Dublin Polen. Termijn UOD verlengd tot 18 maanden vanwege onderduiken Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen
Rechtbank Den Haag 15 July 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:18869
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-07-2026
Datum publicatie
15-07-2026
Zaaknummer
NL26.29627
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:18869text/xmlpublic2026-07-15T18:00:272026-07-09Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-07-08NL26.29627UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLZwolleBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18869text/htmlpublic2026-07-09T11:09:522026-07-15Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:18869 Rechtbank Den Haag , 08-07-2026 / NL26.29627 Dublin Polen. Termijn UOD verlengd tot 18 maanden vanwege onderduiken Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.29627
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster], V-nummer: [V-nummer], verzoekster gemachtigde: mr. E. Derksen, en de minister van Asiel en Migratie, gemachtigde: mr. K. Jansen. 1.1. Procesverloop
Bij besluit van 27 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de termijn voor de overdracht van verzoekster aan Polen op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening verlengd tot 18 maanden vanwege onderduiken. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om per omgaande uitspraak te doen op het verzoek nu de vlucht voor overdracht aan Polen is gepland op 9 juli 2026.
De minister heeft op 6 juli 2026 een verweerschrift ingediend. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting in het kader van de hier te beoordelen voorlopige voorziening verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. 2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.29626, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af. 3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Bruins, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.