ECLI:NL:RBDHA:2026:21632
Vervolgberoep bewaring – refereert aan oordeel – beroep ongegrond
Rechtbank Den Haag 3 August 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21632
text/xml
public
2026-08-03T11:58:12
2026-08-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-08-03
NL26.43043
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Middelburg
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21632
text/html
public
2026-08-03T11:57:50
2026-08-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:21632 Rechtbank Den Haag , 03-08-2026 / NL26.43043
Vervolgberoep bewaring – refereert aan oordeel – beroep ongegrond
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43043
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 15 mei 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Verweerder heeft een kennisgeving voortduren vreemdelingenbewaring aan de rechtbank gezonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 3 augustus 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2002 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring rechtmatig is vanaf het moment van sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 27 mei 2026.
4. Eiser brengt naar voren dat op grond van de voortgangsrapportage niet kan worden gesteld dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en dat ook niet kan worden gesteld dat voldoende zicht op uitzetting ontbreekt.
5. De rechtbank volgt eiser hierin. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder in de te beoordelen periode drie maal schriftelijk heeft gerappelleerd over de lp-aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten en dat er twee vertrekgesprekken zijn gevoerd met eiser. Verder zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het zicht op uitzetting naar Algerije is komen te vervallen.
6. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 3 augustus 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Zie de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:13981.
Laissez-passer.