Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:20005

Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning van 15 juni 2023 voor het oprichten van een inrichting bestemd voor de in- en verkoop en op- en overslag en bewerking van diverse afvalstoffen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Het college heeft toepassing kunnen geven aan de binnenpla...

Rechtbank Den Haag 4 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:20005 text/xml public 2026-08-04T08:29:34 2026-07-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-13 SGR 23/4953, SGR 23/5143, SGR 23/5422 en SGR 23/5423 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20005 text/html public 2026-08-04T08:29:29 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:20005 Rechtbank Den Haag , 13-07-2026 / SGR 23/4953, SGR 23/5143, SGR 23/5422 en SGR 23/5423
Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning van 15 juni 2023 voor het oprichten van een inrichting bestemd voor de in- en verkoop en op- en overslag en bewerking van diverse afvalstoffen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Het college heeft toepassing kunnen geven aan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid om de bedrijfsactiviteiten van vergunninghoudster toe te staan. Daarnaast heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de oprichting van de inrichting niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 23/4953, SGR 23/5143, SGR 23/5422 en SGR 23/5423
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaken tussen [eisers a] e.a., uit [plaats 1] en [plaats 2] , eisers a (SGR 23/5422)
[eiser b] , uit [plaats 1] , eiser b (SGR 23/5423)

samen: eisers 1

(gemachtigde: mr. A. Danopoulos),
[eiser c] , uit [plaats 1] , eiser c (SGR 23/4953)
[eisers d1] en [eisers d2], uit [plaats 1] , eisers d (SGR 23/5143)

samen: eisers 2

(gemachtigde: mr. [eiser c] )

eisers 1 en eisers 2 samen: eisers

en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
(gemachtigden: N. Damman en J.J.M. Vrancken).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] B.V. uit [plaats 1] (vergunninghoudster)

(gemachtigde: C. den Hertog).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning van 15 juni 2023 voor het oprichten van een inrichting bestemd voor de in- en verkoop en op- en overslag en bewerking van diverse afvalstoffen. Eisers zijn het niet eens met de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Het college heeft toepassing kunnen geven aan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid om de bedrijfsactiviteiten van vergunninghoudster toe te staan. Daarnaast heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de oprichting van de inrichting niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 15 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft het college aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) als deskundige benoemd om een onderzoek te verrichten. De STAB heeft haar advies op 8 augustus 2025 uitgebracht. Eisers, het college en vergunninghoudster hebben hierop gereageerd.
2.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] , [eisers a] , [naam 2] en [naam 3] namens eisers a, eiser b en de gemachtigde van eisers 1, vergezeld door [naam 4] van DGMR, eisers 2 met hun gemachtigde, de gemachtigden van het college met [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] , en [naam 9] namens vergunninghoudster met de gemachtigde en mr. M.A.D. Bol. Op dezelfde zitting heeft de rechtbank het beroep van vergunninghoudster (SGR 23/5509) tegen het bestreden besluit behandeld.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Vergunninghoudster exploiteert een inrichting voor de in- en verkoop en op- en overslag en bewerking van diverse soorten afvalstoffen op een locatie aan de [locatie 1] (de huidige locatie). Zij wil de inrichting verplaatsen en een nieuwe inrichting oprichten op bedrijventerrein [bedrijventerrein] aan de [locatie 2] (de nieuwe locatie). Op 14 oktober 2021 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het oprichten van een inrichting bestemd voor de in- en verkoop en op- en overslag en bewerking van diverse soorten afvalstoffen (schroot ofwel metaalhoudende afvalstoffen en overige afvalstoffen, waaronder puin, bouw- en sloopafval, overig bedrijfsafval en hout) op de nieuwe locatie.
3.1.
Met het bestreden besluit van 15 juni 2023 heeft het college de gevraagde vergunning verleend. Het betreft een omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen’, ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’ en ‘het oprichten en in werking hebben van een inrichting’. Tevens betreft het een omgevingsvergunning beperkte milieutoets.

Overgangsrecht

4. Het bestreden besluit is een besluit genomen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is de Wabo ingetrokken. Uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet volgt dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het voor 1 januari 2024 geldende recht.

Ontvankelijkheid beroepen

5. Voordat de beroepen inhoudelijk kunnen worden behandeld, ziet de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag gesteld of de beroepen ontvankelijk zijn.
5.1.
Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan tegen een besluit beroep worden ingesteld door een belanghebbende. Om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te kunnen worden aangemerkt moet een natuurlijk persoon een voldoende objectief bepaalbaar belang bij het besluit hebben. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit, mits die gevolgen van enige betekenis zijn. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, zijn de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, van belang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen wegen mee.
5.2.
In de uitspraak van 4 mei 2021 heeft de Afdeling – tegen de achtergrond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood – overwogen dat aan degene die bij een besluit geen belanghebbende is, maar die wel een zienswijze heeft ingediend over het ontwerpbesluit op basis van de in het nationale omgevingsrecht gegeven mogelijkheid daartoe, in beroep niet zal worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat de dichtstbijzijnde woning van eisers zich op ruim 200 meter van de grens van de inrichting bevindt. Voor zover voor een aantal eisers geldt dat zij vanwege de afstand tussen hun woning en de inrichting naar verwachting geen gevolgen van enige betekenis voor hun woon- en leefsituatie als gevolg van de activiteiten van de inrichting zullen ondervinden, kan hen gelet op voormelde jurisprudentie niet worden tegengeworpen dat zij geen belanghebbenden zijn, omdat zij een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht. De beroepen zijn daarom ontvankelijk.

Formele beroepsgronden

Aanvrager van de vergunning

6. Eisers 2 betogen dat de omgevingsvergunning deels aan de verkeerde vennootschap is verleend en, in het verlengde daarvan, het Bibob-onderzoek ook had moeten zien op [bedrijfsnaam] B.V. ( [bedrijfsnaam] ). In dat verband merken eisers 2 op dat de activiteiten van vergunninghoudster volgens de gegevens van de Kamer van Koophandel bestaan uit het beheer en verhuur van onroerend goed, en geen verwantschap hebben met de aangevraagde en vergunde activiteiten. De vergunde activiteiten zien meer op de activiteiten van [bedrijfsnaam] (een van de bestuurders van vergunninghoudster). Op deze manier kan vergunninghoudster zich onttrekken aan enige verwijtbaarheid, terwijl [bedrijfsnaam] niet gehouden kan worden aan het nakomen van de vergunningvoorschriften, aldus eisers 2.
6.1.
Het college stelt zich – onder verwijzing naar artikel 2.25, eerste lid, van de Wabo – op het standpunt dat de omgevingsvergunning geldt voor eenieder die het project uitvoert. Volgens het college valt niet in de zien dat de omgevingsvergunning aan de verkeerde rechtspersoon is verleend, dan wel dat [bedrijfsnaam] niet gehouden kan worden tot het nakomen van de vergunningvoorschriften. Indien en voor zover een Bibob-onderzoek plaatsvindt, strekt dat onderzoek zich ook uit tot de bestuurders van vergunninghoudster, aldus het college.
6.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Artikel 2.25, eerste lid, van de Wabo luidt als volgt: “Een omgevingsvergunning geldt voor eenieder die het project uitvoert waarop zij betrekking heeft. De vergunninghouder draagt ervoor zorg dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.” Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt uit de Memorie van Toelichting dat de tweede volzin van artikel 2.25, eerste lid, van de Wabo moet worden gelezen in samenhang met de eerste volzin van dat artikellid en dat het in de tweede volzin gebezigde begrip “vergunninghouder” in ruime zin moet worden opgevat. Onder dat begrip moet hier worden verstaan degene die het project uitvoert, dat wil zeggen degene die voor die uitvoering verantwoordelijk is en voor wie de omgevingsvergunning daarom geldt. Gelet daarop heeft het college zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de omgevingsvergunning ook geldt voor [bedrijfsnaam] , voor zover zij activiteiten uitvoert waar deze omgevingsvergunning op ziet. De vrees van eisers 2 dat de vergunningvoorschriften niet effectief kunnen worden gehandhaafd is daarom ongegrond.
6.3.
De rechtbank volgt eisers 2 evenmin in hun betoog dat op deze manier het Bibob-onderzoek wordt omzeild. Zoals het college en vergunninghoudster hebben toegelicht strekt het Bibob-onderzoek zich ook uit tot de bestuurders van vergunninghoudster, en dus ook tot [bedrijfsnaam]
6.4.
De beroepsgrond slaagt niet.

Besluit niet rechtsgeldig genomen?

7. Eisers 2 betogen dat het bestreden besluit niet rechtsgeldig is genomen. Volgens eisers 2 blijkt uit het besluit niet dat de teammanager van DCMR gemandateerd is, dan wel ondergemandateerd is, als bedoeld in artikel 10:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de teammanager van DCMR bevoegd is om de omgevingsvergunning te verlenen. Dat blijkt volgens het college onder meer uit het “Ondermandaatbesluit van de directeur DCMR Milieudienst Rijnmond voor provinciale bevoegdheden 2023”. Dit ondermandaatbesluit heeft het college geciteerd in het verweerschrift.
7.3.
De rechtbank overweegt het volgende. Nadat het college het ondermandaatbesluit heeft geciteerd in het verweerschrift, hebben eisers 2 niet onderbouwd waarom de omgevingsvergunning niet rechtsgeldig zou zijn verleend. Ook ter zitting hebben zij dat desgevraagd niet kunnen verduidelijken. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het besluit niet rechtsgeldig is genomen.
7.4.
De beroepsgrond slaagt niet.

Positie DCMR

8. Eisers 2 betogen dat de positie van DCMR dubieus is, aangezien DCMR zowel de gemeente als de provincie adviseert, maar ook zal optreden als handhaver. De rollen van adviseur en handhaver zijn niet of nauwelijks te verenigen aangezien DCMR in de positie kan komen dat zij haar eigen adviezen op naleving dient te beoordelen, aldus eisers 2.
8.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat er geen reden is om aan de integriteit van DCMR als vertegenwoordiger van het bevoegde gezag te twijfelen. Vergunningverlening en handhaving zijn binnen DCMR strikt gescheiden en de ambtenaren van DCMR zijn gehouden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eisers 2 hebben hun stelling verder ook niet onderbouwd, aldus het college.
8.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Anders dan eisers 2 veronderstellen heeft DCMR geen advies uitgebracht over de omgevingsvergunning, maar heeft DCMR namens het college de omgevingsvergunning verleend. Het enkele gegeven dat DCMR – indien nodig – ook namens het college handhavend zal optreden, maakt niet dat DMCR zijn taken niet zonder vooringenomenheid kan vervullen. In het kader van handhaving zal immers niet de vraag voorliggen of de omgevingsvergunning terecht is verleend, maar of de voorschriften zijn overtreden. Eisers 2 hebben verder ook niet concreet gemaakt waarom de verschillende taken van de DCMR niet met elkaar te verenigen zijn.
8.3.
De beroepsgrond slaagt niet.

Was een NRB-inventarisatie nodig?

9. Eisers 1 stellen dat bij het bestreden besluit ten onrechte geen inventarisatie op grond van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming 2012 (NRB 2012) is gevoegd. Bij een oprichtingsvergunning moet het college zich ervan vergewissen dat aan de Beste Beschikbare Technieken (BBT) wordt voldaan. De NRB 2012 is aangewezen als BBT-document. In bijlage I van deze richtlijn zijn tabellen opgenomen, waarmee de bedrijfsactiviteiten kunnen worden beoordeeld op de aanwezige voorzieningen en maatregelen om een verwaarloosbaar bodemrisico te realiseren. Aangezien een NRB-inventarisatie ontbreekt, hebben eisers 1 geen volledig beeld van de inrichting kunnen krijgen. Eisers 1 menen dat zij het bestreden besluit hierdoor niet goed hebben kunnen beoordelen.
9.1.
Volgens het college is een NRB-inventarisatie geen verplicht document om ten grondslag te leggen aan een oprichtingsvergunning. Er moet wel getoetst worden aan de NRB 2012 en dat is ook gedaan. Uit bijlage 5 van de ter inzage gelegde documenten volgt welke maatregelen worden genomen in het kader van de NRB 2012.
9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers 1 niet onderbouwd dat op grond van de NRB 2012 voor de oprichting van de inrichting een NRB-inventarisatie had moeten worden opgesteld. De enkele niet nader onderbouwde verwijzing naar bijlage I van de NRB 2012 is daartoe onvoldoende. Dat betekent dat de rechtbank geen aanleiding ziet voor het oordeel dat het college bij de aanvraag een NRB-inventarisatie van vergunninghoudster had moeten verlangen.
9.3.
De beroepsgrond slaagt niet.

Inhoudelijke beroepsgronden

Nut en noodzaak

10. Eisers 2 stellen dat het nut en de noodzaak van de verhuizing van vergunninghoudster naar bedrijventerrein [bedrijventerrein] onvoldoende zijn onderzocht en onderbouwd.
10.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de nieuwe locatie als een verbetering kan worden beschouwd ten opzichte van de huidige locatie aan de [locatie 1] . De nieuwe locatie is nog steeds bereikbaar vanuit het centraal-stedelijk gebied, maar minder centraal daarin gelegen, en anderzijds dichter bij de hoofdinfrastructuur, aan de zuidzijde van de stad. De nieuwe locatie past beter in het beleid voor een duurzame stedelijke leefomgeving dan de huidige. Verder verlopen de huurcontracten op de huidige locatie en wil de gemeente die locatie inzetten voor stedelijk ontwikkelingsgebied.
10.2.
De rechtbank overweegt dat het college dient te beslissen op de aanvraag die is ingediend. De aanvraag ziet op het oprichten van een inrichting op de nieuwe locatie. De redenen die aanleiding hebben gegeven tot het indienen van de aanvraag, spelen bij het beoordelen van die aanvraag geen rol. Dat betekent dat het college geen onderzoek heeft hoeven doen naar het nut en de noodzaak van de verhuizing van de huidige naar de nieuwe locatie. Het betoog van eisers 2 treft daarom geen doel.

Is een natuurvergunning nodig?

11. Eisers 1 stellen dat voor de voorgenomen activiteit ook een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) vereist is, omdat de voorgenomen activiteiten een significant negatief effect hebben op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving. Eisers 1 wijzen in dit verband op het rapport ‘Beoordeling onderzoek stikstofdepositie’ van 21 augustus 2023 van DGMR.
11.1.
In het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de activiteiten niet tot gevolg hebben dat een vergunning op grond van de Wnb vereist is. Uit de uitgevoerde depositieberekening volgt dat de aangevraagde activiteiten geen significante gevolgen hebben voor de nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
11.2.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in de overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste van 11 november 2020, beroept een natuurlijk persoon, indien hij een beroep doet op de bepalingen van de Wnb die strekken tot de bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied, zich op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen. De individuele belangen van een natuurlijke persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, kunnen echter zo verweven zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen in de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Bij de beantwoording van de vraag of verwevenheid kan worden aangenomen, wordt onder meer rekening gehouden met de situering van de woning van eiser, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van eiser en het natuurgebied, met hetgeen aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en met het al dan niet bestaande, gehele of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied.
11.3.
Eisers 1 komen in deze procedure op voor het behoud van een goede kwaliteit van hun woon- en leefomgeving. Hun woningen staan op een afstand van meer dan 15 kilometer van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen. Het gaat om de Natura 2000-gebieden Biesbosch en Krammer-Volkerak. De rechtbank is van oordeel dat deze afstand te groot is om te kunnen oordelen dat de belangen van eisers 1 bij het behoud van een goede kwaliteit van hun woon- en leefomgeving verweven zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen. De ingeroepen normen uit de Wnb strekken daarom niet tot de bescherming van hun individuele belangen. Dit houdt in dat het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69 van de Awb in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit voor zover het de stikstofdepositie betreft. De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk beoordelen.

Milieueffectrapportage-beoordelingsbesluit (m.e.r.-beoordelingsbesluit)

12. Eisers 1 betogen dat het m.e.r.-beoordelingsbesluit van 16 februari 2021 geen stand kan houden, omdat daarin wordt verwezen naar het stikstofdepositie-onderzoek dat gebrekkig is. Uit de contra-expertise van DGMR volgt dat de ontwikkeling wel degelijk een significant negatief effect heeft op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving. Daarnaast is het m.e.r.-beoordelingsbesluit volgens eisers 1 ten onrechte gebaseerd op oude AERIUS-berekeningen die alleen zien op de gebruiksfase.
12.1.
In de eerdergenoemde overzichtsuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat een redelijke toepassing van het relativiteitsvereiste als vervat in artikel 8:69a van de Awb, met zich brengt dat belanghebbenden die zich niet kunnen beroepen op de normen van sectorale wetgeving, zoals de Wnb, omdat die normen kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen, zich evenmin op die normen kunnen beroepen ten behoeve van het betoog dat een milieueffectrapport diende te worden gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit ook voor het betoog dat het m.e.r.-beoordelingsbesluit niet deugt vanwege (gestelde gebreken in) het stikstofdepositie-onderzoek. Ook deze beroepsgrond van eisers 1 strandt daarom op het relativiteitsvereiste.

Kon het college gebruik maken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid?

13. Eisers stellen dat het college geen toepassing heeft kunnen geven aan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Volgens eisers 1 wordt, kort samengevat, niet aan de voorwaarden voldaan. Volgens eisers 2 kan alleen toepassing worden gegeven aan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid bij lichte en kleinschalige activiteiten. De activiteiten van vergunninghoudster, waaronder het verwerken van bouw- en sloopafval en in het bijzonder het puinbreken, vallen daar niet onder, aldus eisers 2.
13.1.
In het navolgende zal de rechtbank de afzonderlijke beroepsgronden van eisers op dit punt bespreken.

Uitleg bestemmingsplanregel

14. Eisers 1 stellen dat de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid alleen gebruikt kan worden om andere bedrijfsactiviteiten met milieucategorie 3.2 toe te staan die genoemd worden in de Staat van Bedrijfsactiviteiten ‘bedrijventerrein’ behorende bij het bestemmingsplan (de Staat van Bedrijfsactiviteiten). Eisers 1 stellen zich subsidiair op het standpunt dat, voor zover bedrijfsactiviteiten met een hogere milieucategorie met de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid kunnen worden vergund, alleen bedrijfsactiviteiten met één milieucategorie hoger, te weten milieucategorie 4.1, kunnen worden vergund.
14.1.
In het bestreden besluit heeft het college de bedrijfsactiviteiten benoemd die vergunninghoudster heeft aangevraagd. Het gaat om een “groothandel in afval en schroot” met SBI-categorie 4677, die valt in milieucategorie 3.2. De inrichting houdt zich ook bezig met de voorbereiding tot recycling, met name door gebruik te maken van afvalscheidingsinstallaties, en het voorbereiden van gesorteerd materiaal tot recycling, door middel van kabelgranuleerders, het verkleinen van afval in een afvalverkleiner en door het breken van puin. De activiteiten die betrekking hebben op het voorbereiden tot recycling behoren tot milieucategorie 4.2. Volgens het college zijn de activiteiten die vallen onder milieucategorie 4.2 niet toegestaan op grond van het vigerende bestemmingsplan. De overige specifieke activiteiten zijn niet opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Volgens het college leiden de activiteiten van de inrichting echter niet tot een grotere milieubelasting dan een bedrijf in milieucategorie 3.2 dat op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Het college heeft daarom besloten om de aangevraagde bedrijfsactiviteiten toe te staan door toepassing te geven aan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid.
14.2.
Ter plaatse van de locatie van de inrichting geldt het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Hordijk” (het bestemmingsplan). De betrokken gronden hebben de bestemming “Bedrijventerrein”, met de functieaanduiding “bedrijf tot en met categorie 3.2”.
14.3.
In artikel 3.1, aanhef en onder b, van de planregels is bepaald dat de gronden ter plaatse van de aanduiding “bedrijf tot en met categorie 3.2” bestemd zijn voor bedrijven tot en met categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

In artikel 3.4 van de planregels is bepaald dat het college bij een omgevingsvergunning kan afwijken van het bepaalde in artikel 3.1 terzake van de toegestane bedrijfsactiviteiten ten behoeve van andere bedrijfsactiviteiten dan die primair zijn toegelaten, welke - gehoord de milieudeskundige - daarmede naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn.
14.4.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moeten planregels omwille van de rechtszekerheid letterlijk worden uitgelegd. De rechtszekerheid vereist dat van wat in het bestemmingsplan is bepaald, in beginsel moet worden uitgegaan. De niet bindende toelichting bij het bestemmingsplan heeft in zoverre betekenis dat deze over de bedoeling van de planwetgever meer inzicht kan geven als de bestemming en de bijbehorende voorschriften waaraan moet worden getoetst, op zichzelf noch in samenhang (systematiek) duidelijk zijn. Voor de betekenis van een begrip, moet bij gebrek aan aanknopingspunten in het bestemmingsplan en de plantoelichting voor de wijze waarop een in het bestemmingsplan opgenomen begrip moet worden uitgelegd, aansluiting worden gezocht bij wat in het algemeen spraakgebruik daaronder wordt verstaan. Daarbij mag de betekenis zoals deze in Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse taal is gegeven worden betrokken.
14.5.
De rechtbank volgt eisers 1 niet in hun betoog dat uit de formulering van artikel 3.4 van de planregels volgt dat de gemeenteraad de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid heeft willen inperken tot het uitsluitend toelaten van andere bedrijfsactiviteiten met milieucategorie 3.2 die genoemd worden in de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Uit artikel 3.4 van de planregels volgt dat het college kan afwijken van het bepaalde in artikel 3.1 terzake van de toegestane bedrijfsactiviteiten. Daarmee wordt gedoeld op de onderdelen a tot en met d van artikel 3.1 van de planregels; daar wordt immers bepaald welke bedrijfsactiviteiten zijn toegelaten. Ten aanzien van de vraag welke andere bedrijfsactiviteiten dan kunnen worden toegestaan, geeft artikel 3.4 geen andere beperking dan dat het moet gaan om andere bedrijfsactiviteiten dan die primair zijn toegelaten die daarmee naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn. Het primaire betoog van eisers 1 slaagt daarom niet.
14.6.
Over het betoog van eisers 1 dat het, gelet op de plantoelichting, de bedoeling van de planwetgever is geweest om hooguit af te wijken tot milieucategorie 4.1, overweegt de rechtbank dat de planregels in dit geval duidelijk zijn, zodat niet kan worden toegekomen aan een bespreking van de bedoeling van de planwetgever. Het subsidiaire betoog van eisers 1 slaagt daarom evenmin.
14.7.
Voor zover eisers 1 betogen dat een afvalverwerkend bedrijf zoals dat van vergunninghoudster niet kan worden aangemerkt als een bedrijf in milieucategorie 4.2, maar – naar de rechtbank begrijpt – in een hogere milieucategorie zou moeten worden ingedeeld, leidt dit niet tot een ander oordeel. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft het college toepassing kunnen geven aan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, mits de bedrijfsactiviteiten van vergunninghoudster naar aard en invloed op de omgeving met de ter plaatse toegestane bedrijfsactiviteiten gelijk zijn te stellen. Hoewel de STAB in haar advies de door het college weergegeven indeling van de bedrijfsactiviteiten van vergunninghoudster in milieucategorie 3.2 en 4.2 onderschrijft, kan de vraag in welke milieucategorie de specifieke bedrijfsactiviteiten van vergunninghoudster vallen daarom in het midden worden gelaten.
14.8.
De rechtbank volgt eisers 2 niet in hun betoog dat het college geen toepassing heeft kunnen geven aan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, omdat vergunninghoudster geen lichte of kleinschalige activiteiten zou uitvoeren. Voor zover een deel van de activiteiten van vergunninghoudster in beginsel in milieucategorie 4.2 gerangschikt moet worden, kan de milieubelasting daarvan naar aard en invloed op de omgeving namelijk gelijkwaardig zijn aan die van een bedrijf in milieucategorie 3.2. Dat is het bepalende criterium; niet of sprake is van lichte of kleinschalige activiteiten. In het navolgende zal de rechtbank daarom aan de hand van de beroepsgronden van eisers bespreken of de bedrijfsactiviteiten van vergunninghoudster naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn aan de bij recht toegelaten bedrijfsactiviteiten.

Naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen?

Notitie ‘Afwijken bestemmingsplan aangepast’

15. Eisers 1 voeren aan dat het college zich voor de beoordeling van de vraag of de milieubelasting van de inrichting vergelijkbaar is met een bedrijf behorend tot milieucategorie 3.2 niet heeft kunnen baseren op de notitie ‘Afwijken bestemmingsplan aangepast’ (de notitie). Het is onduidelijk wie deze notitie heeft opgesteld. In deze notitie is uiteengezet dat en waarom de bedrijfsactiviteiten in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat leiden. Daarmee wordt volgens eisers 1 geen antwoord gegeven op de vraag of de activiteiten naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met een bedrijf in milieucategorie 3.2. Ter onderbouwing van hun standpunt wijzen eisers 1 op het document ‘Beoordeling beschikking’ van 29 augustus 2023 van DGMR, waarin op verschillende relevante milieuaspecten wordt ingegaan.
15.1.
Ter zitting is vast komen te staan dat de notitie is opgesteld door vergunninghoudster en dat deze bij de aanvraag ter beoordeling aan het college is voorgelegd. Het college heeft de notitie beoordeeld, deze onderschreven en als bijlage bij het bestreden besluit gevoegd.
15.2.
De rechtbank stelt vast dat het college zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat de bedrijfsactiviteiten van vergunninghoudster naar aard en invloed gelijk te stellen zijn met die van een inrichting in milieucategorie 3.2. Voor de motivering van dit standpunt wordt ook verwezen naar de notitie. In het bestreden besluit en de notitie wordt ten aanzien van de relevante milieuaspecten (geluid, gevaar, geur en stof) onderbouwd dat de milieugevolgen van de bedrijfsactiviteiten zodanig zijn dat ter plaatse van gevoelige objecten de milieubelasting niet groter is dan die van een bedrijf behorend tot milieucategorie 3.2. Dat in de notitie daaraan tevens de conclusie wordt verbonden dat daarmee sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat maakt het voorgaande niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de notitie daarom kunnen gebruiken voor de vraag of de milieubelasting van de inrichting vergelijkbaar is met die van een bij recht toegestaan bedrijf behorend tot milieucategorie 3.2.
15.3.
De beroepsgrond slaagt niet.

Verkeer

16. Eisers 1 stellen dat in het kader van de vraag of de bedrijfsactiviteiten naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met een toegestaan bedrijf in milieucategorie 3.2 ten onrechte geen aandacht is besteed aan het aspect verkeer.
16.1.
De rechtbank overweegt dat in het kader van de milieuzonering de verkeersaantrekkende werking van belang kan zijn voor de toelaatbaarheid van milieubelastende activiteiten op een bepaalde locatie. De Staat van Bedrijfsactiviteiten is gebaseerd op de voorbeeld Staat van Bedrijfsactiviteiten voor bedrijventerreinen in bestemmingsplannen van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering, uitgave 2009 (VNG-brochure). Volgens de VNG-brochure kan de verkeersaantrekkende werking niet worden vertaald naar afstanden, maar is dit weergegeven met een kwalitatieve index die loopt van 1 tot en met 3, waarbij de volgende betekenis geldt:

1: potentieel geringe verkeersaantrekkende werking;

2: potentieel aanzienlijke verkeersaantrekkende werking;

3: potentieel zeer grote verkeersaantrekkende werking.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen goederenvervoer (G) en personenvervoer (P).
16.2.
Ter zitting heeft vergunninghoudster verklaard dat de inrichting een potentieel zeer grote verkeersaantrekkende werking heeft voor goederenvervoer en daarmee ingeschaald moet worden in 3G. Zoals vergunninghoudster terecht heeft opgemerkt, zijn op grond van de Staat van Bedrijfsactiviteiten bij het bestemmingsplan ter plaatse bedrijfsactiviteiten met goederenvervoer in de hoogste index (3G) toegestaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan daaruit worden geconcludeerd dat de inrichting van vergunninghoudster eenzelfde potentie voor verkeersaantrekkende werking heeft als bedrijven behorend tot milieucategorie 3.2 die zijn toegelaten op grond van het bestemmingsplan, zoals een goederenwegvervoerbedrijf. Daarmee is voldoende aangetoond dat de inrichting voor wat betreft het aspect verkeer gelijkwaardig is aan een bedrijf met milieucategorie 3.2 dat ter plaatse is toegestaan.
16.3.
De beroepsgrond slaagt niet.

Verkeersbewegingen

17. Eisers 2 stellen dat het aantal verkeersbewegingen van en naar de nieuwe locatie niet correct is berekend. In de stukken en in de verschillende onderzoeken worden verschillende cijfers genoemd. Volgens eisers 2 zullen de verkeersbewegingen bovendien toenemen ten opzichte van de huidige locatie, omdat vervoer via het water op de nieuwe locatie niet meer mogelijk is. Ook door eventuele groei in de toekomst kan het aantal bewegingen toenemen. Volgens eisers 2 zijn de door De Roever omgevingsadvies (De Roever) uitgevoerde onderzoeken bovendien niet objectief-deskundig, omdat deze in opdracht van vergunninghoudster zijn uitgevoerd.

Eisers 1 voeren aan dat in de verschillende onderzoeken weliswaar inzicht is gegeven in het aantal voertuigbewegingen van licht en zwaar verkeer, maar dat de onderbouwing daarvan ontbreekt. Ook wordt volgens eisers 1 niet onderbouwd dat de uitbreiding van de verwerkingscapaciteit ten opzichte van de huidige locatie niet leidt tot een duidelijke toename van verkeersbewegingen.
17.1.
In hun reactie op het STAB-rapport hebben eisers 2 aangevoerd dat bij de besluitvorming rekening had moeten worden gehouden met de samenwerking tussen vergunninghoudster en [naam 10] als uitvoerder van de bebouwing van de inrichting, die zich mogelijk ook zal uitstrekken tot recycling. Ook moet volgens hen rekening worden gehouden met vrachtauto’s die het bedrijf Renes verlaten. Dat kan volgens hen tot een groter aantal relevante verkeersbewegingen leiden. Naar het oordeel van de rechtbank is deze beroepsgrond te laat aangevoerd, omdat deze niet naar voren is gebracht binnen drie weken nadat de STAB is verzocht een deskundigenbericht uit te brengen. De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten.
17.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat in de verschillende onderzoeken rekening is gehouden met het aantal verkeersbewegingen dat tijdens de representatieve bedrijfssituatie plaatsvindt. De representatieve bedrijfssituatie houdt globaal een drukke dag in die vaker dan 12 maal per jaar voorkomt.
17.3.
De rechtbank stelt vast dat vergunninghoudster een akoestisch onderzoek heeft laten uitvoeren door De Roever. Ook heeft zij dit adviesbureau ingeschakeld voor een luchtkwaliteitsonderzoek. De onderzoeksrapporten dateren respectievelijk van 28 maart 2022 en 19 oktober 2021 en zijn als bijlagen gevoegd bij het bestreden besluit. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het college van de resultaten van de onderzoeken van De Roever heeft kunnen uitgaan, gelet op de daarin in aanmerking genomen verkeersbewegingen. Voor zover eisers 2 vraagtekens hebben geplaatst bij het aantal in aanmerking genomen verkeersbewegingen in het door De Roever op verzoek van vergunninghoudster uitgevoerde stikstofdepositieonderzoek, laat de rechtbank deze onbesproken, omdat het relativiteitsvereiste zich daartegen verzet. De rechtbank verwijst in dit verband naar overweging 11.3 van deze uitspraak.
17.4.
De omstandigheid dat vergunninghoudster De Roever heeft ingeschakeld voor een geluids- en luchtkwaliteitsonderzoek, betekent niet dat die onderzoeken reeds daarom niet objectief of niet onafhankelijk tot stand zijn gekomen. Eisers 2 hebben geen concrete argumenten naar voren gebracht op grond waarvan de bevindingen van de onderzoekers van De Roever in twijfel zouden moeten worden getrokken.
17.5.
De rechtbank overweegt verder dat het STAB-rapport een beschouwing bevat van het aantal verkeersbewegingen. In dit kader wijst de rechtbank op vaste rechtspraak van de Afdeling op grond waarvan de bestuursrechter in beginsel mag afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.
17.6.
De STAB heeft het aantal in aanmerking genomen verkeersbewegingen in de verschillende onderzoeken met elkaar vergeleken. Volgens de STAB zit daar nauwelijks verschil tussen. De STAB constateert dat zowel in het geluids- als het luchtkwaliteitsonderzoek wordt uitgegaan van 388 bewegingen voor licht verkeer in de dagperiode. Daarbij gaat het om personenauto’s van personeel en particulieren die afval komen brengen. Voor zwaar verkeer van vrachtwagens wordt in diezelfde onderzoeken uitgegaan van 164 bewegingen in de dagperiode. In het stikstofdepositieonderzoek wordt voor zwaar verkeer van een beperkt hoger aantal verkeersbewegingen (172 in plaats van 164) uitgegaan. Gelet op de door eisers 1 naar voren gebrachte beroepsgrond heeft de STAB de verwerkingscapaciteit en de in aanmerking genomen verkeersbewegingen van de huidige en de nieuwe locatie met elkaar vergeleken. Voor die beschouwing is de STAB uitgegaan van de vrachtwagenbewegingen als gevolg van de bedrijfsactiviteiten, waarbij voertuigbewegingen als gevolg van personeel en bezoekers (zonder afval) niet zijn meegenomen. Voor de huidige locatie is de STAB afgegaan op de gegevens in de veranderingsvergunning uit 2017. Daaruit volgt dat op de [locatie 1] een maximum van 43.325 ton metaalafval en 18.750 ton overige afvalstoffen is toegestaan. De totale hoeveelheid komt daarmee uit op 62.075 ton afvalstoffen. In het bij die vergunning behorende akoestisch onderzoek is uitgegaan van 164 vrachtwagenbewegingen en 240 personenautobewegingen van particulieren die afval komen brengen. Voor de nieuwe locatie aan de [locatie 2] is in totaal een capaciteit van 157.310 ton afval toegestaan. De STAB berekent dat de verwerkingscapaciteit op de nieuwe locatie ten opzichte van de huidige locatie toeneemt met een factor 2,53. Het aantal personenautobewegingen blijft gelijk, terwijl het aantal vrachtwagenbewegingen toeneemt met een factor 2,05. De STAB stelt vast dat het aantal grote vrachtwagens is toegenomen, maar het is de STAB niet gebleken dat een toename van “grote vrachtwagens” voldoende verklaring is voor de toename van de capaciteit. In die zin volgt STAB eisers erin dat de toename in de verwerkingscapaciteit niet strookt met de toename in de aantallen verkeersbewegingen in vergelijking met de oude situatie aan de [locatie 1] . De STAB constateert verder dat het college niet uitgebreid heeft onderzocht of de aangevraagde aantallen verkeersbewegingen toereikend zijn om de maximaal vergunde verwerkingscapaciteit te behalen.
17.7.
In haar schriftelijke reactie op het STAB-rapport en ter zitting heeft vergunninghoudster naar voren gebracht dat de STAB een onjuiste vergelijking heeft gemaakt. Vergunninghoudster wijst erop dat de STAB een vergelijking heeft gemaakt met de vergunde situatie en niet met de feitelijke situatie op de huidige locatie. De vergunde situatie op basis van de aanvraag van april 2017 is gebaseerd op een prognose voorafgaand aan het opstarten van activiteiten met andere afvalstoffen dan metalen. De in 2017 vergunde verandering had geen betrekking op de hoeveelheden metaalafval die met de oprichtingsvergunning van 3 september 2015 zijn vergund op basis van een prognose in de aanvraag van december 2011. De vergunde aantallen verkeersbewegingen aan de [locatie 1] moeten volgens vergunninghoudster dan ook in dat licht worden bezien. Vergunninghoudster wijst er voorts op dat de bedrijfsvoering zich sindsdien verder heeft ontwikkeld. Voor de nieuwe locatie verwacht vergunninghoudster een nog efficiëntere bedrijfsvoering te kunnen voeren. Vergunninghoudster heeft verder toegelicht dat zij voor de aanvraag voor de nieuwe locatie een inschatting heeft gemaakt van de nieuwe situatie, gebaseerd op de ervaringen met de feitelijke situatie zoals die was en gegroeid is op de huidige locatie. Daarbij is uitgegaan van praktijkervaringen en niet van prognoses, aldus vergunninghoudster.
17.8.
De rechtbank stelt voorop dat niet de situatie op de huidige locatie, maar de aanvraag voor de nieuwe locatie en de daaraan ten grondslag liggende stukken bepalend zijn voor de vraag of van het juiste aantal verkeersbewegingen is uitgegaan. Aangezien de activiteiten op zowel de huidige als de nieuwe locatie uit het verwerken van afval bestaan, kunnen gegevens van de huidige locatie wel bruikbaar zijn om een inschatting te maken van het aantal verkeersbewegingen dat nodig is om de aangevraagde jaarlijkse doorzet aan afval te kunnen behalen. Bij het beoordelen van de aanvraag hoeft het college geen rekening te houden met een eventuele uitbreiding van de verwerkingscapaciteit en daarmee gepaard gaande verkeersbewegingen. Voor de beoordeling is de aangevraagde verwerkingscapaciteit bepalend. Daarbij ligt het op de weg van het college om te beoordelen of het aantal verkeersbewegingen waarvan in het geluids- en in het luchtkwaliteitsonderzoek wordt uitgegaan reëel is ten opzichte van de aangevraagde jaarlijkse doorzet van 157.310 ton afval.
17.9.
Naar het oordeel van de rechtbank levert de door de STAB gemaakte vergelijking tussen de huidige en nieuwe locatie geen indicatie op dat in het geluids- en in het luchtkwaliteitsonderzoek van een onjuist aantal verkeersbewegingen is uitgegaan. Daartoe overweegt de rechtbank dat het door de STAB in aanmerking genomen aantal verkeersbewegingen van de huidige locatie is gebaseerd op prognose-aantallen, terwijl voor de nieuwe locatie een inschatting is gemaakt die is gebaseerd op ervaringen en de feitelijke situatie op de huidige locatie. Daarbij betrekt de rechtbank dat de STAB zelf ook twee kanttekeningen heeft geplaatst bij haar conclusie dat de toename in verwerkingscapaciteit niet strookt met de toename in de aantallen verkeersbewegingen in vergelijking met de huidige situatie aan de [locatie 1] . De STAB merkt daarover op dat in de akoestische onderzoeken is uitgegaan van een representatieve situatie, zijnde een drukke dag, waarbij het gebruikelijk is dat daarbij een situatie wordt genomen die meer dan 12 keer per jaar optreedt. Omdat het niet gaat om een jaargemiddelde situatie, kan de verwerkingscapaciteit volgens de STAB daarom toenemen zonder dat de representatieve situatie verandert, doordat vaker op minder drukke dagen wordt gereden. Daarnaast merkt de STAB op dat op de nieuwe locatie in verhouding minder metaalafval wordt aangevoerd en meer overig afval dan op de huidige locatie, hetgeen mogelijk invloed heeft op de aantallen benodigde vrachtwagens. In haar rapport merkt de STAB verder op dat het college en vergunninghoudster hebben toegelicht dat afval op de huidige locatie incidenteel via het water wordt aangevoerd en het alleen materiaal betreft dat niet op andere wijze vervoerd kan worden. Aangezien dat materiaal op de nieuwe locatie niet meer wordt ingenomen, hoeft de afname van aanvoer via het water volgens de STAB niet gecompenseerd te worden met aanvoer met vrachtwagens. Nu eisers 2 deze toelichting niet hebben weersproken, bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat in zoverre van een verkeerd aantal verkeersbewegingen is uitgegaan.
17.10.
In haar reactie op het STAB-advies en ter zitting heeft vergunninghoudster toegelicht dat – rekening houdend met de jaarlijkse doorzet en het aantal in aanmerking genomen verkeersbewegingen – een vrachtwagen gemiddeld 5,7 ton afval bevat. Volgens vergunninghoudster is dit een reëel uitgangspunt, zeker nu het gewicht aan afval per vrachtwagen feitelijk lager is, omdat in de jaarlijkse doorzet ook afval is inbegrepen dat door particulieren naar de inrichting wordt gebracht. Gelet op dit gemiddelde gewicht per vrachtwagen ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het college het aantal in aanmerking genomen verkeersbewegingen niet toereikend heeft mogen achten in verhouding tot de aangevraagde maximale verwerkingscapaciteit. Nader onderzoek door het college was daarvoor niet nodig. De rechtbank betrekt daarbij dat de STAB weliswaar constateert dat het college geen uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar het aantal verkeersbewegingen, maar daaraan niet de conclusie verbindt dat het college niet van de in de geluids- en luchtkwaliteitsonderzoeken in aanmerking genomen verkeersaantallen heeft kunnen uitgaan.
17.11.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college bij de verlening van de omgevingsvergunning is uitgegaan van een onjuist aantal verkeersbewegingen.
17.12.
De beroepsgrond slaagt niet.

Stof

18. Eisers 1 stellen dat het aspect grof stof niet is onderzocht, terwijl de activiteiten binnen de inrichting wel grof stof kunnen veroorzaken. Volgens eisers 1 is daarom niet aangetoond dat de inrichting naar aard en invloed op de omgeving gelijkgesteld kan worden met een bedrijf behorende tot milieucategorie 3.2.
18.1.
Het college wijst erop dat in het bestreden besluit en de notitie is ingegaan op het milieuaspect stof. Daarin is overwogen dat uit de beschrijving van de activiteiten van de inrichting volgt dat stofemissies op korte afstand (2 meter) van de relevante bronnen (met name het puinbreken) worden voorkomen. Daardoor zal geen stofhinder optreden en zeker niet op een afstand van meer dan de richtafstand van een inrichting die behoort tot milieucategorie 3.2 in een gemengd gebied (50 meter). Volgens het college is de inrichting daarom naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen met een bedrijf dat tot milieucategorie 3.2 behoort.
18.2.
In haar rapport concludeert de STAB dat geen berekening voor grof stof is gemaakt, terwijl de activiteiten binnen de inrichting wel grof stof zouden kunnen veroorzaken. De STAB stelt vast dat in de aanvraag maatregelen zijn genoemd om de verspreiding van stof in de omgeving te voorkomen, zoals het bevochtigen van te breken materiaal. Het bevochtigen van materiaal is een gebruikelijke en effectieve maatregel om verspreiding van grof stof te beperken. In voorschrift 9.2 zijn nog aanvullende maatregelen voorgeschreven om diffuse stofemissies te voorkomen. Hoewel grof stof niet is beoordeeld in het luchtkwaliteitsonderzoek, zijn daarvoor wel voorschriften opgenomen om de effecten hiervan tot een minimum te beperken, aldus de STAB.
18.3.
De rechtbank stelt met eisers 1 en de STAB vast dat het aspect grof stof niet is onderzocht door het college of vergunninghoudster. In hoofdstuk 9.1 en 9.2 van de omgevingsvergunning zijn wel voorschriften opgenomen die betrekking hebben op de stofemissies van het breken van groenafval of steenachtige materialen en op diffuse stofemissies. Om stofhinder naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken, schrijft voorschrift 9.1.3 voor dat het deel van het terrein waar de op-, overslag en bewerking van steenachtige materialen en puingranulaat plaatsvindt, wordt afgeschermd met een tijdelijke afschermende wand conform de beschrijving van de aanvraag. Op grond van voorschrift 9.1.4 wordt de opslag van stuifgevoelige materialen op het buitenterrein vochtig gehouden door middel van een watersproeisysteem. Tevens wordt dit watersproeisysteem op een doeltreffende manier ingezet tijdens het breken van betonpuin, het verladen en transporteren van stuifgevoelige stoffen en het bevochtigen van het terrein indien de klimatologische omstandigheden hierom vragen. Op grond van voorschrift 9.2.2 moeten de activiteiten binnen de inrichting op zodanige wijze plaatsvinden dat als gevolg daarvan op meer dan 2 meter vanaf de bron geen stofvorming visueel waarneembaar is.
18.4.
De rechtbank stelt vast dat op basis van de Staat van Bedrijfsactiviteiten bij het bestemmingsplan bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan waarbij een kortste richtafstand voor stof geldt van 10 meter. Gelet op de maatregelen die vergunninghoudster op grond van de voorschriften moet treffen om stofhinder zoveel mogelijk te beperken en de daarin opgenomen afstand van maximaal 2 meter vanaf de relevante bron, is de rechtbank van oordeel dat de stofveroorzakende bedrijfsactiviteiten van de inrichting naar aard en invloed op de omgeving niet meer impact hebben dan die op grond van de Staat van Bedrijfsactiviteiten bij het bestemmingsplan zijn toegestaan. Daarbij komt dat eisers 1 ook niet hebben gesteld en aannemelijk gemaakt dat grof stof zich buiten de inrichtingsgrenzen zal verspreiden.
18.5.
De beroepsgrond slaagt niet.

Geluid

19. Eisers 1 stellen dat het college voor wat betreft het aspect geluid niet op het akoestisch onderzoek heeft kunnen afgaan, omdat het fouten bevat en incompleet is. In het onderzoek is ten onrechte geen rekening gehouden met de incidentele bedrijfsactiviteiten van de mobiele puinbreker. Daarnaast zijn de rekenresultaten op de woningen aan de [straatnaam 1] weggelaten, terwijl daar mogelijk relevante geluidsniveaus optreden. Ook zijn de piekgeluidniveaus foutief berekend, omdat geen rekening is gehouden met de geluiduitstraling van de mobiele kraan op het opslagterrein in de avond- en nachtperiode. Verder is het volgens eisers 1 niet mogelijk om op basis van dit onderzoek de volledige juistheid van de berekeningen te controleren, omdat zij niet over het digitale rekenmodel beschikken. Eisers 1 stellen voorts dat het college niet heeft onderbouwd waarom de inrichting naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is aan een bedrijf behorend tot milieucategorie 3.2.
19.1.
Ten aanzien van het aspect geluid stelt het college zich op het standpunt dat uit onderzoek is gebleken dat wordt voldaan aan de grenswaarden voor geluid, in die zin dat de geluidbelasting voldoet aan de geluidsnormen op de bestaande woningen. Volgens het college is daarmee voldoende aangetoond dat de activiteiten van de inrichting gelijkwaardig zijn aan die van een bedrijf met milieucategorie 3.2 dat ter plaatse is toegestaan.
19.2.
De rechtbank stelt vast dat in het akoestisch onderzoek de geluidbelastingen als gevolg van de inrichting zijn berekend door middel van een akoestisch rekenmodel. De berekende waarden zijn getoetst aan de richtwaarden zoals opgenomen in de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening (de Handreiking) en de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (de VNG-brochure). In het onderzoeksrapport van 28 maart 2022 wordt geconcludeerd dat uit de rekenresultaten blijkt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, omdat ter plaatse van alle geluidgevoelige objecten in de omgeving wordt voldaan aan de richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidniveau. Blijkens het onderzoeksrapport zijn er wat betreft het aspect geluid daarom geen knelpunten voor de gewenste bedrijfsvoering.
19.3.
In haar rapport stelt de STAB vast dat alle activiteiten van de inrichting in een reguliere bedrijfssituatie zijn gemodelleerd, terwijl de activiteiten van de puinbreker als incidenteel zijn vergund. De STAB constateert dat uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het niet nodig was om een incidentele bedrijfssituatie op te nemen, omdat de rekenresultaten laten zien dat de reguliere bedrijfssituatie (inclusief de puinbreker) al voldoet aan de geluidsnormen. Het opnemen van de puinbreker in de reguliere situatie heeft daarom geen invloed gehad op de conclusies van het akoestisch onderzoek, aldus de STAB. Ter zitting hebben eisers 1 te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de conclusies van de STAB op dit punt. Daarmee is de beroepsgrond van eisers 1 hierover niet langer aan de orde.
19.4.
Ten aanzien van de woningen aan de [straatnaam 1] constateert de STAB in haar rapport, samengevat weergegeven, dat de resultaten voor de [straatnaam 1] in bijlage IV van het akoestisch onderzoek wel worden gepresenteerd, maar dat de woningen aan de [straatnaam 1] niet maatgevend zijn. Ter zitting hebben eisers 1 naar voren gebracht dat de constateringen van de STAB op dit punt juist zijn. Dat betekent dat de rechtbank in zoverre niet meer hoeft in te gaan op deze beroepsgrond van eisers 1.
19.5.
Voor wat betreft het piekgeluidniveau in de avond- en nachtperiode merkt de STAB op dat het akoestisch rapport een discrepantie bevat, omdat in de tekst van het rapport staat vermeld dat op het opslagterrein in de avond- en nachtperiode niet met mobiele kranen wordt gewerkt, terwijl de geluiduitstraling van deze oppervlaktebron wel is gemodelleerd in het rekenmodel. De rechtbank begrijpt hieruit dat de berekende geluidbelasting een overschatting is van de daadwerkelijke geluidbelasting van de vergunde activiteiten. Ter zitting heeft vergunninghoudster bevestigd dat de mobiele kraan niet wordt gebruikt in de avond- en nachtperiode. Eisers 1 hebben tijdens de zitting te kennen gegeven zich te kunnen vinden in bevindingen van de STAB. Dat betekent dat eisers 1 niet langer vasthouden aan hun beroepsgrond hierover.
19.6.
Hangende het onderzoek door de STAB hebben eisers 1 ten overstaan van de adviseurs van de STAB aangevoerd dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte wordt uitgegaan van een gebouw met gesloten roldeur. Hoewel de STAB in haar rapport op deze stelling van eisers 1 ingaat, is de rechtbank met het college en vergunninghoudster van oordeel dat eisers 1 deze beroepsgrond te laat naar voren hebben gebracht. Deze grond is niet aan te merken als een nadere onderbouwing van een reeds eerder ingenomen standpunt over het aspect geluid. Aangezien deze beroepsgrond niet naar voren is gebracht binnen drie weken nadat de STAB is verzocht een deskundigenbericht uit te brengen, zal de rechtbank deze beroepsgrond wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten.
19.7.
In haar rapport gaat de STAB ook in op de constatering van DGMR dat bepaalde werktuigen, zoals een knipschaar, niet zijn opgenomen in het akoestisch onderzoek. Ook bespreekt de STAB het verzoek van DGMR om een vaste hoogte van een afschermende wand op te nemen in voorschrift 9.1.3 van de omgevingsvergunning. In reactie op het STAB-rapport onderschrijven eisers 1 de conclusies van de STAB dat in het akoestisch onderzoek een (knip)schaar ontbreekt, terwijl die wel is aangevraagd. Ook stellen zij dat de positie en de vorm van de wand op de milieutekening niet gelijk is aan de positie in het rekenmodel, hetgeen invloed kan hebben op de uitkomst van het rekenmodel. De rechtbank stelt vast dat eisers 1 in hun beroepschrift geen gronden hebben aangevoerd over ontbrekende werktuigen in het akoestisch onderzoek dan wel over een vaste hoogte van een afschermende wand. De omstandigheid dat DGMR hierop ingaat in zijn notitie en dat deze notitie bij het beroepschrift is gevoegd, is daartoe onvoldoende. Het is aan eisers 1 om hierover concrete beroepsgronden te formuleren in het beroepschrift. De gronden die eisers 1 hierover in hun reactie op het STAB-rapport naar hebben gebracht, zijn naar het oordeel van de rechtbank ook niet aan te merken als een nadere onderbouwing van een reeds eerder in het beroepschrift ingenomen standpunt over het aspect geluid. Met het college en vergunninghoudster is de rechtbank daarom van oordeel dat deze gronden te laat naar voren zijn gebracht. Aangezien deze beroepsgronden niet naar voren zijn gebracht binnen drie weken nadat de STAB is verzocht een deskundigenbericht uit te brengen, zal de rechtbank deze beroepsgronden wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten.
19.8.
De rechtbank volgt eisers 1 niet in hun betoog dat het akoestisch onderzoek niet goed te controleren is, omdat zij niet over het onderliggende rekenmodel beschikken. De rechtbank overweegt dat het akoestisch onderzoek ook zonder het onderliggende rekenmodel geverifieerd kan worden aan de hand van de beschreven berekeningswijze en de in het onderzoek opgenomen invoergegevens. Daarbij betrekt de rechtbank dat de STAB in haar rapport heeft opgemerkt dat het niet ongebruikelijk is om een akoestisch onderzoek te beoordelen zonder dat het rekenmodel bekend is.
19.9.
In haar rapport heeft de STAB enkele kanttekeningen bij het akoestisch onderzoek geplaatst. In de eerste plaats merkt de STAB op dat in bijlage II van het akoestisch onderzoek afbeeldingen van het rekenmodel zijn opgenomen, waaronder ook een afbeelding van de geluidbronnen. Doordat meerdere geluidbronnen en de namen hiervan over elkaar heen zijn geprojecteerd, is niet te controleren of de bronnen op de juiste plaats staan. Ook zijn in bijlage III geen coördinaten van de geluidbronnen opgenomen. De STAB concludeert echter dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat geluidbronnen niet op de juiste plaats zouden staan. In hun reactie op het STAB-rapport zijn eisers 1 niet op deze conclusie van de STAB ingegaan. Nu eisers 1 niet aannemelijk hebben gemaakt dat de geluidbronnen op een verkeerde plek zijn gemodelleerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de STAB niet te volgen in haar conclusie bij haar eerste kanttekening.

In de tweede plaats merkt de STAB op dat de afscheiding aan de zuidoostzijde niet volledig juist lijkt te zijn gemodelleerd, omdat de locatie niet overeenkomt met die op de milieutekening. In haar reactie op het STAB-rapport heeft vergunninghoudster toegelicht dat de bouwtekeningen die onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning en waarnaar op de milieutekening wordt verwezen, bepalen hoe de afscheiding uitgevoerd gaat worden. Vergunninghoudster heeft er voorts op gewezen dat deze bouwtekeningen exact overeenkomen met de positie van de wand in het rekenmodel. Ter zitting hebben eisers 1 te kennen gegeven dat de toelichting van vergunninghoudster heeft verduidelijkt hoe de afscheiding is meegenomen in het akoestisch onderzoek. Gelet op voormelde reactie van vergunninghoudster op het STAB-rapport ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek op dit punt onjuist is.
19.10.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het college voor wat betreft het aspect geluid op het akoestisch onderzoek heeft mogen afgaan. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de inrichting naar aard en invloed op de omgeving gelijkgesteld kan worden met een bedrijf behorende tot milieucategorie 3.2.
19.11.
De rechtbank overweegt dat de VNG-brochure voor bedrijven in milieucategorie 3.2 in het gebiedstype gemengd gebied een richtafstand van 50 meter aanhoudt. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ter plaatse van alle geluidgevoelige objecten in de omgeving van de inrichting, waaronder de maatgevende woning aan de [adres] , die op een afstand van 50 meter van de grens van de inrichting ligt, wordt voldaan aan de richtwaarden van stap 2 van de VNG-brochure. In het bestreden besluit is op basis van deze constateringen geconcludeerd dat de geluidsbelasting van de bedrijfsactiviteiten van vergunninghoudster naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar is met die van een bedrijf dat behoort tot milieucategorie 3.2. De rechtbank acht dit navolgbaar. De rechtbank betrekt daarbij dat de richtafstand van 50 meter valt binnen de reikwijdte van richtafstanden voor geluid voor de bedrijven in milieucategorie 3.2 die op grond van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. De beroepsgrond slaagt niet.

Geur

20. Eisers 1 betwisten dat de inrichting geen afvalstoffen inzamelt of verwerkt die tot geuroverlast kunnen leiden. De inrichting neemt ook afvalhout en houtachtig groenafval in. Dit houtafval wordt, zo nodig, bevochtigd om stofemissie te voorkomen. Houtafval en houtachtig groenafval kan verrotten en dit proces van verrotting wordt door bevochtiging alleen maar versneld. Hierdoor kan er volgens eisers 1 wel degelijk geuroverlast ontstaan. Het ontbreken van een geuronderzoek resulteert in een onvolledig beeld van de milieueffecten van de inrichting op de omgeving. Volgens eisers kan daarom ten aanzien van het aspect geur niet gesteld worden dat het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving gelijk is aan een bedrijf behorend tot milieucategorie 3.2.
20.1.
In het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat er geen afvalstoffen worden ingezameld of verwerkt die tot geuroverlast kunnen leiden.
20.2.
Met betrekking tot het aspect geur kan de STAB de beoordeling van het college volgen dat in beginsel geen grote geurbronnen verwacht worden bij de inrichting. Volgens de STAB kan er niettemin geur ontstaan op het moment dat materiaal gaat rotten. De STAB stelt vast dat het meeste hout dat bij de inrichting binnenkomt bewerkt hout is. Voor wat betreft hout en groenafval is alleen houtachtig groenafval in kleine partijen aangevraagd, dat geen ander, snel composteerbaar groenafval mag bevatten. Dergelijk materiaal zal volgens de STAB niet zonder meer gaan rotten als het vochtig wordt. Indien rotting optreedt, acht de STAB de kans dat de geur daarvan bij de woningen in de omgeving waarneembaar zal zijn, en dat daarmee grenswaarden worden overschreden, minimaal.
20.3.
Ter zitting hebben eisers 1 te kennen gegeven dat zij de bevindingen van de STAB ten aanzien van het aspect geur kunnen volgen. Dat betekent dat de door eisers 1 bij het aspect geur geplaatste kanttekeningen geen verdere bespreking behoeven.

Gevaar

21. Eisers 1 stellen dat het college niet heeft aangetoond dat de inrichting naar aard en invloed op de omgeving gelijkgesteld kan worden met een bedrijf behorende tot milieucategorie 3.2 voor wat betreft het aspect externe veiligheid.
21.1.
In haar advies wijst de STAB erop dat aan het bestreden besluit geen rapport ten grondslag ligt waarin wordt ingegaan op het aspect gevaar en de afstand tot de nabijgelegen woningen. Dit wordt ook niet gedaan in de notitie bij de aanvraag, en ook niet nader toegelicht in het besluit. Gezien het feit dat voor deze afweging de activiteiten ‘sorteren van afval’ en ‘puinbreken’ centraal staan, merkt de STAB op dat voor deze activiteiten qua afstand een kortere richtstand voor gevaar geldt (respectievelijk 50 en 10 meter) dan voor geluid (300 meter). Er is volgens de STAB geen reden om aan te nemen dat voor het aspect gevaar niet uitgegaan mag worden van een lagere milieucategorie. De rechtbank begrijpt het STAB-advies aldus dat met een lagere milieucategorie wordt bedoeld een bedrijf in milieucategorie 3.2.
21.2.
In hun reactie op het STAB-advies hebben eisers 1 naar voren gebracht dat de STAB er terecht op wijst dat het aspect gevaar niet is onderzocht. Volgens eisers 1 is daarom niet aangetoond dat de inrichting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is aan een bedrijf behorend tot milieucategorie 3.2. In hun reactie hebben eisers 1 de conclusie van de STAB dat er geen reden is om aan te nemen dat voor dit aspect niet mag worden uitgegaan van een lagere milieucategorie niet bestreden. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de conclusie van de STAB op dit punt niet te volgen en is van oordeel dat het college heeft kunnen aannemen dat de inrichting voor wat betreft het aspect gevaar gelijkwaardig is aan een bedrijf met milieucategorie 3.2.
21.3.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie binnenplanse afwijkingsbevoegdheid

22. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het college toepassing heeft kunnen geven aan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, omdat aan alle voorwaarden wordt voldaan. Anders dan eisers 1 betogen, was daarom geen verklaring van geen bedenkingen nodig van de gemeenteraad van Rotterdam . Deze is alleen nodig als toepassing wordt gegeven aan de buitenplanse afwijkingsbevoegdheid.

Andere strijdigheid met het bestemmingsplan?

23. Eisers 2 stellen dat bedrijventerrein [bedrijventerrein] aan meerdere bedrijven zou worden toegekend, verdeeld over meerdere kavels. Door het bedrijventerrein uit te geven in één kavel aan vergunninghoudster is dit niet gebeurd.
23.1.
De rechtbank stelt vast dat het deel van bedrijventerrein [bedrijventerrein] waar de nieuwe locatie is voorzien, uit één kadastraal perceel bestaat. In de regels bij het bestemmingsplan zijn geen regels opgenomen waaruit volgt dat dit deel van het bedrijventerrein aan meerdere bedrijven zou moeten worden toegekend.
23.3.
De beroepsgrond slaagt niet.

Is sprake van een goede ruimtelijke ordening?

24. De rechtbank stelt voorop dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en dat het de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. Verder geldt dat (enkel) de ruimtelijke effecten en de gevolgen voor de woon- en leefomgeving van de vergunde afwijking van het bestemmingplan moeten worden afgewogen tegen de met die afwijking gediende belangen. De ruimtelijke effecten en de gevolgen voor de woon- en leefomgeving van hetgeen op grond van het bestemmingsplan al is toegestaan, blijven buiten beschouwing.

Verkeersafwikkeling

25. Eisers vrezen voor verkeershinder als gevolg van de vestiging van de inrichting op de nieuwe locatie. Eisers 1 stellen dat het college niet heeft onderbouwd dat de extra verkeersbewegingen inpasbaar zijn op het bestaande wegennet. Eisers 2 wijzen erop dat slechts een deel van de [straatnaam 2] is afgesloten voor vrachtauto’s. Volgens eisers 2 is onvoldoende rekening gehouden met de verkeersafwikkeling van het vrachtverkeer dat gebruik zal maken van het deel van de [straatnaam 2] dat niet is afgesloten voor vrachtverkeer.
25.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het vrachtverkeer van de nieuwe inrichting zich voornamelijk via de [straatnaam 3] naar de [straatnaam 4] en de [straatnaam 5] zal begeven en vice versa. Dat komt omdat een groot deel van de [straatnaam 2] niet toegankelijk is voor vrachtverkeer.
25.2.
Volgens de STAB is voor de ontsluiting naar de A15 de route via de [straatnaam 4] de meest voor de hand liggende optie voor vrachtverkeer. Een andere optie is dat vrachtwagens via de [straatnaam 2] naar de [straatnaam 5] rijden, en via die route naar de snelweg. De STAB constateert verder dat het verkeer niet via dat deel van de [straatnaam 2] mag rijden dat verboden is voor vrachtwagens. Dat betekent echter dat vrachtverkeer wel over de [straatnaam 2] zou kunnen rijden tussen de [straatnaam 3] en de [straatnaam 6] . Aansluiting op de verder gelegen [straatnaam 7] is er echter slechts in één richting, waardoor deze route alleen mogelijk is voor verkeer naar de inrichting, en niet voor verkeer vanaf de inrichting.
25.3.
Ter zitting hebben eisers 2 gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met de verkeersafwikkeling van het vrachtverkeer dat gebruik zal maken van het deel van de [straatnaam 2] dat niet is afgesloten voor vrachtverkeer, omdat juist dat deel voorlopig gebruikt zal worden door vrachtverkeer tussen de huidige en de nieuwe locatie. Ter zitting heeft vergunninghoudster toegelicht dat er geen vrachtverkeer zal zijn tussen de huidige en de nieuwe locatie. Hooguit zal sprake zijn van enkele verhuisbewegingen. In het licht hiervan ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat bij de beoordeling onvoldoende rekening is gehouden met de verkeersafwikkeling op dit gedeelte van de [straatnaam 2] .
25.4.
Voor wat betreft de verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de ingebruikname van de nog vrije kavel aan de zuidkant van bedrijventerrein [bedrijventerrein] al lange tijd uitgangspunt is van de ontwikkeling van dit gebied. Als niet vergunninghoudster zich hier zou vestigen, zou deze kavel door andere bedrijfsfuncties in gebruik genomen gaan worden, met ook dan een eigen verkeersaantrekkende werking. Deze bewegingen zijn meegenomen in de berekening van de verkeersgeneratie ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan. Bij de toetsing van de vergunningaanvraag aan het bestemmingsplan is gekeken naar de verkeerscijfers die voor vergunninghoudster zijn opgenomen in de representatieve bedrijfssituatie, en in hoeverre die inpasbaar zijn binnen de kaders die in het bestemmingsplan zijn gegeven. Volgens het college laat dat een positieve uitkomst zien. De verkeersproductie van vergunninghoudster past binnen de toetsingskaders voor extra verkeersbelasting en kan ook feitelijk worden verwerkt door het aanwezige wegennet.
25.5.
De STAB merkt op dat het bestemmingsplan op de locatie al bedrijvigheid mogelijk maakt. Bedrijvigheid in milieucategorie 3.2 kan ook (veel) verkeer genereren. Het verkeer van en naar de vergunde bedrijfsvestiging is dus niet per definitie een toename van verkeer. In het bestemmingsplan is al een afweging gemaakt over het toestaan van bedrijvigheid in milieucategorie 3.2 op deze locatie en de daarmee gepaard gaande verkeersbewegingen. Alleen de gevolgen van het vergunde milieucategorie 4.2 bedrijf ten opzichte van een bedrijf in milieucategorie 3.2 zijn de gevolgen van de vergunning. STAB merkt verder op dat het college zich weliswaar op het standpunt heeft gesteld dat de intensiteitsverhoging op het bestaande wegennet inpasbaar is gebleken, maar dat onduidelijk is waarop het college dit baseert. Ook de stelling van het college dat de kruispunten de toe te nemen verkeersbewegingen over de [straatnaam 3] goed kunnen afwikkelen, kan zij niet verifiëren.
25.6.
Ter bevestiging van zijn standpunt dat de verkeersdoorstroming niet wordt belemmerd door de ontwikkeling, heeft het college bij brief van 19 maart 2026 een verkeersonderzoek van adviesbureau Goudappel van 14 november 2025 (het verkeersonderzoek) overgelegd. In het verkeersonderzoek wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling slechts een beperkt effect heeft op de verkeersafwikkeling van de omliggende wegen. Hieruit blijkt volgens het college dat de vestiging op de nieuwe locatie in dat opzicht aanvaardbaar en inpasbaar geacht moet worden.
25.7.
De rechtbank stelt vast dat in het verkeersonderzoek de effecten van de verkeerstoename van een aantal ontwikkelingen op bedrijventerrein [bedrijventerrein] in beeld zijn gebracht. Eén daarvan betreft de ontwikkeling die met het bestreden besluit is vergund. De andere betreft een tweetal kavels op [bedrijventerrein] die ontwikkeld zullen worden tot bedrijvigheid. Blijkens het verkeersonderzoek zullen beide tot een toename van verkeer op de [straatnaam 3] en de [straatnaam 2] leiden. Om de effecten van deze verkeerstoename in beeld te brengen is voor drie kruispunten onderzocht wat de impact is van deze verkeerstoename op de verkeersafwikkeling. Het gaat om het kruispunt [straatnaam 3] - [straatnaam 8] , het kruispunt [straatnaam 3] - [straatnaam 2] en het kruispunt [straatnaam 3] - [straatnaam 9] . In het verkeersonderzoek wordt geconcludeerd dat het extra verkeer door de ontwikkelingen een beperkt effect heeft op de verkeersafwikkeling van de omliggende wegen. Het kruispunt met de [straatnaam 2] krijgt in de avondspits van de toekomstige situatie te maken met structurele vertragingen. In de huidige situatie is dit al het geval, maar dit wordt door de toekomstige situatie versterkt door de komst van de ontwikkelingen. Het toepassen van een brede middenberm helpt om de verkeersafwikkeling op die plek te verbeteren tot een redelijk niveau.
25.8.
Ter zitting hebben eisers 1 naar voren gebracht dat in het verkeersonderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met kleine voertuigen met een aanhanger. Eisers 2 hebben ter zitting aangevoerd dat niet van de resultaten van het verkeersonderzoek kan worden uitgegaan omdat een verkeersgeneratie per etmaal in aanmerking is genomen. Volgens eisers 2 had alleen rekening moeten worden gehouden met de verkeersgeneratie tijdens de openingstijden van de inrichting. Eisers 2 hebben daarnaast naar voren gebracht dat er verschillen bestaan tussen de conclusies in het (definitieve) ‘Verkeerskundig onderzoek [straatnaam 2] en [straatnaam 3] ’ van 30 juni 2025 en het verkeersonderzoek. In het verkeerskundig onderzoek van 30 juni 2025 wordt uitgegaan van noodzakelijke aanpassingen aan twee kruispunten, terwijl in het verkeersonderzoek wordt geconcludeerd dat het verkeer daar op basis van de huidige vormgeving goed kan worden afgewikkeld. Hoe dan ook, uit het verkeersonderzoek van 14 november 2025 blijkt volgens eisers 2 dat de verkeersafwikkeling wordt belemmerd, doordat het kruispunt met de [straatnaam 2] op basis van de huidige vormgeving niet goed is af te wikkelen.
25.9.
De rechtbank stelt vast dat de STAB een paragraaf uit het concept ‘Verkeerskundig onderzoek [straatnaam 2] en [straatnaam 3] ’ van 6 juni 2025 heeft ontvangen van het college. Eisers 2 hebben de definitieve versie van dit verkeerskundig onderzoek van 30 juni 2025 toegezonden, samen met een aanvullend stuk waarin zij kanttekeningen plaatsen bij de bevindingen over de verkeersafwikkeling. De rechtbank volgt eisers 2 niet in het betoog dat het onzorgvuldig is dat de STAB het definitieve advies niet heeft opgevraagd bij het college. Daartoe overweegt de rechtbank dat het concept verkeerskundig onderzoek van 6 juni 2025 niet ten grondslag ligt aan het bestreden besluit en dat dit onderzoek ook niet dragend is voor de bevindingen van de STAB over de verkeersafwikkeling. Verder acht de rechtbank van belang dat eisers 2 kanttekeningen plaatsen bij de bevindingen van Goudappel, maar zelf niet een deskundig tegenadvies hebben overgelegd met betrekking tot de afwikkeling van verkeer. Gelet daarop ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet zou kunnen beroepen op bevindingen in het verkeersonderzoek van 14 november 2025.
25.10.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de toename van de verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling van vergunninghoudster inpasbaar is binnen het bestaande wegennet. Daartoe overweegt de rechtbank dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan rekening is gehouden met circa 650 motorvoertuigen per werkdagetmaal voor nieuwe bedrijven op bedrijventerrein [bedrijventerrein] . De verkeersgeneratie die de ontwikkeling van vergunninghoudster met zich brengt, blijft binnen het door de planwetgever geprognosticeerde aantal van 650. Daarmee is deze inpasbaar binnen de kaders die in het bestemmingsplan zijn gegeven.
25.11.
Het verkeersonderzoek van 14 november 2025 bevestigt naar het oordeel van de rechtbank de inpasbaarheid van de verkeersbewegingen. Daartoe overweegt de rechtbank dat in het verkeersonderzoek niet alleen onderzoek is gedaan naar de effecten van de verkeerstoename van de ontwikkeling van vergunninghoudster, maar ook naar de toekomstige ontwikkeling van een tweetal andere kavels op [bedrijventerrein] . Zelfs indien met beide ontwikkelingen rekening wordt gehouden, is de conclusie van het verkeersonderzoek dat de verkeersafwikkeling goed is, met uitzondering van die bij het kruispunt met de [straatnaam 2] . Ten aanzien van dit kruispunt heeft het college toegezegd dat het zodanig zal worden aangepast dat ook bij dat kruispunt een acceptabele verkeersdoorstroming zal ontstaan. In het verkeersonderzoek is voor de ontwikkeling van vergunninghoudster rekening gehouden met een verkeersgeneratie per gemiddelde werkdag. In wat eisers 2 naar voren hebben gebracht ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat daarmee van een onjuiste maatstaf is uitgegaan. Verder is ter zitting namens de verkeersdeskundige van het college gereageerd op de stelling van eisers 2 dat personenauto’s met aanhanger niet zijn betrokken in het verkeersonderzoek. De reden daarvoor is dat deze niet als zodanig worden meegenomen in het door Goudappel gebruikte verkeerskundige rekenmodel. Aangezien het aandeel personenauto’s met aanhangwagen op het totale verkeersaanbod relatief klein is, zijn de effecten die daardoor kunnen ontstaan op de spitsintensiteiten marginaal, aldus de verkeersdeskundige. De rechtbank kan deze toelichting volgen. Dat in het verkeersonderzoek geen rekening is gehouden met personenauto’s met aanhangers brengt naar het oordeel van de rechtbank daarom evenmin mee dat niet van de conclusies van het verkeersonderzoek kan worden uitgegaan.
25.12.
De beroepsgrond slaagt niet.

Verkeersveiligheid

26. Eisers vrezen een verkeersonveilige situatie door de toename van vrachtwagens als gevolg van het oprichten van de inrichting. Eisers 1 wijzen erop dat de fietsroute van en naar school en de ontsluiting van de woningen aan onder andere de [straatnaam 1] langs de [straatnaam 3] lopen. Eisers 2 stellen dat ten onrechte geen verkeersveiligheidsplan is opgesteld.
26.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de ingebruikname van de kavel door vergunninghoudster kan plaatsvinden binnen de aanwezige verkeersstructuur, die is ingericht volgens onder meer de eisen vanuit verkeersveiligheid. De inrichting wordt via een eigen in/uitrit aangesloten op de openbare weg (de [straatnaam 3] ). Dit is een aansluiting rechtstreeks op de rijweg voor autoverkeer, zonder dat langzaam verkeer hoeft te worden gekruist. Vervolgens wordt het verkeer van en naar de inrichting afgewikkeld via het aanwezige verkeersnetwerk, waarop de verkeersveiligheid zo goed mogelijk geborgd is met maatregelen in onder meer wegontwerp en bebording.
26.2.
De STAB constateert dat de in/uitrit van het bedrijfsterrein van vergunninghoudster direct zal aansluiten op de hoofdrijbaan voor gemotoriseerd verkeer. Het tweerichtingsfietspad is aangelegd aan de overzijde van de [straatnaam 3] . Dit betekent dat de aansluiting van de inrichting niet direct kan leiden tot een verkeersonveilige situatie voor fietsers in de omgeving. Dit is aan de orde bij de kruisingen verderop op de [straatnaam 3] (kruising [straatnaam 2] en kruising [straatnaam 9] ), die beide niet zijn voorzien van verkeerslichten. Op deze locatie is verkeer afkomstig van of naar de inrichting niet te onderscheiden van ander verkeer, aldus de STAB.
26.3.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers 2 niet onderbouwd dat voor het oprichten van de inrichting een verkeersveiligheidsplan had moeten worden opgesteld. De enkele stelling dat dit vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid zou moeten, is daartoe onvoldoende. De rechtbank stelt vast dat eisers de bevindingen van de STAB over de verkeersveiligheid niet hebben weersproken. Wel hebben eisers 2 ter zitting gewezen op het verkeersonderzoek, waarin staat vermeld dat een variant met linksafvak bij de kruising [straatnaam 3] - [straatnaam 8] verkeersveiliger kan uitpakken. Gelet op de bevindingen van de STAB heeft het college zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat de ontwikkeling niet tot een verkeersonveilige situatie ter plaatse leidt. De rechtbank betrekt daarbij dat in het verkeersonderzoek ten aanzien van het kruispunt [straatnaam 3] - [straatnaam 8] weliswaar wordt geconcludeerd dat een andere inrichting van het kruispunt verkeersveiliger kan uitpakken, maar dat betekent niet dat de huidige inrichting als verkeersonveilig moet worden aangemerkt.
26.4.
De beroepsgrond slaagt niet.

Parkeren

27. Ter zitting hebben eisers 1 hun beroepsgrond over het aantal te realiseren parkeerplaatsen voor auto’s en fietsers ingetrokken. Dat betekent dat deze beroepsgrond onbesproken kan blijven.

Trillingen

28. Eisers 1 stellen dat het aspect trillingen ten onrechte niet is meegenomen in de belangenafweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Een aantal van hen heeft tijdens een werkbezoek op de huidige locatie van vergunninghoudster grote trillingen ervaren bij het plaatsen en legen van containers en de overslag van metaal. Eisers 1 maken zich grote zorgen over mogelijke schade aan hun huizen als gevolg van de trillingen.
28.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat particulieren in de dagperiode kleine partijen afval zullen aanvoeren. Het gaat daarbij om licht verkeer van personenauto’s met mogelijk aanhangers. Deze auto’s mogen wel in beide richtingen over de [straatnaam 2] rijden. Hieruit zal volgens het college geen trillingshinder ontstaan. Deze verkeersbewegingen zijn identiek aan het dagelijks verkeer dat momenteel over de [straatnaam 2] rijdt.
28.2.
De STAB merkt allereerst op dat niet alle activiteiten die op huidige locatie plaatsvinden, zijn aangevraagd voor de nieuwe locatie. In zoverre kunnen waargenomen trillingen bij de huidige locatie niet dienen als argument dat ook op de nieuwe locatie trillingen zullen voorkomen. De STAB merkt verder op dat het college alleen een reactie heeft gegeven over trillingen als gevolg van het verkeer op de [straatnaam 2] . In het bestreden besluit zijn geen overwegingen of voorschriften opgenomen die aannemelijk maken dat trillingen zullen worden voorkomen. De STAB acht het niet onaannemelijk dat activiteiten zoals puinbreken binnen de inrichting op enig moment trillingen veroorzaken. Los van het feit dat deze activiteit incidenteel plaatsvindt, is het gezien de afstand van de puinbreker tot de woningen van eisers van meer dan 200 meter, niet realistisch te verwachten dat de trillingen bij die woningen tot overlast leiden.
28.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het STAB-rapport niet te volgen op dit punt. Eisers 1 hebben niet onderbouwd dat de activiteiten van de inrichting zodanige trillingen met zich brengen dat zij daarvan hinder zullen ondervinden ter plaatse van hun woningen. De enkele stelling dat activiteiten als het plaatsen en legen van containers en de overslag van metaal trillingen veroorzaken, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het college ervan uit mocht gaan dat de activiteiten van vergunninghoudster voor wat betreft het aspect trillingen niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen van eisers 1 zullen leiden.
28.4.
De beroepsgrond slaagt niet.

Brandveiligheid

29. Eisers 1 stellen dat het aspect brandveiligheid ten onrechte niet is meegenomen in de belangenafweging in het kader van de goede ruimtelijke ordening. Eisers 1 maken zich ernstige zorgen over het ontstaan van brand bij de inrichting, onder andere vanwege het innemen van (lithium) batterijen en accu’s. Uit het bestreden besluit blijkt volgens eisers 1 niet voldoende op welke manier branden worden voorkomen en hoe de veiligheid van omwonenden gewaarborgd wordt.

Eisers 2 stellen dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat het bedrijventerrein tegen de spoorlijn aanligt en dat er op korte afstand een onbemensd benzinestation is gevestigd. Het effect van een mogelijk incident op het bedrijventerrein op het personen- en goederenvervoer en op de benzineopslag is niet erkend en niet onderzocht.
29.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de activiteiten van vergunninghoudster niet worden aangewezen in het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 en het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Dat betekent dat de aanwezige hoeveelheid gevaarlijke stoffen niet direct aanleiding is voor een verhoogd risico waarvoor specifieke afstanden in acht genomen moeten worden of een preventiebeleid door het bedrijf moet worden toegepast. De gevaarlijke stoffen die wel aanwezig zijn, worden opgeslagen in voorzieningen waarbij de uitgangspunten van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 (PGS15) in acht worden genomen. In de omgevingsvergunning zijn daarvoor voorschriften opgenomen, zodat de gevaarlijke stoffen die onder de werkingssfeer van PGS15 vallen, op een juiste wijze worden opgeslagen. Op deze manier worden risico’s voor calamiteiten met gevaarlijke stoffen tot een minimum beperkt. Daarnaast zijn er in de omgevingsvergunning vanuit het Bouwbesluit 2012 eisen gesteld om een eventuele brand niet te laten escaleren. Als belangrijkste ontstekingsbron voor schrootbranden geldt de mogelijke aanwezigheid van

Li-ion batterijen. Binnen de inrichting vindt geen opslag plaats van Li-ion batterijen, anders dan de energiedragers die in het afval worden aangetroffen en door vergunninghoudster uit het afval worden verwijderd. Er is geen omgevingsvergunning verleend voor het accepteren van partijen Li-ion batterijen die als monostroom worden aangeboden. Li-ion batterijen worden handmatig uit het afval gesorteerd en in een losse bak, gescheiden van andere afvalstoffen, opgeslagen en periodiek afgevoerd. Deze kleinschalige opslagvoorziening met het sorteerbeleid dat energiedragers uit het geaccepteerde afval haalt, maakt het risico op het ontstaan van branden klein. Er is geen aanleiding om een extra risico aan te nemen door de aanwezigheid van het spoor naast de inrichting. De kans dat door de aanwezigheid van het spoor een brand ontstaat binnen de inrichting is verwaarloosbaar. De dichtstbijzijnde benzinepomp aan de [straatnaam 10] 1 in [plaats 3] ligt op meer dan 50 meter afstand. Door de opslagvoorzieningen te compartimenteren is de kans op het ontstaan van grote schrootbranden volgens het college tot een minimum beperkt.
29.2.
In het STAB-rapport wordt opgemerkt dat bij de aanvraag een “Rapportage Brandveiligheid” is gevoegd, opgesteld door Acuro op 13 maart 2023. In dit rapport wordt gesteld dat het bouwwerk kan worden uitgevoerd met vier brandcompartimenten, en dat het conform de eisen in de regelgeving wordt voorzien van een brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie. De rapportage gaat niet in op de opslag van specifieke materialen, zoals batterijen. In hoofdstuk 4 van de omgevingsvergunning zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot de brandveiligheid. De voorschriften in paragraaf 4.1 en 4.2 borgen dat enerzijds middelen om brand te voorkomen dan wel direct te beperken beschikbaar zijn, en anderzijds dat brand zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Daarnaast gaat voorschrift 4.2.5 over een procedure waarin scenario’s worden beschreven waaruit afvalbranden kunnen ontstaan (bijvoorbeeld Li-ion batterijen). Specifiek voor de opslag van batterijen is in voorschrift 2.10 van de omgevingsvergunning opgenomen dat geaccepteerde batterijen conform de eisen van sectorplan 13 van het Landelijk Afvalbeheerplan 3 (LAP3) moeten worden afgevoerd en dat het opbulken van verschillende partijen in in het sectorplan 13 onderscheiden groepen is toegestaan. In bijlage 4 bij de aanvraag is aangegeven dat de categorie oude accu’s en batterijen wordt ingenomen en opgeslagen in een inpandige, vloeistofdichte en zuurbestendige bak. In de schriftelijke toelichting op de aanvraag is aangegeven dat accu’s rechtop worden opgeslagen, in een natuurlijk geventileerde hal en maximaal twee bakken hoog. De STAB stelt vast dat zowel in de aanvraag als in het besluit aandacht is besteed aan brandveiligheid, ook specifiek met betrekking tot de opslag van batterijen en accu’s. Volgens de STAB hebben eisers geen concrete aanknopingspunten gegeven waarom een en ander onvoldoende onderzocht zou zijn.
29.3.
De rechtbank stelt vast dat eisers 1 niet op de bevindingen van de STAB over het aspect brandveiligheid hebben gereageerd. In reactie op het STAB-advies hebben eisers 2 naar voren gebracht dat de activiteiten die plaatsvinden op het buitenterrein aan de zijde van de spoorlijn, waaronder het puinbreken en het verkleinen van afval, op zichzelf een risico tot het ontstaan van brand vormen. Volgens eisers 2 heeft het college dat risico onvoldoende onderzocht.
29.4.
In wat eisers hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding de bevindingen van de STAB niet te volgen. Aan de omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden die vergunninghoudster verplicht om voorzieningen en maatregelen te treffen om brand zoveel mogelijk te voorkomen, waarbij ook aandacht moet worden besteed aan het ontstaan van mogelijke afvalbranden door bijvoorbeeld het optreden van broei of handelingen met specifieke afvalstoffen. Uit het acceptatieproces van vergunninghoudster blijkt dat zij voorzieningen en maatregelen heeft getroffen om mogelijke afvalbranden tot een minimum te beperken, onder meer door compartimentering toe te passen en door accu’s en Li-ion batterijen inpandig op te slaan in speciaal daarvoor bestemde bakken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat bij vergunninghoudster sprake is van een beperkte hoeveelheid brandgevaarlijke afvalstoffen. Daarbij gelden ook de eisen die LAP3 stelt voor specifieke afvalstoffen zoals batterijen en accu’s. Gelet op de getroffen voorzieningen en maatregelen heeft het college zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat de kans op een overslaande brand buiten de inrichting door activiteiten binnen de inrichting verwaarloosbaar is. De rechtbank betrekt daarbij dat op grond van het bestemmingsplan bedrijven zijn toegelaten met een gevaarafstand van 50 meter. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het college ervan uit mocht gaan dat de activiteiten van vergunninghoudster voor wat betreft het aspect brandveiligheid niet tot een onveilige situatie ter plaatse van de woningen van eisers zal leiden.
29.5.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie goede ruimtelijke ordening

30. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de oprichting van de inrichting niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Persistente organische verontreinigende stoffen (POP’s)

31. Eisers 2 betogen dat het college de aanvraag ten onrechte niet heeft getoetst aan het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen (het Verdrag van Stockholm). Verder betogen eisers 2 dat in het bestreden besluit, voor wat betreft verwerking en registratie van (potentieel) zeer zorgwekkende stoffen, onvoldoende rekening is gehouden met de POP-verordening (Verordening (EU) 2019/1021) en het voorzorgsbeginsel. Productie, gebruik en het op de markt brengen van POP’s zijn daardoor grotendeels verboden, aldus eisers 2. Door in de omgevingsvergunning een tabel op te nemen die per afvalstof de maximale verwerkingscapaciteit per jaar weergeeft en de stoffen die niet in de tabel zijn opgenomen meldingplichtig te maken, gaat het college ten onrechte voorbij aan het gegeven dat de POP-verordening algemeen verbindend is en deze verordening zelf ook een lijst met stoffen kent. Verder is onvoldoende rekening gehouden met de aspecten ‘in de handel brengen’, ‘voorraadbeheer’, en ‘afvalbeheer’, als vermeld in de POP-verordening.
31.1.
Het college bestrijdt dat het Verdrag van Stockholm rechtstreekse werking heeft. Het college hoeft hier niet aan te toetsen, omdat het een verplichting inhoudt voor lidstaten om hun wettelijke toetsingskader conform dit verdrag op te stellen. Daarnaast hebben eisers 2 niet onderbouwd waarom er sprake zou zijn van strijd met dit verdrag. Verder is bij het verlenen van de omgevingsvergunning wel degelijk rekening gehouden met de POP-verordening. Zo is in paragraaf F.11.3.4 van bijlage F bij LAP3 toegelicht dat het beleidskader en de sectorplannen van LAP3 een uitwerking zijn van de POP-verordening. Verder brengt het college naar voren dat de aanvraag is getoetst aan het beleidskader van LAP3 en dat de verwerking conform de sectorplannen is vastgelegd in de omgevingsvergunning. Ook bestrijdt het college dat vergunninghoudster met een melding kan volstaan als hij niet-aangevraagde afvalstoffen wil accepteren. Op grond van voorschrift 2.3.2 moet vergunninghoudster daar een verzoek ter goedkeuring voor indienen. Het college wijst er in dat verband nog op dat de door eisers 2 bedoelde grenswaarden uit de verordening zien op gehaltes van stoffen in die afvalstoffen en niet op de te accepteren aantallen waar de tabel in de omgevingsvergunning wel op ziet.
31.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Ter zitting hebben eiser 2 verduidelijkt dat hun betoog er met name op ziet dat het college een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Omdat de POP-verordening rechtstreeks werkend is, mag deze niet worden omgezet naar nationale regelgeving. De rechtbank volgt het standpunt van het college dat de POP-verordening in LAP3 niet is omgezet naar nationale regelgeving, maar dat LAP3 een uitwerking is, aan de hand waarvan het college toetst aan de POP-verordening. Gelet op de toelichting van het college ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de omgevingsvergunning in strijd met de POP-verordening is verleend. Eisers 2 hebben ter zitting desgevraagd ook niet kunnen verduidelijken op welke punten LAP3 in strijd zou zijn met de POP-verordening. Dat geldt ook voor het betoog van eisers 2 dat het college in dit kader onvoldoende rekening heeft gehouden met het voorzorgsbeginsel.
31.3.
De beroepsgrond slaagt niet.

Puinbreken

32. Eisers 2 betogen dat het college het puinbreken niet op een correcte wijze heeft afgewogen tegen de milieueisen. In de omgevingsvergunning wordt puinbreken gedurende twaalf dagen per jaar toegestaan, maar is daarin geen enkele beperking opgenomen wat betreft geluidsoverlast en verdere milieuoverlast. Zo is niet genormeerd hoeveel afval maximaal op deze wijze mag worden verwerkt. Het is daarom denkbaar dat het puinbreken met meerdere installaties en meerdere dagen aaneengesloten kan plaatsvinden. Ook valt volgens eisers 2 niet in te zien waarom niet is gekozen voor minder dagen dan twaalf dagen per jaar. Volgens eisers 2 is in dit kader het voorzorgsbeginsel onvoldoende in aanmerking genomen.
32.1.
Het college heeft toegelicht dat het puinbreken maximaal twaalf dagen per jaar plaatsvindt, met een maximum tonnage van 25.000. Bovendien vinden er tijdens het puinbreken geen activiteiten plaats met de houtverkleiner, die qua geluidsproductie is gelijk te stellen met het puinbreken. Verder mag de puinbreker maximaal drie opeenvolgende werktijden voor een tijd van tien uur in de dagperiode worden ingezet (weekenden en feestdagen worden uitgesloten). Het gaat daarbij om een mobiele puinbreker, die wordt gehuurd.
32.2.
De rechtbank overweegt het volgende. Anders eisers 2 betogen, bevat de omgevingsvergunning wel degelijk voorschriften waarmee de activiteit puinbreken wordt begrensd. Zo staat in voorschrift 2.3.1 dat maximaal 25.000 ton per jaar mag worden gebroken. Verder staat in voorschrift 7.2.1 dat de mobiele puinbreker maximaal twaalf dagen per jaar in werking mag zijn, uitsluitend in de dagperiode tussen 07:00 en 19:00 uur, voor maximaal tien uur en niet op zaterdagen, zondagen en officiële feestdagen. Ook staat in dit voorschrift dat de mobiele puinbreker maximaal gedurende drie elkaar opvolgende dagen in werking mag zijn. Daar komt bij dat in voorschrift 7.2.2 is opgenomen dat het tijdens de inzet van de mobiele puinbreker niet is toegestaan om de mobiele houtverkleiner met zeef te gebruiken. De rechtbank betrekt daarbij dat – wat geluid betreft – de puinbreker in het akoestisch onderzoek is betrokken in de reguliere bedrijfssituatie, en uit de rekenresultaten blijkt dat wordt voldaan aan de geluidsnormen, zoals de STAB ook heeft geconstateerd.
32.3.
Verder volgt uit voorschrift 9.1.4 dat tijdens het breken van betonpuin het watersproeisysteem op een doeltreffende manier wordt ingezet om stofhinder naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken. Voor zover eisers 2 betogen dat het besproeien andere negatieve gevolgen heeft, zoals het vervuilen van de bodem en het oppervlaktewater, overweegt de rechtbank dat eisers 2 dit niet aannemelijk hebben gemaakt. De rechtbank betrekt daarbij de toelichting van vergunninghoudster dat het watersproeisysteem bestaat uit een vernevelapparaat en er bij het vernevelen niet zoveel water wordt gebruikt dat dat zal leiden tot afvalwater. Dit volgt ook uit de beschrijving van de activiteiten die deel uitmaakt van de aanvraag. Daarin is opgenomen dat het te breken materiaal – overeenkomstig artikel 4.74r van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4.84k van de Activiteitenregeling milieubeheer – door besproeiing vochtig wordt gehouden en dat de dosering van het sproeiwater zodanig wordt afgestemd op de behoefte dat daarbij geen afvalwater vrijkomt. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het college de activiteit puinbreken in deze vorm en mate niet heeft mogen vergunnen.
32.4.
De beroepsgrond slaagt niet.

Asbest

33. Eisers 2 betogen dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid wat betreft het aspect asbest. In dat verband wijzen zij erop dat is erkend dat asbest tussen het afval kan voorkomen en dat dit na het constateren daarvan apart zal worden gehouden. Het is volgens eisers 2 echter aannemelijk dat op dat moment al schadelijke asbestdeeltjes zijn vrijgekomen.
33.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat in het bestreden besluit voldoende aandacht is besteed aan asbest. Volgens het college wordt binnen de inrichting van vergunninghoudster geen asbest geaccepteerd. Indien het toch wordt aangetroffen moet dat apart worden opgeslagen en afgevoerd. Gelet op sectorplan 37 heeft het college daarom de voorschriften 2.6.4, 2.21.1 en 2.21.2 aan de omgevingsvergunning verbonden. Het college wijst erop dat in het bestreden besluit is opgenomen dat asbesthoudend materiaal door vergunninghoudster kan worden geaccepteerd omdat het als onderdeel aanwezig kan zijn in een te demonteren samengesteld technisch (elektronisch) apparaat. Tijdens het demonteren kan in zeer beperkte mate asbesthoudend afval vrijkomen.
33.2.
De rechtbank overweegt het volgende. De STAB wijst erop dat uit bijlagen 4 en 5 bij de aanvraag blijkt dat afval met asbest niet wordt geaccepteerd en dat een afvalstroom die wel asbest zou kunnen bevatten (voertuigen) pas wordt geaccepteerd als uit het asbestinventarisatierapport blijkt dat er geen asbest in zit. Verder is in bijlage 5 bij de aanvraag een asbestzorgvuldigheidsmodule opgenomen. Daarin is beschreven dat het doel is om te voorkomen dat asbesthoudend afval wordt geaccepteerd, maar ook dat – als er toch asbest wordt geconstateerd – dit apart wordt opgeslagen en afgevoerd. De STAB concludeert dat eisers 2 in zoverre gelijk hebben dat in theorie asbest binnen de inrichting aanwezig kan zijn, maar dat er maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat asbest wordt aangevoerd en er daarnaast ook voorschriften in de vergunning zijn opgenomen die zien op aparte opslag en afvoer naar een erkend verwerker. Daarmee is het risico tot een minimum beperkt, aldus de STAB.
33.3.
De rechtbank ziet in wat eisers 2 hebben aangevoerd geen reden om het STAB-rapport op dit punt niet te volgen. Eisers 2 hebben verder ook niet concreet gemaakt waarom en in hoeverre asbestdeeltjes al kunnen vrijkomen voordat deze worden geconstateerd. In dat verband acht de rechtbank nog van belang dat uit de omgevingsvergunning blijkt dat de aanvraag en bijlage 4 en 5 bij de aanvraag deel uitmaken van de omgevingsvergunning en vergunninghouder dus ook gehouden is om – mocht er toch asbest worden aangetroffen – dit te behandelen als voorgeschreven in de asbestzorgvuldigheidsmodule. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het college het aspect asbest voldoende heeft betrokken in de besluitvorming. Van de door eisers 2 gestelde onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit is daarom geen sprake.
33.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
34. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzitter, en mr. A.J. van der Ven en mr. S.H. van den Ende, leden, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos en mr. J.P. Brand, griffiers.

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.

griffiers

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271.

ECLI:NL:RVS:2021:953, onder 4.3 tot en met 4.8.

ECLI:EU:C:2021:7.

Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 2 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2974), r.o. 8.14 en 8.15 en 27 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1667), r.o. 4.1.

Kamerstukken II, 2006-2007, 30 844, blz. 113.

ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.50 en verder.

ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.82 en verder.

Met SBI-code 383202, waaronder SBI-code 3831 (2008) voor wat betreft het demonteren van witgoed, televisies, computers e.d. zodanig dat de onderdelen gerecycled kunnen worden, niet zijnde schepen.

Met SBI-code 3832 (2008).

Als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo.

Zie o.m. de uitspraak van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2966 en die van 23 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1318.

Zie pagina 94 tot en met 96 en pagina 112.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4807), r.o. 8.

Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1716.

Zie p. 95 en 96 van het bestreden besluit.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1460, r.o. 8.1.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:492, r.o. 6.2.

Artikel delen