Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:3262

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, omdat bij eerdere uitspraak van 5 februari 2026 het beroep gegrond is verklaard.

Rechtbank Den Haag 20 February 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:3262 text/xml public 2026-02-20T18:00:23 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-19 NL25.39075 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3262 text/html public 2026-02-19T14:42:03 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:3262 Rechtbank Den Haag , 19-02-2026 / NL25.39075
Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, omdat bij eerdere uitspraak van 5 februari 2026 het beroep gegrond is verklaard.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.39075
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),

en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).
Procesverloop
1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van de beroepszaak NL25.39074, op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, S. Rezaie als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Bij mondelinge uitspraak van 5 februari 2026, zaaknummer NL25.39074, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep en dit gegrond verklaard. De gevraagde voorlopige voorziening is daarom niet meer mogelijk. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek daarom niet-ontvankelijk.
2.1.
De voorzieningenrechter ziet, gelet op de gegrondverklaring van het beroep, aanleiding om de minister te veroordelen in de door verzoeker gemaakte kosten voor de door een derde verleende rechtsbijstand. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak).
Beslissing
De voorzieningenrechter:

- verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens - Kleijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

19 februari 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel delen