ECLI:NL:RBDHA:2026:21975
text/xml
public
2026-08-06T14:42:03
2026-08-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-07-24
NL26.4516
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Rotterdam
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21975
text/html
public
2026-08-06T13:39:18
2026-08-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:21975 Rechtbank Den Haag , 24-07-2026 / NL26.4516
AA, asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser een status in Roemenië heeft.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4516
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. V.J.C.M. Tielemans).
Procesverloop
Bij besluit van 26 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.4517), op 20 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
1. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1987. Op 9 juli 2023 heeft eiser in Nederland een asielaanvraag ingediend. Uit informatie van de Roemeense autoriteiten blijkt dat eiser sinds 12 september 2016 internationale bescherming geniet in Roemenië. Op 7 oktober 2024 en opnieuw op 24 november 2025 hebben de Roemeense autoriteiten op verzoek van verweerder aangegeven dat de internationale bescherming nog steeds geldig is. Eisers Roemeense verblijfsdocument was geldig tot 6 april 2025.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat eiser in Roemenië internationale bescherming geniet. Eiser heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat zijn asielstatus is ingetrokken of beëindigd. Volgens verweerder heeft eiser verder niet aannemelijk gemaakt dat er ten aanzien van Roemenië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zowel in het algemeen als voor eiser specifiek. Terugkeer naar Roemenië levert volgens verweerder dan ook geen schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) op. Het besluit omvat tevens een bevel tot terugkeer naar Roemenië.
Beoordeling door de rechtbank
Juridisch kader
3. Een asielaanvraag kan niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet (zie artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw). Daarvoor is wel vereist dat de vreemdeling – alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend – in die lidstaat overeenkomstig een reeks beginselen zal worden behandeld die zijn genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Ook moet de vreemdeling een zodanige band hebben met de lidstaat dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Daarbij moeten alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken (artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vb).
Verblijfsstatus Roemenië
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat niet duidelijk is of hij een verblijfsstatus in Roemenië heeft, of deze is ingetrokken, of dat deze zal worden ingetrokken. Zijn verblijfsdocument is namelijk verlopen en eiser bevindt zich al ruim 7 jaar buiten Roemenië. Verweerder heeft Roemenië enkel verzocht om aan te geven wat eisers status is, zonder hierbij eisers persoonlijke omstandigheden te benoemen. Dit is volgens eiser te summier en daarmee onvoldoende zorgvuldig. Eiser meent ook dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij zijn Roemeense verblijfsdocument niet heeft verlengd, omdat hij zijn asielaanvraag juist in Nederland moest afwachten.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder tweemaal een informatieverzoek bij de Roemeense autoriteiten heeft ingediend. Bij het eerste verzoek van 20 september 2024 heeft verweerder onder andere gevraagd of eiser een verblijfsstatus in Roemenië heeft en of deze nog geldig is. Bij het tweede verzoek van 23 oktober 2025 heeft verweerder nogmaals gevraagd of de verblijfsstatus van eiser nog steeds geldig is. Hierbij heeft verweerder ook gewezen op de lange tijd die is verstreken sinds de Roemeense autoriteiten de verblijfsstatus hebben verleend. Daarnaast heeft verweerder gevraagd of het verblijfsdocument bij terugkeer naar Roemenië kan worden verlengd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder door tweemaal een informatieverzoek in te dienen en hierbij ook meerdere vragen te stellen die specifiek zien op eisers situatie voldoende zorgvuldig gehandeld en is er geen sprake van een te summier verzoek. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat verweerder heeft nagelaten om zijn persoonlijke omstandigheden te benoemen bij het informatieverzoek. Verweerder heeft immers expliciet aangegeven dat eiser al lange tijd uit Roemenië was vertrokken.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen concrete aanwijzingen of aanknopingspunten naar voren heeft gebracht waaruit volgt dat de aan eiser verleende vluchtelingenstatus (refugee status) door de Roemeense autoriteiten is ingetrokken of beëindigd. De Roemeense autoriteiten hebben naar aanleiding van de hiervoor genoemde informatieverzoeken namelijk op 7 oktober 2024 en op 24 november 2025 bevestigd dat eisers status nog steeds geldig is. Eiser heeft niets aangevoerd of overgelegd waaruit zou blijken dat deze informatie onjuist is. Ook anderszins is niet gebleken dat eisers vluchtelingenstatus is beëindigd of ingetrokken. Dat eisers verblijfsvergunning inmiddels is verlopen en dat niet van hem kan worden verwacht dat hij deze verlengt omdat hij zijn asielaanvraag in Nederland moest afwachten heeft verweerder terecht onvoldoende aanleiding gevonden voor het oordeel dat eiser niet langer een vluchtelingenstatus in Roemenië heeft. Hieruit volgt namelijk niet dat de vluchtelingenstatus is ingetrokken. De rechtbank acht hierbij ook van belang dat de Roemeense autoriteiten op 24 november 2025, dus na het verlopen van eisers verblijfsvergunning, hebben bevestigd dat eiser nog steeds bescherming geniet.
4.3.
Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat zijn vluchtelingenstatus bij verlenging van zijn verblijfsvergunning mogelijk wordt ingetrokken, overweegt de rechtbank dat een mogelijke herbeoordeling bij een verlenging van zijn verblijfsvergunning niet automatisch leidt tot intrekking van de vluchtelingenstatus. Verweerder heeft er in dit kader terecht op gewezen dat eiser heeft verklaard dat hij zijn verblijfsvergunning drie keer eerder heeft verlengd en dat een volgende verlenging waarschijnlijk mogelijk is (p. 8 en 11 gehoor). Hierbij is eisers vluchtelingenstatus niet ingetrokken. Eiser kan, mocht er bij de verlenging van zijn verblijfsvergunning toch een intrekkingsprocedure worden opgestart, in die procedure te kennen geven het daar niet mee eens te zijn.
4.4.
De rechtbank ziet, gelet op het bovenstaande, geen aanleiding voor het oordeel dat eiser niet langer internationale bescherming in Roemenië geniet. De beroepsgrond slaagt niet.
Band met Roemenië
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij niet zo’n band met Roemenië heeft dat het voor hem redelijk is om daar naar terug te gaan. Verweerder heeft er in dit kader onvoldoende rekening mee gehouden dat hij in Nederland is geïntegreerd. Zo verblijft en werkt eiser al langere tijd in Nederland en spreekt hij ook de Nederlandse taal. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4755).
5.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 1 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:326) volgt dat alleen al omdat een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet, er sprake is van een zodanige band met die lidstaat dat het voor hem redelijk zou zijn om naar dat land te gaan. Verweerder moet van dit uitgangspunt afwijken als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die tot een andere conclusie leiden. Hierbij moeten alle relevante feiten en omstandigheden betrokken worden, waaronder de aard, duur en omstandigheden van het eerdere verblijf.
5.2.
Zoals hiervoor is overwogen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de Roemeense autoriteiten eiser internationale bescherming hebben verleend en dat eiser deze internationale bescherming nog steeds heeft. Daarom is sprake van een band met Roemenië zoals hiervoor bedoeld. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden waardoor redelijkerwijs niet van eiser kan worden verwacht dat hij terug gaat naar Roemenië. Dat eiser hier al enkele jaren verblijft, werkt en de taal spreekt is daarvoor onvoldoende. Ook eisers verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 oktober 2025 kan hem niet baten. De Afdeling heeft in die uitspraak bepaald dat bij de beoordeling van een asielaanvraag van een minderjarige met een internationale beschermingsstatus in een andere EU-lidstaat, onder meer gewicht toekomt aan de duur van de procedure in Nederland. Eiser is een meerderjarige vreemdeling zodat niet valt in te zien hoe dit op eiser van toepassing is. De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat er in zijn specifieke geval ten aanzien van Roemenië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser stelt dat hij geen (adequate) toegang tot de gezondheidszorg heeft gehad en bij terugkeer ook niet zal hebben. Ook stelt eiser dat hij als statushouder in Roemenië te maken zal hebben met structurele problemen, waaronder het ontbreken van opvang. Eiser zal vanwege zijn rugklachten niet in staat zijn om voldoende inkomen te genereren om zelf opvang te krijgen. Ook zijn er volgens eiser structurele problemen op de arbeidsmarkt.
6.1.
Als uitgangspunt geldt dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit mag gaan dat Roemenië zijn verplichtingen zal nakomen.Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Roemenië dit niet doet en dat hij bij terugkeer naar Roemenië een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De drempel hiervoor is bijzonder hoog en wordt bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een ‘toestand van zeer verregaande materiële deprivatie’, waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen, en waardoor zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid zou worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Roemenië een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft er in dit kader terecht op gewezen dat uit het AIDA-rapport Roemenië van augustus 2025 (update on 2024) volgt dat statushouders recht hebben op gezondheidszorg onder dezelfde voorwaarden als Roemeense staatsburgers (p. 207 en 208). Alhoewel uit het rapport ook blijkt dat statushouders in de praktijk vaak worden geconfronteerd met belemmeringen die hen ervan weerhouden om gebruik te maken van de medische voorzieningen, is dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat er in eisers geval niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Zo heeft eiser bijvoorbeeld ook verklaard dat hij in Roemenië meerdere prikken tegen de pijn heeft gehad (p. 4 gehoor). Eiser heeft verder niet onderbouwd waaruit volgt dat hij bij terugkeer naar Roemenië niet opnieuw toegang tot de gezondheidszorg zou hebben. Dat eiser rugklachten heeft waardoor hij mogelijk niet in staat is om op eigen kracht opvang te verkrijgen is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat er in eisers geval niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit het AIDA-rapport blijkt namelijk dat statushouders recht hebben op toegang tot sociale huisvesting onder dezelfde voorwaarden als Roemeense staatsburgers (p. 191). Verder blijkt uit het rapport waar eiser naar verwijst ook dat kwetsbare begunstigden kosteloos kunnen worden ondergebracht in regionale centra. Eiser heeft bovendien verklaard dat hij in Roemenië heeft gewerkt (p. 9 aanmeldgehoor). Tot slot blijkt uit het AIDA-rapport dat statushouders toegang hebben tot de arbeidsmarkt onder dezelfde voorwaarden als Roemeense staatsburgers (p. 191). Eiser heeft met zijn stelling dat er sprake is van structurele problemen op de arbeidsmarkt niet aannemelijk gemaakt dat hij geen toegang zal krijgen tot de arbeidsmarkt. Eiser heeft, zoals gezegd, in het verleden ook in Roemenië gewerkt en heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dit niet opnieuw zou kunnen doen. De beroepsgrond slaagt niet.
Bevel tot terugkeer
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten onrechte een terugkeerbesluit aan hem is opgelegd. Hij heeft namelijk een verblijfsstatus in Roemenië zodat hij zich vrij in de EU mag bewegen en hij enkel van het Nederlandse grondgebied kan worden verwijderd. Eiser kan daarom niet worden gedwongen om terug te keren naar Roemenië. Op de zitting heeft eiser verder nog aangevoerd dat aan hem geen terugkeerbesluit kan worden opgelegd omdat hij als Unieburger in Nederland werkt. Hiervoor heeft hij verwezen naar een loonstrookje van mei 2026 vanwege zijn werk als stucadoor.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder aan eiser geen terugkeerbesluit, maar een bevel tot terugkeer heeft opgelegd op grond van artikel 62a, derde lid, van de Vw. Uit dit artikel volgt dat verweerder een vreemdeling die in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning opdraagt om zich onmiddellijk naar het grondgebied van de betrokken lidstaat te begeven. Eiser heeft een verblijfsstatus in Roemenië, zodat verweerder gehouden was om hem op te dragen om zich onmiddellijk naar het grondgebied van Roemenië te bevinden. De rechtbank ziet in hetgeen eiser verder heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat dit bevel tot terugkeer ten onrechte is opgelegd. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij Unieburger is en dat hij daarom in Nederland mag werken. Eiser heeft namelijk een verblijfsstatus in Roemenië, maar er is niet gebleken dat eiser ook de Roemeense nationaliteit heeft. Ook anderszins is niet gebleken dat eiser Unieburger is. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Eiser verwijst hierbij naar artikel 98 Wet nr.122/2006 (Legea nr. 122/2006 privind azilul in Romania) en naar het AIDA rapport van augustus 2025, p. 182.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3967.
Eiser verwijst hierbij naar pagina 4, 11 en 12 nader gehoor en naar de website van AIDA over Roemenië: AIDA Country Report ‘access to the labour market’, ‘housing’ en ‘health care.’
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4514).
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, Ibrahim e.a. tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2019:219.