ECLI:NL:RBDHA:2026:20609
voorlopige voorziening / afgewezen
Rechtbank Den Haag 23 July 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:20609
text/xml
public
2026-07-23T19:50:02
2026-07-23
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-07-23
NL26.32005
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Groningen
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20609
text/html
public
2026-07-23T19:49:19
2026-07-23
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:20609 Rechtbank Den Haag , 23-07-2026 / NL26.32005
voorlopige voorziening / afgewezen
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32005
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam] , verzoeker,
van Gambiaanse nationaliteit,
geboren op [geboortedatum]
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. N. Imminga),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. De minister heeft op 3 juni 2026 de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van
een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. Hij heeft verder de
voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een
voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het
verzoek om die reden af.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
NL26.32004.
Op grond van artikel 8:83, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht.