Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:19044

Verzoeker heeft de minister verzocht om een visum kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag afgewezen. Verzoeker heeft daarom om en voorlopige voorziening verzicht. De voorzieningenrechter wijst het verzoek van verzoeker om met ingang van deze uitspraak te worden behandeld als ware hij in het bezit van een visum kort verblijf toe met een maximum van 90 dagen.

Rechtbank Den Haag 10 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:19044 text/xml public 2026-07-10T08:54:19 2026-07-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-01-23 NL26.744 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19044 text/html public 2026-07-10T08:52:20 2026-07-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:19044 Rechtbank Den Haag , 23-01-2026 / NL26.744
Verzoeker heeft de minister verzocht om een visum kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag afgewezen. Verzoeker heeft daarom om en voorlopige voorziening verzicht. De voorzieningenrechter wijst het verzoek van verzoeker om met ingang van deze uitspraak te worden behandeld als ware hij in het bezit van een visum kort verblijf toe met een maximum van 90 dagen.

uitspraak


RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht zaaknummer: NL26.744

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. Y. Mateo Diaz),

en
de minister van Buitenlandse Zaken,
Procesverloop
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf om zijn zwangere vrouw te bezoeken en aanwezig te zijn bij de geboorte van hun eerste kind. De vrouw van verzoeker is uitgerekend op [datum] 2026. De minister heeft de aanvraag van verzoeker met het bestreden besluit van 21 november 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen inhoudende te bepalen dat een visum kort verblijf wordt afgegeven vóór 22 januari 2026, dan wel dat verzoeker wordt aangemerkt als ware hij in het bezit is van het verzochte visum tot na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar en indien het voorgaande niet mogelijk is, de minister te gelasten het bezwaar tegen de afwijzing van het visum kort verblijf met spoed te behandelen en de minister op te dragen binnen een redelijk termijn, maar in ieder geval vóór 15 januari 2026 te beslissen op het bezwaar.

De rechtbank heeft op 12 januari 2026 partijen gevraagd om nadere inlichtingen. De rechtbank heeft partijen hier op dezelfde dag telefonisch op gewezen. De gemachtigde van verzoeker heeft naar aanleiding daarvan op 13 januari 2026 gereageerd en aanvullende stukken ingediend. De minister had tot uiterlijk 15 januari 2026 om te reageren op de gronden van het verzoek en de vragen van de rechtbank. De minister heeft geen reactie ingediend. De rechtbank heeft op 16, 20 en 22 januari 2026 telefonisch contact gehad met de minister om te vragen om een reactie. De minister heeft alsnog geen reactie ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 22 januari 2026.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.1

4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van zo’n situatie. Uit wat verzoeker naar voren heeft gebracht blijkt dat hij op korte termijn Nederland wenst in te

1. Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

reizen om bij de geboorte van zijn kind aanwezig te zijn. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek.

5. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen. Verzoeker heeft voldoende aangetoond dat hij aan de voorwaarden voor deze vrijstelling doet. De voorzieningenrechter verleent verzoeker daarom vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen.

6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de verzochte voorlopige voorziening feitelijk een voorlopig karakter mist, omdat toewijzing tot gevolg heeft dat verzoeker Nederland mogen inreizen. Bij een visumprocedure is het aan de minister om te beoordelen of aan de voorwaarden van de Visumcode is voldaan. Daarbij heeft de minister een ruime beoordelingsmarge. Toewijzing van de gevraagde voorziening betekent dat de minister voor een voldongen feit wordt gesteld en is dan ook alleen aan de orde in gevallen waarin de nadelige gevolgen van de afwijzing van het verzoek in verhouding tot het belang van de minister bij de handhaving van die afwijzing zó onevenredig zijn, dat het besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht. Zo’n vergaande beslissing is alleen gerechtvaardigd indien een zwaarwegend spoedeisend belang daarom vraagt, waarbij sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard of er sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het primaire besluit.

7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de nadelige gevolgen van de afwijzing van het verzoek in verhouding tot het belang van de minister bij de handhaving van die afwijzing zó onevenredig zijn, dat het besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht. In dit geval vraagt een zwaarwegend spoedeisend belang daarom en is sprake van klemmende redenen van humanitaire aard. Het gaat immers om het bijwonen van de geboorte van het eerste kind van verzoeker en zijn echtgenote. Een moment dat nooit meer ingehaald kan worden.

8. De minister heeft de aanvraag voor een visum kort verblijf afgewezen, omdat verzoeker het doel en de omstandigheden van zijn beoogde verblijf onvoldoende zou hebben aangetoond. Ook is er volgens de minister sprake van een redelijke twijfel over het voornemen van verzoeker om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van het visum te verlaten. Dit omdat verzoeker zijn sociale en economische binding met Marokko onvoldoende heeft aangetoond volgens de minister.

9. Verzoeker heeft gewezen op het zwaarwegend spoedeisend belang en heeft onderbouwd dat hij sociale en economische binding heeft met Marokko. Daarnaast heeft hij gesteld dat het doel en de omstandigheden van zijn beoogde verblijf voldoende is aangetoond. De minister heeft meermaals de gelegenheid gehad om op deze stellingen te reageren. Niet alleen heeft de minister de termijn die de rechtbank daarvoor heeft gesteld onbenut gelaten, maar de minister heeft ook na veelvuldig telefonisch contact niet gereageerd. Gezien het spoedeisende karakter heeft de voorzieningenrechter het onderzoek op 22 januari 2026 gesloten. Dat betekent dat de minister, door het uitblijven van enige reactie, niet heeft betwist dat sprake is van een zwaarwegend spoedeisend belang, dat de minister niet heeft betwist dat er voldoende sociale en economische binding is en evenmin heeft de minister betwist dat het doel en de omstandigheden van het verblijf zijn aangetoond. Gelet hierop en op de gestelde gevolgen van het bestreden besluit voor verzoeker, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek toe te wijzen.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoeker met ingang van de dagtekening van deze uitspraak wordt behandeld als ware hij in het bezit van een visum kort verblijf tot na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar met een maximum van 90 dagen.

11. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,- met een wegingsfactor 1. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe en draagt de minister op aan verzoeker een visum voor kort verblijf met een maximum van 90 dagen te (doen) verstrekken.

veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.
Deze uitspraak is op 23 januari 2026 telefonisch uitgesproken in het openbaar.
Documentcode: [Documentcode]
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel delen