ECLI:NL:RBDHA:2026:22505
Rechtbank Den Haag 13 August 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:22505
text/xml
public
2026-08-13T17:00:14
2026-08-12
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-08-10
NL26.43073
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Middelburg
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22505
text/html
public
2026-08-12T10:59:46
2026-08-13
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:22505 Rechtbank Den Haag , 10-08-2026 / NL26.43073
Asiel. AMB-verordening. Opvangomstandigheden in Frankrijk. Beroep ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43073
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 29 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2003 en de Soedanese nationaliteit te hebben. Hij heeft op 6 mei 2026 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser eerder al asiel heeft aangevraagd in Frankrijk. Verweerder heeft de autoriteiten van Frankrijk hiervan kennisgegeven. Zij hebben de ontvangst daarvan bevestigd. Vervolgens heeft verweerder in het bestreden besluit eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals die luidt met ingang van 12 juni 2026, omdat Frankrijk daarvoor verantwoordelijk is op grond van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EU) 2024/1351 (Asiel- en migratiebeheerverordening, hierna: AMBV).
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat Nederland de behandeling van zijn asielaanvraag op zich zou moeten nemen omdat hij in Frankrijk een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling. Volgens eiser moeten terugkeerders in Frankrijk een opvolgende asielaanvraag indienen, en kan deze doelgroep niet standaard rekenen op opvangvoorzieningen vanwege overbelasting van het opvangsysteem. Eiser verwijst hierbij naar het rapport ‘Country Report France update on 2025’ van AIDA van mei 2026, in het bijzonder de pagina’s 78, 79, 108, 109 en 124.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is één van de aspecten waarop het beroep gelet op artikel 43, eerste lid, van de AMBV betrekking kan hebben.
5. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo geoordeeld dat van een dergelijk risico sprake is als buiten de wil en verdere keuzes van de betrokken vreemdeling om overdracht een zeer verregaande materiële deprivatie meebrengt waartegenover de autoriteiten onverschillig staan.
6. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit bij overdracht aan Frankrijk het geval zal zijn. Als eiser na overdracht een opvolgende asielaanvraag moet indienen, is dit het gevolg van zijn keuze om de uitkomst van de eerdere asielaanvraag niet af te wachten. Het is niet in strijd met de herziene Opvangrichtlijn (Richtlijn (EU) 2024/1346), in het bijzonder artikel 23, dat in dergelijke gevallen niet standaard recht op opvang bestaat. Bovendien brengt dat niet meteen met zich dat eiser verstoken zou zijn van de elementaire levensbehoeften. Uit het AIDA-rapport kan niet worden afgeleid dat terugkeerders onder de AMBV in Frankrijk daarmee te maken krijgen.
7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit van 29 juli 2026 in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 10 augustus 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.