Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:19507

Ontbinding huurovereenkomst woonruimte. Vernietiging beding in algemene voorwaarden. Vordering tot ontbinding en ontruiming huurwoning toewewezen.

Rechtbank Den Haag 30 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:19507 text/xml public 2026-07-30T09:03:20 2026-07-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:7838 Rechtbank Den Haag 2026-04-02 K/4502/11974137 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19507 text/html public 2026-07-30T08:50:23 2026-07-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:19507 Rechtbank Den Haag , 02-04-2026 / K/4502/11974137
Ontbinding huurovereenkomst woonruimte. Vernietiging beding in algemene voorwaarden. Vordering tot ontbinding en ontruiming huurwoning toewewezen.

RECHTBANK DEN HAAG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Den Haag

MvE (B/C)

Zaaknummer: 11974137 RL EXPL 25-21763

Vonnis van 2 april 2026

in de zaak van

STICHTING WOONINVEST,

te Voorburg,

eisende partij,

hierna te noemen: Wooninvest,

gemachtigde: [bedrijfsnaam] Gerechtsdeurwaarders Bergen op Zoom,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. T. Venneman.
1De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 november 2025 met producties;- een e-mail van [naam 1] , werkzaam bij de gemeente Leidschendam-Voorburg, namens [gedaagde] van 2 december 2025;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

- de mondelinge behandeling van 3 maart 2026.
1.2.
Op de mondelinge behandeling was namens Wooninvest aanwezig de heer [naam 2] , werkzaam bij [bedrijfsnaam] . Namens [gedaagde] was mr. Venneman aanwezig. [gedaagde] was niet aanwezig, maar heeft wel via beeldbellen aan de mondelinge behandeling deelgenomen.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten 2.1.
Wooninvest verhuurt aan [gedaagde] met ingang van 15 januari 2018 de woning aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 661,57 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op de huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden van Wooninvest (versie november 2008) van toepassing.
2.2.
[gedaagde] is vanaf maart 2025 in verzuim geraakt met de (tijdige) nakoming van zijn maandelijkse betalingsverplichtingen. Vanaf dat moment heeft hij geen huur meer betaald. Per 31 oktober 2025 bedroeg de huurachterstand € 4.735,01. Op de datum van de mondelinge behandeling bedroeg de huurachterstand € 7.381,29.
2.3.
Wooninvest heeft [gedaagde] gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. Wooninvest heeft [gedaagde] op 16 juli 2025 bij de gemeente Leidschendam-Voorburg aangemeld in het kader van vroegsignalering. De gemeente heeft op 25 augustus 2025 aan Wooninvest teruggekoppeld: ‘inwoner is nog niet bereikt of wil geen hulp’.
3Het geschil 3.1.
Wooninvest vordert, samengevat weergegeven, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

de huurovereenkomst ontbindt;

[gedaagde] veroordeelt om het gehuurde te ontruimen;

[gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 4.932,81 (€ 4.735,01 huur, € 120,08 buitengerechtelijke incassokosten en € 77,72 rente tot 31 oktober 2025), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.735,01 vanaf 31 oktober 2025;

[gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 661,57 (gelijk aan de contractuele huurprijs) voor iedere maand dat [gedaagde] vanaf 1 november 2025 het gehuurde in gebruik houdt,

een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Wooninvest legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De omvang van de huurachterstand rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. Verder moet [gedaagde] de openstaande huurschuld alsnog voldoen, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Stichting Wooninvest.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Ontbinding en ontruiming
4.1.
De tekortkomingen van [gedaagde] in de nakoming van de huurbetalingsverplichting geven in beginsel een grond om de huurovereenkomst overeenkomstig artikel 6:265 lid 1 BW te ontbinden. Dit artikel laat echter de ruimte open dat de omstandigheden van het geval en een weging van de wederzijdse belangen kunnen meebrengen dat de onmiddellijke ontbinding (en ontruiming) toch niet gerechtvaardigd is. Daarbij is bijvoorbeeld van belang of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) wordt ingelopen.
4.2.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij tegen zijn wil, door mensen die gebruik hebben gemaakt van zijn identiteit, betrokken is geraakt bij een strafrechtelijk onderzoek in Brazilië. Hij verblijft daar nu al langere tijd en kan in verband met dat onderzoek het land niet verlaten. Sinds maart 2025 gaat zijn inkomen op aan zijn primaire levensbehoeften en daardoor kan hij de huur niet meer betalen. [gedaagde] heeft naar eigen zeggen geen andere bronnen om de huurachterstand en/of de lopende huur te voldoen. [gedaagde] verwacht dat hij door de Braziliaanse rechter wordt vrijgesproken en dat hij dan kan terugkeren naar Nederland. Wanneer dat is, weet hij niet, maar [gedaagde] wil hoe dan ook zijn huurwoning niet kwijtraken.
4.3.
De door [gedaagde] geschetste omstandigheden zijn voor hem persoonlijk erg beroerd, maar kunnen binnen het hiervoor genoemde toetsingskader de ontbinding van de huurovereenkomst niet voorkomen. Het belang daarbij van Wooninvest prevaleert. Er wordt al meer dan een jaar geen huur betaald en er is geen perspectief op spoedige aflossing van de schuld en hervatting van de lopende betalingsverplichting. Intussen staat het gehuurde ook al langere tijd leeg. Wooninvest heeft een gerechtvaardigd belang dat de schuld niet verder oploopt en dat zij de woning ter beschikking kan stellen aan woningzoekenden. Daarom worden de vorderingen tot ontbinding en ontruiming toegewezen.

De huurachterstand per 31 oktober 2025 en rente
4.4.
De achterstallige huur bedroeg per 31 oktober 2025 onbetwist € 4.735,01. De kantonrechter zal [gedaagde] veroordelen tot betaling daarvan. Omdat [gedaagde] te laat is geweest met het betalen van de verschillende huurtermijnen is hij over dit bedrag wettelijke rente verschuldigd. Ook dat wordt in de veroordeling meegenomen.

Betalingsverplichting voor de periode vanaf 1 november 2025
4.5.
De vordering tot betaling van € 661,57 (gelijk aan de contractuele huurprijs) voor iedere maand dat [gedaagde] het gehuurde na 1 november 2025 in gebruik houdt, althans het gehuurde dus nog niet aan Wooninvest ter beschikking komt, wordt eveneens (als onbetwist) toegewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten
4.6.
Het door Wooninvest gevorderde totaalbedrag omvat een bedrag van € 120,08 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Dat deel van de vordering zal de kantonrechter afwijzen. Dat wordt hierna toegelicht.
4.7.
De algemene voorwaarden bevatten in artikel 15 bepalingen die betrekking hebben op buitengerechtelijke incassokosten. Omdat de huurovereenkomst is gesloten met een consument moet de kantonrechter ambtshalve toetsen of deze bepalingen in overeenstemming zijn met het Europese en Nederlandse consumentenrecht, in het bijzonder Richtlijn 93/13/EEG (Richtlijn oneerlijke bedingen). Dat is niet het geval. In artikel 15 lid 1 en 2 van de algemene voorwaarden is het bedrag aan incassokosten niet gemaximeerd en bovendien volgt daaruit dat de incassokosten onmiddellijk, zonder voorafgaande aanmaning, verschuldigd worden. Daarmee wordt ten nadele van de consument-huurder afgeweken van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Dat verstoort het evenwicht tussen de verhuurder en de huurder. Dat betekent dat het beding oneerlijk is in de zin van de voormelde Richtlijn en daarom moet het worden vernietigd. Daarbij is op basis van vaste rechtspraak niet relevant of de verhuurder de huurder ook daadwerkelijk aan het beding houdt, of, zoals in dit geval, alleen naleving van wettelijke bepalingen verlangt. Als een beding wegens onredelijkheid eenmaal is vernietigd, kan de verhuurder niet meer terugvallen op een eventuele wettelijke regeling over hetzelfde onderwerp. Dit betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet kunnen worden toegewezen.

Proceskosten
4.8.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Wooninvest worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding



145,45

- griffierecht



514,00

- salaris gemachtigde



576,00

(2 punten × € 288,00)

- nakosten



144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



1.379,45
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
ontbindt de huurovereenkomst tussen Wooninvest en [gedaagde] met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres] ;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis

het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Wooninvest zijn, en de sleutels af te geven aan Wooninvest,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 4.812,73, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.735,01 vanaf 31 oktober 2025;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 661,57 per maand, althans het bedrag dat naar de wettelijk toegestane indexering als huurprijs zou gelden, vanaf 1 november 2025 tot de dag waarop het gehuurde ter beschikking komt van Wooninvest;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.379,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.6.
verklaart dit vonnis tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C. van Essen en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.

Artikel delen