ECLI:NL:RBDHA:2026:22832
Somalië / binnenlands vestigingsalternatief / ongegrond
Rechtbank Den Haag 14 August 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:22832
text/xml
public
2026-08-14T22:35:26
2026-08-14
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-08-14
NL26.8237
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Groningen
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:22832
text/html
public
2026-08-14T22:34:07
2026-08-14
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:22832 Rechtbank Den Haag , 14-08-2026 / NL26.8237
Somalië / binnenlands vestigingsalternatief / ongegrond
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8237
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H. Postma)
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. S.H. de Vries).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 24 november 2023 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 19 januari 2026 in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Bij dit besluit is evenmin een verblijfsvergunning regulier of uitstel van vertrek om medische redenen verleend. Verder wordt eiser opgedragen binnen vier weken naar Somalië te vertrekken.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser bijgestaan door een tolk, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij op [geboortedatum] is geboren, de Somalische nationaliteit heeft, afkomstig is uit [plaats] en behoort tot de [naam 2] stam. Eiser werkte in een theehuis. Daar werd hij begin oktober 2023 benaderd door een zekere [naam 3] die hem vroeg met Al Shabaab samen te werken. Eiser heeft dit geweigerd. Enkele dagen later keerde [naam 3] terug en herhaalde zijn vraag. Eiser weigerde weer. Een aantal dagen later, toen eisers werkgever naar de akkers buiten [plaats] was, werd eiser meegenomen door leden van Al Shabaab en door hen mishandeld. Na vier dagen wist eiser vrij te komen met behulp van zijn clanoudste. Daarna is eiser naar Mogadishu gevlucht. Toen eiser daar drie dagen was, werd op 23 oktober 2023 zijn vader vermoord. Eiser heeft toen een reisagent gezocht en is bij hem gebleven totdat hij op 5 november 2023 Somalië heeft verlaten. Terwijl hij ondergedoken zat is hij enkele keren door een onbekend nummer gebeld en kreeg hij een sms-bericht van Al Shabaab waarin hij werd bedreigd.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
De problemen met Al Shabaab.
4.1.
De minister vindt de beide asielmotieven geloofwaardig. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser geen vluchteling is en dat er bij terugkeer naar Somalië geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade omdat eiser een binnenlands vestigingsalternatief heeft in Mogadishu. Er zijn volgens de minister geen individuele omstandigheden waaruit blijkt dat eiser een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld in vergelijking met andere bewoners van Mogadishu. De minister ziet geen reden om te veronderstellen dat Al Shabaab nog naar eiser op zoek is of er achter zou komen dat eiser zich in Mogadishu zal hebben gevestigd. Daarnaast kan eiser op een veilige en wettige wijze reizen en toegang verkrijgen tot Mogadishu. Verder vindt de minister dat van eiser ook redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij zich in Mogadishu vestigt. Gezien zijn referentiekader en zijn verklaringen, waaruit blijkt dat clanverwanten niet onwelwillend zijn om hem te helpen, wordt hij in staat geacht om daar een duurzaam verblijf op te bouwen.
De beoordeling van de zwaarwegendheid
5. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgronden van eiser niet slagen en dat de minister terecht heeft aangenomen dat eiser niet als vluchteling kan worden aangemerkt en dat niet aannemelijk is geworden dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Mogadishu. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de minister Mogadishu terecht heeft aangewezen als binnenlands vestigingsalternatief. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
6. Eisers beroepsgrond dat de minister ten onrechte niet heeft vastgesteld dat eiser in zijn herkomstgebied [plaats] gegronde vrees heeft voor vervolging, slaagt niet. In het bestreden besluit heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat het toedichten van een politieke overtuiging en vervolgingsdaden vanwege religie door Al Shabaab onder vluchtelingenschap geschaard kan worden. De minister heeft zich vervolgens ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser daarmee nog niet zijn vrees voor vervolging dan wel risico op ernstige schade bij terugkeer aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft eisers vrees daarbij terecht niet op terugkeer naar [plaats] , maar op terugkeer naar Mogadishu beoordeeld. Een beoordeling die zou zijn gericht op [plaats] is gelet daarop niet nodig. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op terugkeer naar Mogadishu kunnen richten en overweegt daartoe het volgende.
7. Op grond van paragraaf C2/3.4 van de Vc 2000 neemt de minister aan dat een ander gebied in het land van herkomst op grond van artikel 3.37d van het VV 2000 voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
het gaat om een gebied in het land van herkomst waar de vreemdeling geen risico loopt op vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of voor daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw óf toegang heeft tot bescherming als bedoeld in artikel 3.37c VV;
de vreemdeling kan op veilige en wettige wijze reizen naar en toegang verkrijgen tot dat gebied in het land van herkomst; en
van de vreemdeling kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt.
7.1.
Paragraaf C7/30.5.2 van de Vc 2000 voegt daar specifiek voor Somalië aan toe dat de minister bij zijn beoordeling moet betrekken of een vreemdeling al eerder in het alternatieve gebied heeft verbleven en grootfamilie van die vreemdeling aanwezig is in dat gebied. Hierbij geldt de maatstaf dat de vreemdeling daar een leven kan leiden onder omstandigheden die, naar plaatselijke maatstaven gemeten, als normaal zijn aan te merken. De vreemdeling mag in het betreffende gebied niet achtergesteld worden in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking. Daarnaast mogen de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk gemotiveerd heeft aangenomen dat Mogadishu een binnenlands vestigingsalternatief betreft en dat aan de drie voorwaarden is voldaan. De rechtbank overweegt daarover verder als volgt.
8. Eisers voert aan dat niet wordt voldaan aan de drie in paragraaf C2/3.4 van de Vc 2000 gestelde voorwaarden. Eiser stelt dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op hetgeen hij in het kader van de veiligheid in Mogadishu heeft aangevoerd. Zo blijkt uit de Country Guidance van de EUAA van 2 oktober 2025 dat het geweldsniveau in Mogadishu als hoog moet worden gekwalificeerd. De minister heeft met een enkele verwijzing naar het algemeen ambtsbericht over Somalië van april 2025 deze informatie ten onrechte niet betrokken. Ook is de minister voorbijgegaan aan de juist in dat ambtsbericht vermelde informatie over de infiltraties en vrije bewegingen van Al-Shabaab, ook in Mogadishu; de onmogelijkheid om te ontkomen aan represailles van Al-Shabaab; de capaciteit van Al-Shabaab om zich buiten hun controlegebied te verplaatsen en de informatie van Somalië-kenner Tony Burns van 20 mei 2024. Deze informatie laat volgens eiser zien dat de stelling van de minister dat Al-Shabaab de capaciteiten niet heeft om iedereen in Mogadishu op te sporen, niet klopt. Bovendien gaat de minister er aan voorbij dat eiser tijdens zijn korte onderduikperiode een aantal keren is gebeld en een sms-bericht heeft ontvangen waarin hij werd bedreigd. Anders dan de minister meent is het aan hem om gezien de op grond van artikel 4, vierde lid van de Kwalificatierichtlijn omgekeerde bewijslast aannemelijk te maken dat eiser na gedwongen terugkeer niet opnieuw zal worden vervolgd door Al-Shabaab. De minister heeft dit ten onrechte niet gedaan, terwijl eiser wel aannemelijk heeft gemaakt dat hij ook in Mogadishu het risico loopt op vervolging of ernstige schade.
9. De rechtbank stelt vast dat de minister volgens zijn landgebonden beleid voor Mogadishu aanneemt dat aldaar sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser betoogt dat uit het EUAA-rapport waar hij naar verwijst, ten aanzien van Mogadishu uitgegaan wordt van een hoog niveau van willekeurig geweld. De rechtbank laat in deze zaak de vraag of moet worden uitgegaan van een hoog of laag niveau van willekeurig geweld onbesproken, omdat het in beide situaties aan eiser is om individuele omstandigheden naar voren te brengen die maken dat juist hij risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft dergelijke omstandigheden echter niet naar voren gebracht. Al daarom komt de rechtbank tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat eiser, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico zou lopen op ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
9.1.
De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank verder terecht op het standpunt gesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat Al-Shabaab nog op zoek is naar eiser. Eiser is sinds zijn aankomst in Mogadishu enkele malen gebeld door een onbekend nummer maar heeft nooit opgenomen en hij heeft voorts alleen een sms-bericht ontvangen. Eiser heeft derhalve met zijn enkele verklaring over het sms-bericht en dat hij gebeld is, zijn gestelde vrees niet voldoende aannemelijk gemaakt. Voorts is niet gebleken dat leden van Al-Shabaad na de dood van eisers vader, bij eiser moeder naar de verblijfplaats van eiser hebben geïnformeerd. Ook blijkt nergens uit dat Al-Shabaab wist of weet waar eiser zich in Mogadishu bevond dan wel zal bevinden. Ook is niet aannemelijk geworden dat zij hem daar twee jaar later nog zouden opzoeken. Verder blijkt uit het algemeen ambtsbericht over Somalië van 2023 dat Al-Shabaab in Mogadishu voornamelijk op zoek is naar en gerichte aanvallen doet op overheidsfunctionarissen, politici, verkiezingsafgevaardigden, journalisten, mensenrechtenactivisten, medewerkers van ngo’s, regeringsgezinde clanouderen en zakenlieden die samenwerkten met deze personen of weigerden samen te werken met Al-Shabaab. Eiser behoort niet tot één van deze groepen personen. De rechtbank is gelet op dit alles met de minister van oordeel dat eiser zijn vrees dat Al-Shabaab naar hem persoonlijk op zoek is of zal zijn in Mogadishu niet aannemelijk gemaakt.
9.2.
De minister heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat eiser veilig van het vliegveld Aden Adde naar Moghadishu kan reizen. Eisers betoog dat de minister ten onrechte niet is ingegaan op de informatie uit het ambtsbericht van 2025 en de Country Guidance van 2 oktober 2025 van de EUAA, faalt. De rechtbank stelt vast dat in de Country Guidance van 2025 en het ambtsbericht van 2025 staat aangegeven dat Al Shabaab soms tot op 10 km van de hoofdstad weet door te dringen. Nu echter Aden Adde International Airport maar 5 à 6 kilometer van het centrum van Mogadishu ligt, volgt hieruit voldoende dat eiser Mogadishu veilig kan bereiken. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht onvoldoende aanknopingspunten voor het tegendeel.
9.3.
Ook eisers beroepsgrond dat de minister ten onrechte heeft aangenomen dat van eiser redelijkerwijs verwacht kan worden dat hij zich in Mogadishu vestigt, en daarbij onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het feit dat eiser tot de onbeschermde minderheidsgroep van de [naam 4] behoort en geen sociaal vangnet heeft in Mogadishu, slaagt niet. De minister heeft terecht aangenomen dat eiser een hoger opgeleide jonge man is die zelfs ook in [plaats] werk had gevonden terwijl hij ook daar volgens zijn eigen verklaringen te maken had gehad met discriminatie. Het is gelet daarop te verwachten dat eiser ook in Mogadishu werk zal vinden. Bovendien zal eiser, ook al zou hij in Mogadishu tot een minderheidsclan behoren, aldaar steun kunnen vinden. Eiser heeft immers zelf verklaard enige tijd in Mogadishu te hebben verbleven en daarbij steun van een oom of een andere clanverwant te hebben gehad. Ook merkt de minister terecht op dat eiser voor zijn vertrek uit Mogadishu in de wijk [naam 5] heeft verbleven waar mensen van verschillende clans en minderheidsgroepen woonachtig zijn.
Conclusie en gevolgen
10. De beroepsgronden slagen niet. Ook ambtshalve oordelend komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudominiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Vreemdelingencirculaire 2000.
European Union Agency for Asylum.
Paragraaf C7/30.4.2 van de Vc 2000.
Pagina 86 van het rapport.
Richtlijn 2011/95/EU.
Algemeen ambtsbericht Somalië van april 2025, pagina 33.