ECLI:NL:RBDHA:2026:19042
Bewaring – verzoek om een voorlopige voorziening – toepassing artikel 59a, tweede lid, van de Vw – treinticket voor zelfstandig vertrek. Verzoek afgewezen – geen spoedeisend belang – geen sprake van een feitelijk uitvoerbaar vertrektraject.
Rechtbank Den Haag 10 July 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:19042
text/xml
public
2026-07-10T08:38:49
2026-07-10
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-05-28
NL26.29679
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Utrecht
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19042
text/html
public
2026-07-10T08:37:19
2026-07-10
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:19042 Rechtbank Den Haag , 28-05-2026 / NL26.29679
Bewaring – verzoek om een voorlopige voorziening – toepassing artikel 59a, tweede lid, van de Vw – treinticket voor zelfstandig vertrek. Verzoek afgewezen – geen spoedeisend belang – geen sprake van een feitelijk uitvoerbaar vertrektraject.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29679
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 22 mei 2026 heeft de minister aan verzoeker de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verzoeker heeft hiertegen op 22 mei 2026 beroep ingesteld (NL26.28916). Ook heeft hij de voorzieningenrechter op 28 mei 2026 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is connex aan het beroep tegen de maatregel van bewaring. Dit beroep wordt op maandag 1 juni 2026 op zitting behandeld. Dit betekent dat sprake is van onverwijlde spoed als sprake is van een omstandigheid die maakt dat de behandeling van het beroep tegen de maatregel van bewaring op de zitting van 1 juni 2026 niet kan worden afgewacht.
3. Verzoeker stelt dat sprake is van een spoedeisend belang, omdat hij een treinticket heeft gekocht om op vrijdag 29 mei 2026 om 9.11 uur te vertrekken naar Zweden. Verzoeker moet daarom in vrijheid worden gesteld op grond van artikel 59a, tweede lid, van de Vw en de minister dient een EU-reisdocument op te maken zodat verzoeker vrijwillig en zelfstandig kan vertrekken naar Zweden.
4. De voorzieningenrechter merkt op dat uit het dossier blijkt dat verzoeker al eens eerder een treinticket naar Zweden heeft gekocht. Dit treinticket kocht verzoeker op 24 mei 2026 voor een reis op 25 mei 2026. Verzoeker heeft toen ook bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) verzocht om toepassing van artikel 59a, tweede lid, van de Vw, zodat hij zelfstandig kon vertrekken naar Zweden. DTenV heeft dit verzoek afgewezen omdat toestemming ontbrak voor de doorreis via Duitsland en Denemarken en omdat het vertrekvoorstel niet voldeed aan de voorwaarden zoals vastgesteld in het claimakkoord van 20 februari 2026. Er was weliswaar een (geconcretiseerde) vertrekwens, maar er was geen sprake van een feitelijk uitvoerbaar vertrektraject dat voldeed aan de geldende voorwaarden en afspraken.
5. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding om, door middel van het treffen van een voorlopige voorziening, vooruit te lopen op de inhoudelijke beoordeling van de bewaringsmaatregel door de rechtbank. De omstandigheid dat verzoeker een treinticket voor 29 mei 2026 heeft gekocht voor zelfstandig vertrek naar Zweden, maakt niet dat sprake is van een spoedeisend belang. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is namelijk niet gebleken dat sprake is van een feitelijk uitvoerbaar vertrektraject, dat voldoet aan de geldende voorwaarden en afspraken. Een treinticket kan ook op ieder moment worden gekocht en het feit dat verzoeker daarover beschikt maakt niet dat de behandeling van het beroep tegen de maatregel niet kan worden afgewacht. Gelet op het voorgaande kan met het onderhavige verzoek niet worden bewerkstelligd dat de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel geeft omtrent de rechtmatigheid van de opgelegde maatregel van bewaring.
Conclusie en gevolgen
6. Gelet op het voorgaande is het verzoek kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
28 mei 2026
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.