt hierbij aan eiser tegen dat eiser pas dertien jaar na de problemen met zijn oom asiel heeft aangevraagd. De minister acht eisers problemen met zijn oom niet geloofwaardig. Eiser heeft na het overlijden van zijn vader drie keer contact gehad met zijn oom, maar uit dit contact is niet gebleken dat eisers oom hem op dit moment nog zoekt. Dat eisers oom hem zou laten arresteren is enkel gebaseerd op verklaringen van derden. Ook ziet de minister niet in waarom, nu de oom de volledige erfenis heeft gekregen. De oom van eiser had gelet op zijn connecties er voor kunnen zorgen dat eiser officieel gesignaleerd zou zijn bij de Marokkaanse autoriteiten, maar is dit niet het geval. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt hoe zijn oom op de hoogte zal raken van eisers terugkeer.
2.2.
De minister wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.

Standpunt eiser

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Eiser loopt bij terugkeer een risico op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM/ artikel 4 van het Handvest. Hij kan in Marokko geen bescherming krijgen tegen zijn oom. Marokko is een land van klassenjustitie, dat geen bescherming biedt aan eiser als arme man zonder connecties. Voort stelt eiser dat zijn identiteit ten onrechte niet geloofwaardig is geacht. Van het verlies van zijn paspoort in 1999 heeft hij geen aangifte gedaan omdat hij zich illegaal in Nederland bevond en bevreesd was voor uitzetting. Ook durft hij de andere identificerende documenten niet bij zijn ex-vrouw op te halen, nu zij hem heeft gedreigd meteen te zullen aangeven indien hij weer bij haar aanklopt. Het besluit is daarmee in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
3.1.
In strijd met het bepaalde in artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 heeft de minister in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom artikel 8 van het EVRM niet noopt tot het verlenen van een reguliere vergunning. Eiser bevindt zich ruim 25 jaar in Nederland. Hij heeft in dit land altijd gewerkt, zonder ooit een beroep te doen op de sociale voorzieningen. Hij heeft geen banden met Marokko, uitzetting zou voor hem een leven in armoede betekenen.

Oordeel van de rechtbank

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eiser kunnen tegenwerpen dat hij zijn identiteit niet met identificerende documenten heeft onderbouwd. De rechtbank overweegt dat deze beroepsgrond een herhaling is van wat eiser al in de zienswijze heeft aangevoerd en waar de minister in zijn besluitvorming reeds gemotiveerd op is ingegaan. De minister heeft terecht tegengeworpen dat eiser hiermee geen verschonende verklaring heeft gegeven voor waarom hij geen identificerende documenten heeft overgelegd. De verklaring van eiser dat hij in 1999 vanwege zijn illegaliteit vreesde voor uitzetting en daarom geen nieuw paspoort heeft aangevraagd, is daartoe onvoldoende. Eiser was namelijk ook in het bezit van andere identificerende documenten, maar de rechtbank ziet met de minister niet in waarom en met welke reden zijn ex-vrouw, eiser zou willen aangeven. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Voorts overweegt de rechtbank dat eiser zijn beroepsgrond, dat hij bij terugkeer naar Marokko een risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, ook niet slaagt. De problemen met eiser zijn oom zijn namelijk niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft daar geen beroepsgronden tegen aangevoerd.

6. De rechtbank overweegt voorts dat de minister in dit geval niet gehouden was om ambtshalve te beoordelen of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. In de artikelen 3.6a, eerste lid, 3.6b en 3.6ba, eerste lid, van het Vb 2000 staan de gevallen waarin de minister bij een afgewezen asielaanvraag ambtshalve beoordeelt of eiser een verblijfsrecht ontleent aan reguliere verblijfsgronden. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM niet ambtshalve kan worden verleend als de asielaanvraag niet binnen zes maanden na inreis in Nederland is ingediend. Dit staat in artikel 3.6a, derde lid, van het Vb 2000. Hier dient eiser een aparte aanvraag voor in te dienen. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.

8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

9. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026 door mr. M.F.A.M. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Op grond van artikel 30b, eerste lid en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000.

Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.

Vreemdelingenbesluit 2000.

Artikel delen