Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:18573

Dublin Duitsland, Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder zich in een situatie als deze niet zonder nader onderzoek – bijvoorbeeld door ter zake nadere vragen te stellen aan eiser en de moeder - en motivering op het standpunt stellen dat van een biologische band tussen eiser en het ongeboren kind niet is gebleken, belang van het kind om door beide ouders te worden opgevoed, beroep gegrond

Rechtbank Den Haag 8 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:18573 text/xml public 2026-07-08T08:58:17 2026-07-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-27 NL26.10590 en NL26.10591 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18573 text/html public 2026-07-06T16:50:16 2026-07-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:18573 Rechtbank Den Haag , 27-03-2026 / NL26.10590 en NL26.10591
Dublin Duitsland, Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder zich in een situatie als deze niet zonder nader onderzoek – bijvoorbeeld door ter zake nadere vragen te stellen aan eiser en de moeder - en motivering op het standpunt stellen dat van een biologische band tussen eiser en het ongeboren kind niet is gebleken, belang van het kind om door beide ouders te worden opgevoed, beroep gegrond
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht

Zaaknummers: NL26.10590 (beroep)

NL26.10591 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], eiser en verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. A.W. IJland),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).
Procesverloop
Bij besluit van 24 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 22 oktober 2025 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1985 en heeft de Ethiopische nationaliteit. Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser op 15 juni 2016 vingerafdrukken heeft afgestaan in Duitsland en daar op dezelfde datum een asielaanvraag heeft ingediend. Eiser is op 22 oktober 2025 Nederland ingereisd en heeft hier op dezelfde dag een asielaanvraag ingediend.

2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (hierna: Dvo). Op grond van de Dvo neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat op grond van de Dvo Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling hiervan. Op 19 november 2025 heeft verweerder een verzoek om terugname verstuurd aan Duitsland. Dat verzoek hebben de Duitse autoriteiten op 21 november 2025 geaccepteerd. Daarmee is de verantwoordelijkheid van Duitsland vast komen te staan.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser voert als eerste beroepsgrond aan dat verweerder zich ten onrechte niet verantwoordelijk heeft geacht voor de behandeling van eisers asielaanvraag op grond van artikel 10 van de Dvo. Eiser is samen met zijn partner [naam 1] Nederland ingereisd en beiden hebben een asielaanvraag ingediend. De asielaanvraag van mevrouw [naam 1] wordt wel in Nederland behandeld. Ook in het kader van een terugnameprocedure komt eiser een beroep toe op artikel 10 van de Dvo. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 11 oktober 2023. Verder komt eiser een beroep op artikel 10 van de Dvo toe omdat de procedure tot vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat gebrekkig is verlopen. Verweerder heeft daarbij in strijd gehandeld met artikel 3.108c, tweede lid en onder b van het Vreemdelingenbesluit, aldus eiser.
3.1
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen beroep op Hoofdstuk III van de Dvo toekomt omdat het hier om een terugnameverzoek gaat. Verweerder verwijst daarbij naar jurisprudentie van de Afdeling. Daarnaast vormden eiser en mevrouw [naam 1] geen gezin in het land van herkomst als bedoeld in artikel 2 sub g Dvo, aldus verweerder.
3.2
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser en zijn gestelde partner geen gezin vormden in hun land van herkomst, Ethiopië, zoals bedoeld in artikel 2 sub g van de Dvo. Zij hebben elkaar immers pas in Frankrijk ontmoet. Reeds daarom komt eiser geen beroep toe op artikel 10 van de Dvo. De beroepsgrond behoeft geen verdere bespreking.

4. Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij eisers asielverzoek niet aan zich had hoeven trekken als bedoeld in artikel 17 van de Dvo. Eiser is op 7 januari 2025 in Frankrijk via een religieus huwelijk met mevrouw [naam 1] getrouwd. Zij zijn samen op 21 oktober 2025 Nederland ingereisd om hier asiel aan te vragen. [naam 1] is in verwachting van hun kind en zij is uitgerekend op

15 mei 2026. Haar asielverzoek wordt wel in Nederland behandeld. Het belang van het kind vereist dat het kind in het bijzijn van zijn moeder én vader kan opgroeien. Bovendien hebben eiser en mevrouw [naam 1] een relatie. Indien eiser naar Duitsland zou moeten voor zijn asielaanvraag zou dit dan ook van een bijzondere hardheid getuigen, aldus eiser.
4.1
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de overgelegde zwangerschapsverklaring van mevrouw [naam 1] niet blijkt dat eiser de (biologische dan wel juridische) vader van het ongeboren kind is. En voor zover wel van het vaderschap zou moeten worden uitgegaan dan is van belang dat niet is gebleken van een duurzame relatie tussen eiser en de moeder. Het is daarom meer in het belang van het kind om bij de moeder te blijven dan bij eiser. Verder zijn er geen aanwijzingen dat het voor het welzijn en de sociale ontwikkeling van het (ongeboren) kind noodzakelijk is dat eiser zijn asielprocedure in Nederland dient te doorlopen, aldus verweerder.
4.2
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom niet is gebleken dat eiser de vader van het ongeboren kind is. Verweerder kan weliswaar worden toegegeven dat uit de door eiser overgelegde zwangerschapsverklaring van 12 december 2025 niet blijkt dat eiser de vader is. Daar staat echter tegenover dat eiser en mevrouw [naam 1] beiden bij aanvang van hun asielaanvraag, als ook daarna, consistent hebben verklaard dat eiser de biologische vader is van het ongeboren kind. Verder heeft eiser in beroep een Pregnancy Verification Document van [bedrijf] overgelegd. In dit op 17 maart 2026 gedateerde document staat dat mevrouw [naam 1] zwanger is en dat zij is uitgerekend op 15 mei 2026. Verder staat op dit document als naam van de moeder vermeld ‘[naam 2]’, als naam van de partner ‘[eiser]’, als mailadres van betrokkenen ‘[mailadres]’, als telefoonnummer bij beiden ‘[telefoonnummer]’ en bij ‘memo partner’ dat ‘Partner woont al langer in Europa. Woonde 10 jaar in Frankrijk’.
4.3
Hoewel verweerderkan worden toegegeven dat hiermee nog steeds niet vaststaat dat eiser de biologische vader is, ligt er naar het oordeel van de rechtbank inmiddels wel veel dat daar op wijst. Eiser en mevrouw [naam 1] hebben zich immers vanaf het allereerste moment naar verweerder toe als (partners en) ouders van het ongeboren kind gepresenteerd. Eiser en mevrouw [naam 1] hebben zich ook naar de [bedrijf] als (partners en) ouders van het ongeboren kind gepresenteerd, en hebben op die wijze ook contact met deze praktijk getuige onder andere het genoteerde mobiele telefoonnummer en mailadres.
4.4
De enige manier om vast te kunnen stellen dat eiser de biologische vader is van het ongeboren kind is via een DNA-test. Deze kan echter pas worden afgenomen nadat het kind is geboren. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder zich in een situatie als deze niet zonder nader onderzoek – bijvoorbeeld door ter zake nadere vragen te stellen aan eiser en de moeder - en motivering op het standpunt stellen dat van een biologische band tussen eiser en het ongeboren kind niet is gebleken. Dat eiser, zoals verweerder ter zitting heeft opgemerkt, het ongeboren kind nog niet formeel heeft erkend maakt dit niet anders. Het beroep is dan ook gegrond.

5. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat ook al zou eiser de vader zijn, het niet vanzelfsprekend in het belang van het ongeboren kind is dat deze door zowel de moeder als vader wordt opgevoed, nu van een duurzame relatie tussen beiden niet is gebleken.
5.1
De rechtbank kan deze redenering niet goed volgen. Het is namelijk in beginsel altijd in het belang van het kind om door beide ouders te worden opgevoed. Het maakt daarbij niet uit of de ouders wel – zoals eiser stelt - of geen – zoals verweerder stelt - duurzame relatie hebben. In familie- en jeugdzaken wordt al sinds jaar en dag als uitgangspunt gehanteerd dat het belang van het kind het meest is gediend bij positieve aandacht en zorg van beide ouders. Of dit nu in een en dezelfde ouderlijke woning is, of via co-ouderschap dan wel een andere vorm van zorgregeling. Verweerder kan dan ook zonder nadere onderbouwing niet worden gevolgd in het standpunt dat dit bij het ongeboren kind in eisers situatie anders is omdat eiser geen duurzame relatie zou hebben met de moeder. Ook deze beroepsgrond slaagt.

6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder aldus onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom een overdracht van eisers asielaanvraag aan Duitsland, gelet op de belangen van het ongeboren kind, niet van onevenredige hardheid getuigt.

7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Nu de rechtbank op het beroep beslist zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen. Verweerder wordt voorts veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.10590,

- verklaart het beroep gegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.10591,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S. Özçelik, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Verordening (EU) nr. 604/2013.

Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

ECLI:NL:RBDHA:2023:18799.

Artikel 10 Dvo valt onder Hoofdstuk III.

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie o.a. ECLI:NL:RVS:2019:3672 en ECLI:RVS:NL:2026:984.

Artikel delen