Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:21987

Vervolgberoep bewaring – geen gronden – ambtshalve toets – beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag 6 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:21987 text/xml public 2026-08-06T14:49:33 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-08-06 NL26.43478 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21987 text/html public 2026-08-06T14:48:58 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21987 Rechtbank Den Haag , 06-08-2026 / NL26.43478
Vervolgberoep bewaring – geen gronden – ambtshalve toets – beroep ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.43478
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. S. Faber),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 2 juli 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 5 augustus 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2007 en de Somalische nationaliteit te hebben.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van vreemdelingenbewaring al eerder heeft getoetst. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring rechtmatig is vanaf het moment van sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 9 juli 2026.

4. Eiser heeft naar aanleiding van de voortgangsrapportage geen opmerkingen.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder in de te beoordelen periode schriftelijk heeft gerappelleerd over de lp-aanvraag bij de Somalische autoriteiten en dat er twee vertrekgesprekken zijn gevoerd met eiser. Verder zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het zicht op uitzetting naar Somalië is komen te vervallen. Tijdens het vertrekgesprek op 10 juli 2026 heeft de regievoerder eiser meegedeeld dat hij was uitgenodigd voor een presentatie in persoon bij de Somalische diplomatieke vertegenwoordiging. De rechtbank leidt uit de voortgangsrapportage af dat deze presentatie geen doorgang heeft gevonden omdat eiser niet heeft meegewerkt. De rechtbank wijst erop dat op eiser de verplichting rust om medewerking te verlenen aan zijn terugkeer. De langere duur van de inbewaringstelling komt dan ook voor zijn eigen rekening en risico.

6. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig was.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 6 augustus 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Vreemdelingenwet 2000.

Zie de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19389.

Laissez-passer.

Artikel delen