ECLI:NL:RBDHA:2026:20454
Wijziging voorlopige voorzieningen; partneralimentatie
Rechtbank Den Haag 11 August 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:20454
text/xml
public
2026-08-11T14:49:10
2026-07-23
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-06-22
C/09/701505 / FA RK 26-2634
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
NL
Den Haag
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20454
text/html
public
2026-08-11T14:48:33
2026-08-11
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:20454 Rechtbank Den Haag , 22-06-2026 / C/09/701505 / FA RK 26-2634
Wijziging voorlopige voorzieningen; partneralimentatie
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-2634
Zaaknummer: C/09/701505
Datum beschikking: 22 juni 2026
Wijziging voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 17 maart 2026 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
in de Basisregistratie Personen ingeschreven als geëmigreerd (RNI),
advocaat: mr. L. de Roode te Leiderdorp.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. Crans te Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 5 mei 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlage;
het F9-formulier van 20 mei 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
het F9-formulier van 6 juni 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
het verweerschrift.
Op 8 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vrouw (via videoverbinding), bijgestaan door haar advocaat en vergezeld van een tolk J.K. de Graaff;
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd.
Na de zitting heeft de rechtbank het F9-formulier van 8 juni 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen, ontvangen. Deze stukken zijn gezien het late tijdstip van indiening door de rechtbank buiten beschouwing gelaten.
Feiten
- Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd op [datum] 1998 te [plaats] .
- De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Nederlandse en Braziliaanse nationaliteit.
- Deze rechtbank heeft op 5 september 2025 voorlopige voorzieningen getroffen – voor zover van belang – inhoudende dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie is afgewezen.
- Deze rechtbank heeft op 29 januari 2026 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en – voor zover van belang – bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 2.655,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw strekt tot wijziging van de beschikking van 5 september 2025 van deze rechtbank, in die zin dat de man een bedrag aan partneralimentatie van € 2.655,- bruto (€ 1.658,- netto) per maand zal voldoen per 29 januari 2026, dan wel per 16 februari 2026, dan wel per datum indiening van het verzoekschrift, iedere maand bij vooruitbetaling, dan wel een ander bedrag en ingangsdatum als de rechtbank juist acht.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht in deze voorlopige voorzieningenprocedure en zal Nederlands recht toepassen.
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 824 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking inhoudende voorlopige voorzieningen worden gewijzigd of ingetrokken indien de omstandigheden na het geven van de beschikking zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige voorzieningen niet in stand kan blijven.
De vrouw is van mening dat de beschikking voorlopige voorzieningen van 5 september 2025 van deze rechtbank, waarin het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de door de man aan de vrouw te bepalen partneralimentatie is afgewezen, gewijzigd moet worden. Zij voert daartoe – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst oordeelt de rechtbank in de beschikking voorlopige voorzieningen dat de vrouw niet behoeftig is, terwijl de rechtbank in de echtscheidingsprocedure heeft geoordeeld dat de vrouw wel degelijk behoeftig is. Daarnaast is de rechtbank er in de beschikking voorlopige voorzieningen vanuit gegaan dat de man bepaalde kosten voor de vrouw blijft doorbetalen, zoals de huurkosten van de woning aan het [adres] , de premie voor de zorgverzekering, de tandartskosten en de telefoonkosten. Inmiddels heeft de man (bijna al) deze betalingen stopgezet. De huurkosten van de woning aan het [adres] voldoet de man nog wel. Echter verblijft de vrouw al geruime tijd in Brazilië, waardoor deze kosten niet langer ten gunste komen van de vrouw, maar slechts van de meerderjarige dochters van partijen die op genoemd adres wonen. Tot slot stelt de vrouw dat conform de echtscheidingsbeschikking het onroerend goed in Brazilië verkocht gaat worden, waarmee de rekening-courantschuld in de B.V. van de man ingelost kan worden. Hierdoor kan de man dividend opnemen in de toekomst, hetgeen (nog) een gewijzigde omstandigheid oplevert.
De man voert verweer. Hij stelt dat de situatie van de vrouw niet dusdanig is gewijzigd dat de beschikking voorlopige voorzieningen niet langer in stand kan blijven. De man voert daartoe – kort samengevat – het volgende aan. De man betaalt nog steeds het grootste gedeelte van de vaste lasten van de vrouw (in Nederland). Alleen haar ziektekostenverzekering heeft de man beëindigd, omdat de vrouw in Brazilië woont. Daarnaast incasseert de vrouw nog steeds huurinkomsten van het gezamenlijk onroerend goed in Brazilië, waarmee zij in de kosten van haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Verder stelt de man dat de rekening-courantschuld kan worden afgelost met de verkoopopbrengst van het onroerend goed in Brazilië, maar dat verkoop nog niet heeft plaatsgevonden en dat door aflossing van de rekening-courantschuld in de toekomst, anders dan de vrouw stelt, geen dividend vrij komt om daarmee in het levensonderhoud van de vrouw te voorzien.
Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat een voorlopige voorziening het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal zij beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting geven.
In de echtscheidingsprocedure is grondig naar de zaak, en daarmee ook naar de kwestie van de partneralimentatie gekeken. De rechtbank heeft de behoefte van de vrouw berekend op
€ 5.001,- bruto per maand en de draagkracht van de man op € 2.655,- bruto per maand. De rechtbank constateert dat zij in de echtscheidingsprocedure van andere feiten en omstandigheden is uitgegaan dan in de voorlopige voorzieningenprocedure, hetgeen ertoe heeft geleid dat de rechtbank in de echtscheidingsprocedure wel een partneralimentatie heeft bepaald. Daarmee is het naar het oordeel van de rechtbank evident dat de beschikking voorlopige voorzieningen niet in stand kan blijven.
Verder overweegt de rechtbank dat zij op basis van de toen bekende informatie in de beschikking voorlopige voorzieningen ervan is uit gegaan dat de man de betalingen ten behoeve van de vrouw voortzet en dat de vrouw hiervan blijft profiteren. In de praktijk is echter gebleken dat de vrouw niet is teruggekeerd naar Nederland. Zij verblijft tot op heden nog steeds in Brazilië. De meerderjarige dochters van partijen verblijven wel nog in de woning aan het [adres] . Daarbij is het huurrecht van de woning aan het [adres] in de echtscheidingsprocedure aan geen van partijen toebedeeld. De betalingen van de man die zien op de huurwoning aan het [adres] (huurkosten, energie, water en gemeentelijke belastingen) komen daarom ten gunste van de meerderjarige dochters van partijen en niet (ook) van de vrouw.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. De rechtbank zal de vrouw dan ook ontvangen in haar verzoek en hierna overgaan tot de inhoudelijke beoordeling hiervan.
Inhoudelijk
De man stelt dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien omdat zij in Brazilië inkomsten uit verhuur geniet en werkzaam is in een boetiek. Deze stelling is door de vrouw gemotiveerd betwist en niet nader door de man onderbouwd. Daarom gaat de rechtbank daaraan voorbij. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de vrouw als gevolg van haar vertrek uit de woning aan het [adres] al lange tijd niet profiteert van de betalingen die met deze woning verband houden en waarvan in de voorlopige voorzieningen is uitgegaan dat die voortgezet door de man betaald zouden worden. De man is gestopt met de betaling van andere lasten van de vrouw waaronder de ziektekostenpremie. Daarmee staat vast dat de vrouw behoeftig is.
In de echtscheidingsprocedure hebben partijen op de zitting afgesproken dat zij het onroerend goed in Brazilië zullen verkopen en dat zij daarmee de rekening-courantschuld in de B.V. van de man zullen aflossen. Gelet daarop heeft de rechtbank geen rekening gehouden met deze rekening-courantschuld en is zij ervan uitgegaan dat er ook in de toekomst ruimte is voor een dividenduitkering. De rechtbank heeft de draagkracht van de man dus niet afhankelijk gesteld van het moment van de daadwerkelijke uitvoering van de verdeling tussen partijen, waardoor de rechtbank er in deze procedure (ook) van uit gaat dat de man reeds voldoende draagkracht heeft om een partneralimentatie van € 2.655,- bruto per maand te voldoen.
De rechtbank heeft bij Meervoudige Kamer in de echtscheidingsprocedure op 29 januari 2026 bepaald dat de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 2.655,- bruto per maand dient te betalen. De rechtbank ziet aanleiding om hier in deze procedure bij aan te sluiten. De man heeft hoger beroep heeft ingesteld tegen de in deze beschikking vastgestelde partneralimentatie en de redenen die de man daarvoor heeft zullen in de appelprocedure door het hof moeten worden behandeld. De rechtbank acht daar in deze procedure geen plaats voor.
De rechtbank bepaalt de ingangsdatum op de datum waarop de vrouw het verzoek tot wijziging voorlopige voorzieningen heeft ingediend, te weten 17 maart 2026. Vanaf die datum heeft de man er immers rekening mee kunnen houden dat de beschikking voorlopige voorzieningen van 5 september 2025 gewijzigd wordt.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van
5 september 2025 – :
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 17 maart 2026, voorlopig een partneralimentatie van € 2.655,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, bijgestaan door mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 22 juni 2026.