ECLI:NL:RBDHA:2026:21598
Aanvragen om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Arrest Chavez-Vilchez. Eiseres heeft haar familierechtelijke relatie met referent en die tussen haar en haar kinderen niet onderbouwd. Evenmin heeft eiseres stukken overgelegd die de afhankelijkheid tussen haar en referent en de gestelde zorgtaken die zij voor referent zou verrichten, onderbouwen. Hoorplicht is ook niet geschonden.
Rechtbank Den Haag 3 August 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21598
text/xml
public
2026-08-03T08:54:44
2026-08-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-07-29
AWB 25/23014, AWB 25/23017, AWB 25/23020, AWB 25/23021, AWB 25/23024, AWB 23025, AWB 25/23027 en AWB 25/23028
Uitspraak
Voorlopige voorziening
NL
Utrecht
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21598
text/html
public
2026-08-03T08:54:14
2026-08-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:21598 Rechtbank Den Haag , 29-07-2026 / AWB 25/23014, AWB 25/23017, AWB 25/23020, AWB 25/23021, AWB 25/23024, AWB 23025, AWB 25/23027 en AWB 25/23028
Aanvragen om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Arrest Chavez-Vilchez. Eiseres heeft haar familierechtelijke relatie met referent en die tussen haar en haar kinderen niet onderbouwd. Evenmin heeft eiseres stukken overgelegd die de afhankelijkheid tussen haar en referent en de gestelde zorgtaken die zij voor referent zou verrichten, onderbouwen. Hoorplicht is ook niet geschonden.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/23014, AWB 25/23017, AWB 25/23020, AWB 25/23021, AWB 25/23024, AWB 23025, AWB 25/23027 en AWB 25/23028
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juli 2026 op de beroepen en de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[verzoekster/eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster/eiseres,
mede namens haar kinderen:
[minderjarige 1] , V-nummer: [V-nummer]
[minderjarige 2] , V-nummer: [V-nummer]
[minderjarige 3] , V-nummer: [V-nummer]
(hierna samen ook: eisers)
(gemachtigde: mr. S.A. Adjiembaks),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. L. Verhaegh).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op de beroepen van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER en beoordeelt de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening van eisers.
1.1.
De minister heeft deze aanvragen met de besluiten van 9 mei 2025 afgewezen. Met de bestreden besluiten van 3 november 2025 op de bezwaren van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
1.2.
De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Eiseres is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft de beroepen op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich voor de zitting afgemeld.
1.4.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op de beroepen van eisers daartegen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1981 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Haar kinderen [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018, [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2013 en [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2010, hebben ook de Surinaamse nationaliteit. Eiseres en haar kinderen hebben aanvragen ingediend voor verblijf bij haar stiefzoon/hun stiefbroer [referent] (referent). Referent heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiseres wil samen met haar kinderen bij hem verblijven, omdat zij stelt een hechte band te hebben met hem.
3. De minister heeft de aanvragen afgewezen, omdat niet wordt voldaan aan de criteria die voortvloeien uit het arrest Chavez-Vilchez. Eiseres heeft haar familierechtelijke relatie met referent niet aangetoond. Ook heeft eiseres niet aangetoond dat zij de moeder is van haar kinderen. Daarnaast heeft eiseres niet aangetoond dat zij daadwerkelijke zorgtaken verricht ten behoeve van referent en dat er sprake is van een dusdanige afhankelijkheidsverhouding tussen eiseres en referent dat hij gedwongen zal worden het grondgebied van de Europese Unie te verlaten, indien aan eiseres het verblijfsrecht wordt geweigerd.
4. Eisers voeren in beroep aan dat zij ten onrechte niet zijn gehoord in bezwaar. Een hoorzitting is bij uitstek de gelegenheid om duidelijkheid te verschaffen over de persoonlijke omstandigheden en de minister heeft daarom niet van horen mogen afzien. Het is ook niet redelijk dat eiseres en haar kinderen niet in de gelegenheid zijn gesteld om hun aanvragen op een hoorzitting toe te lichten. Het besluit is daarom in strijd met de artikelen 2:4, 3:2, 3:46 en 3:4 van de Algemene wet Bestuursrecht genomen.
Toetsingskader
5. Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) zich verzet tegen de weigering van verblijf aan familieleden van een burger van de Unie als die weigering tot gevolg heeft dat de burger van de Unie het effectieve genot van de voornaamste aan zijn status ontleende rechten wordt ontzegd. Daarvan is sprake als een onderdaan van een derde land het recht wordt ontzegd te verblijven in een lidstaat waar zijn minderjarige kind, dat de nationaliteit heeft van die lidstaat, verblijft en het minderjarige kind als gevolg daarvan zal worden gedwongen het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Er dient zodoende vast te worden gesteld of er een afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen het kind en de ouder die onderdaan is van een derde land.
6. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen stukken heeft overgelegd om haar familierechtelijke relatie met referent aan te tonen. Evenmin heeft eiseres de familierechtelijke relatie tussen haar en haar kinderen onderbouwd. Eiseres heeft enkel kopieën van haar paspoort, van referent en van haar kinderen overgelegd. De rechtbank volgt de minister daarom in het standpunt dat niet kan worden vastgesteld wat de relatie is tussen eiseres en referent en tussen eiseres en haar kinderen. Daarbij heeft eiseres geen officiële familierechtelijke documenten overgelegd en ook geen andere onderbouwende stukken overgelegd, zoals bijvoorbeeld getuigenverklaringen van derden, ten aanzien van de relatie van eiseres en referent en/of haar kinderen. Ook ten aanzien van de afhankelijkheid tussen eiseres en referent en de gestelde zorgtaken die eiseres voor referent zou verrichten heeft eiseres nagelaten enig onderbouwend document te overleggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het ontbreken van documenten aan eiseres mogen tegenwerpen.
7. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat het in beginsel aan de vreemdeling is om de gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat hij of zij een verblijfsrecht aan artikel 20 van het VWEU ontleent. Het is vervolgens aan de minister om die gegevens te onderzoeken of er al dan niet een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen de vreemdeling en zijn kind, dat bij weigering aan hem een verblijfsrecht toe te kennen, het kind gedwongen zou worden het grondgebied van de EU te verlaten. Nu eiseres heeft nagelaten om de vereiste gegevens te verstrekken, heeft de minister gelet op voorgaande kunnen concluderen dat geen sprake is van een verblijfsrecht in de zin van artikel 20 van het VWEU.
8. Ten aanzien van de stelling dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiseres, overweegt de rechtbank als volgt. De minister mag alleen met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend standpunt. Gelet op wat eiseres aan haar bezwaar ten grondslag heeft gelegd, en het feit dat zij ook in bezwaar geen enkel bewijsstuk voor haar zorg- en opvoedingstaken van referent heeft overgelegd, was er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk dat de bezwaren niet konden leiden tot een andersluidend besluit. Nu eiseres haar familierelatie met referent niet met stukken heeft onderbouwd, heeft de minister ook niet kunnen vaststellen of sprake is van familieleven. Ook artikel 8 EVRM was geen reden om te horen in bezwaar. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvragen van eisers tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER terecht heeft afgewezen. Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
10. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
verklaart de beroepen ongegrond;
wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026 door mr. P. Lenstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.