Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:22826

Bewaring, ophouding, gronden bestreden, lichter middel, ongegrond.

Rechtbank Den Haag 17 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:22826 text/xml public 2026-08-17T08:53:42 2026-08-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-30 NL26.39892 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22826 text/html public 2026-08-14T16:01:10 2026-08-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:22826 Rechtbank Den Haag , 30-07-2026 / NL26.39892
Bewaring, ophouding, gronden bestreden, lichter middel, ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.39892
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. G.H.P. Buren),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. van Dam).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 16 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
3.1.
Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
3.2.
Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een onderduikrisico bestaat.
4.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
4.2.
Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn. Hij stelt in dat verband dat onder meer dat grond k) hem ten onrechte is tegengeworpen, omdat hij geen overdrachtsbesluit heeft ontvangen. Hij verbleef in die periode in de opvang. Ten aanzien van grond o) heeft eiser betwist dat hij met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser stelt dat hij van een vrijheidsbeperkende locatie in Budel is overgeplaatst en zich in Ter Apel moest melden.
4.3.
Ten aanzien van grond k) is de rechtbank van oordeel dat deze terecht aan eiser is tegengeworpen. Uit het dossier blijkt dat verweerder op 22 juni 2026 een overdrachtsbesluit heeft genomen en dat, zoals verweerder ter zitting onweersproken naar voren heeft gebracht, deze is verzonden naar de gemachtigde van eiser in de asielprocedure. De naam van de gemachtigde is ook op de beschikking vermeld. Nu vaststaat dat eiser werd vertegenwoordigd door een gemachtigde en het overdrachtsbesluit is verzonden naar die gemachtigde, is het besluit op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. De omstandigheid dat eiser in de opvang verbleef en het besluit niet persoonlijk heeft ontvangen, leidt niet tot een ander oordeel. Daarnaast heeft eiser in het vertrekgesprek op 16 juli 2026 verklaard dat hij niet terug wil naar Bulgarije. Ten aanzien van grond o) heeft verweerder ter zitting toegelicht dat het COA op 23 juni 2026 een melding heeft gemaakt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en de vreemdelingenpolitie hebben in hun systemen ook registraties dat eiser de locatie uit eigen beweging heeft verlaten en met onbekende bestemming is vertrokken. De enkele stelling van eiser dat hij van een vrijheidsbeperkende locatie in Budel is overgeplaatst naar Ter Apel is onvoldoende om aan de juistheid van de registraties te twijfelen. Verweerder mocht dan ook uitgaan van een vertrek met onbekende bestemming. De stelling dat eiser zich enkele dagen later alsnog heeft gemeld in Ter Apel, doet niet aan af aan de omstandigheid dat hij zonder melding te maken van zijn vertrek zich enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat grond o) feitelijk juist is en dat verweerder deze grond terecht aan eiser heeft tegengeworpen.
4.4.
De niet betwiste grond a) en de hierboven genoemde gronden k) en o) in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een onderduikrisico bestaat. De overige bestreden gronden behoeven gezien het voorgaande geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?

5. Eiser voert aan dat verweerder toepassing had moeten geven aan een lichter middel dan inbewaringstelling. Eiser stelt daartoe dat hij na zijn aanmelding en het gehoor op 16 juli 2026 meteen in bewaring is gesteld. Hiermee heeft verweerder volgens hem te weinig ruimte geboden om een lichter middel te overwegen.
5.1.
Verweerder stelt zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit voornoemde gronden en motivering, zoals reeds in 4.4. is overwogen, blijkt dat er een onderduikrisico is. Er is verder niet gebleken van omstandigheden die de bewaring onevenredig bezwarend maken. Eiser is in het gehoor van 16 juli 2026 in de gelegenheid gesteld om redenen naar voren te brengen voor het afzien van een maatregel van bewaring en heeft toen geen omstandigheden aangevoerd die hadden moeten leiden tot het opleggen van een lichter middel. Ook ter zitting zijn dergelijke omstandigheden niet naar voren gebracht. De beroepsgrond slaagt niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.

Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.

Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.

Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.

Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Artikel delen