ECLI:NL:RBGEL:2026:5200
text/xml
public
2026-07-02T11:58:19
2026-07-01
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Gelderland
2026-06-05
K/5004/11934461
Uitspraak
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Nijmegen
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5200
text/html
public
2026-07-02T11:53:51
2026-07-02
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBGEL:2026:5200 Rechtbank Gelderland , 05-06-2026 / K/5004/11934461
Ex-partners die onder bewind staan. Na splitsing bewind is er niet goed afgerekend. Toewijzing vordering tegen bewindvoerder q.q. en pro se.
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11934461 CV EXPL 25-2980
Vonnis van 5 juni 2026
in de zaak van
[naam eisend bewindvoerder]
,
te [woonplaats] ,
H.O.D.N. [bewindvoeringsbureau] , IN HAAR HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER OVER DE GOEDEREN VAN
[naam eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eisende bewindvoerder] en [de eiser] ,
gemachtigde: mr. B.N. Wolters,
toevoegingsnummer 2GU5618,
tegen
1QUADRANS B.V.,
te [woonplaats] ,
IN HAAR HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER OVER DE GROEDEREN VAN
[naam gedaagde]
,
te [woonplaats] ,2. QUADRANS B.V.,
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [de gedaagde] en Quadrans,
gemachtigde mr. J.W.J. Hopmans.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;- de conclusie van antwoord met producties;- de conclusie van repliek met producties;- de conclusie van dupliek met producties;- de akte uitlaten producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[de eiser] en [de gedaagde] zijn getrouwd geweest. Hun huwelijk is geëindigd door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op
[echtscheidingsdatum] .
2.2.
De goederen van partijen staan sinds 11 mei 2015 onder bewind. In het curatele- en bewindregister is het volgende genoteerd:
- als bewindvoerder van beide partijen vanaf die datum was benoemd de heer [oud bewindvoerder 1] .
- per 11 januari 2019 is deze ontslagen en is de heer [oud bewindvoerder 2] benoemd.
- per 3 december 2020 is mevrouw [oud bewindvoerder 3] benoemd en de heer [oud bewindvoerder 2] ontslagen.
- per 14 juli 2023 is Quadrans als bewindvoerder benoemd en mevrouw [oud bewindvoerder 3] ontslagen.
- per 1 december 2023 is als bewindvoerder voor [de eiser] [de eisende bewindvoerder] benoemd en Quadrans ontslagen.
3Het geschil
3.1.
[de eisende bewindvoerder] vordert, namens [de eiser] , na wijziging van eis, om bij uitvoer bij voorraad verklaard vonnis:
Quadrans als bewindvoerder van [de gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 4.809,20, althans een door de kantonrechter vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de incassokosten en de wettelijke rente vanaf 22 januari 2025;
Quadrans te veroordelen tot betaling van € 266,20, te vermeerderen met incassokosten van € 40,00 en de wettelijke rente vanaf 22 januari 2025;
[de gedaagde] en Quadrans hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en nakosten.
3.2.
Quadrans voert, mede namens [de gedaagde] , verweer. Quadrans concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eisende bewindvoerder] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eisende bewindvoerder] , met veroordeling van [de eisende bewindvoerder] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
[de eisende bewindvoerder] stelt dat Quadrans het bewind over de goederen van [de eiser] niet op alle punten goed heeft uitgevoerd Volgens haar heeft [de eiser] nog recht op een aantal bedragen, deels uit het vermogen van [de gedaagde] , deels rechtstreeks van Quadrans. Daarbij is de stelling dat Quadrans verantwoordelijk was voor de financiën van [de eiser] (en [de gedaagde] ) in de periode 2021 en 2022. De kantonrechter ziet in het curatele- en bewindregister dat in de relevante periode mevrouw [oud bewindvoerder 3] was benoemd. Partijen gaan er echter vanuit dat Quadrans als bewindvoerder verantwoordelijk was in deze periode. De kantonrechter vermoedt dat [oud bewindvoerder 3] eerst in persoon was benoemd en later via haar onderneming Quadrans. In de beoordeling wordt met partijen uitgegaan van Quadrans als verantwoordelijk bewindvoerder.
4.2.
Hierna worden de onderdelen van de vordering van [de eisende bewindvoerder] en [de eiser] besproken.
I. De verrekening van de toeslagen 2022
4.3.
[de eisende bewindvoerder] en [de eiser] stellen dat [de eiser] over de periode september tot en met december 2022 € 1.585,00 aan kindgebonden budget had moeten ontvangen, € 1.089,00 aan huurtoeslag en € 423,00 aan zorgtoeslag, dus in totaal € 3.097,00. Hij heeft echter niets van de Belastingdienst ontvangen. [de eisende bewindvoerder] en [de eiser] stellen dat dit bedrag in het vermogen van [de gedaagde] moet zijn gevloeid, terwijl het [de eiser] toekwam.
4.4.
Volgens Quadrans “werden door Quadrans alle huur- en zorgtoeslagen alsmede kindgebonden budget op correcte wijze verrekend, zulks voor zover [de eiser] daarop al aanspraak kon maken” en “Voor zover [de eiser] nog enige aanspraak had op toeslagen heeft hij deze door middel van nabetaling dan wel verrekening ontvangen”.
4.5.
Quadrans legt echter niet uit waaruit dit blijkt. [de eisende bewindvoerder] en [de eiser] hebben gemotiveerd en met stukken onderbouwd gesteld welke aanspraak [de eiser] had op toeslagen en gesteld dat uit hun administratie niet blijkt van de ontvangst van de bedragen. Het was dan aan Quadrans om, eveneens met verwijzing naar stukken, te stellen en te onderbouwen of de door [de eiser] gestelde aanspraak klopt en welke bedragen feitelijk zijn ontvangen en/of verrekend. Dit heeft zij echter nagelaten, zodat de stelling van [de eisende bewindvoerder] en [de eiser] wat betreft de aanspraak van [de eiser] en het uitblijven van ontvangst van de bedragen en de stelling dat de bedragen in het vermogen van [de gedaagde] moeten zijn gevloeid niet gemotiveerd is betwist. Dit leidt tot toewijzing van dit onderdeel van de vordering.
II. De teruggave IB 2021 en toeslagen 2021
4.6.
[de eisende bewindvoerder] en [de eiser] stellen dat in verband met de aangifte Inkomstenbelasting 2021 per saldo € 1.893,00 is ontvangen, zodat [de eiser] een bedrag van € 946,50 toekomt. Tegen deze vordering is geen kenbaar verweer gevoerd, zodat dit bedrag wordt toegewezen.
4.7.
Voorts zou [de eiser] over 2021 nog een bedrag aan toeslagen toekomen. Er is over dat jaar zowel een bedrag nagevorderd door de Belastingdienst als een bedrag nabetaald. [de eisende bewindvoerder] en [de eiser] maken aanspraak op de helft van het nabetaalde bedrag van € 1.202,00 (dus € 601,00) maar naar het oordeel van de kantonrechter moet hier van het saldo na naheffing worden uitgegaan. De naheffing bedroeg € 1.183,00 (€ 744,00 + € 439,00). Partijen hebben dus per saldo € 19,00 ontvangen, waarvan [de eiser] € 9,50 toekomt omdat niet gebleken is dat hij dit heeft ontvangen.
4.8.
[de eisende bewindvoerder] en [de eiser] noemen in de conclusie van repliek dat door [de eiser] een bedrag van € 594,00 aan de Belastingdienst is betaald in verband met de naheffing. Dit is in strijd met hun stelling in de dagvaarding dat de bedragen die moesten worden nabetaald volledig door [de gedaagde] zijn voldaan. Bovendien ziet de kantonrechter in het betalingsbewijs dat door [de eisende bewindvoerder] en [de eiser] is overgelegd dat het betalingskenmerk niet overeenkomt met het kenmerk van de relevante aanslag van de Belastingdienst (T.21.6.0373). De betaling door [de eiser] is gedaan onder een kenmerk dat doet vermoeden dat deze betaling op 2020 heeft gezien (T.20).
4.9.
Daarom wordt een bedrag van € 9,50 toegewezen.
III. Zorgpremie 2022
4.10.
[de eisende bewindvoerder] en [de eiser] stellen dat over september 2022 de premie zorgverzekering voor [de gedaagde] ten laste van [de eiser] is betaald. Dit is door Quadrans niet gemotiveerd betwist. Zoals met de gewijzigde eis ook is gevorderd, moet de helft hiervan, € 164,70, worden terugbetaald.
IV. Exitkosten
4.11.
Door Quadrans is een bedrag van € 266,20 bij [de eiser] in rekening gebracht in verband met de kosten voor het beëindigen van het bewind bij Quadrans. [de eiser] kwam, zo is niet in geschil, in aanmerking voor bijzondere bijstand waaruit dit bedrag aan hem kon worden vergoed. Dit bedrag is niet aangevraagd en de kantonrechter neemt op basis van de stellingen van partijen aan dat dit ook niet meer mogelijk is.
4.12.
Partijen twisten erover wie dit bedrag had moeten aanvragen. Naar het oordeel van de kantonrechter had het in elk geval op de weg van Quadrans als overdragend bewindvoerder gelegen om [de eisende bewindvoerder] erop te attenderen dat dit bedrag door Quadrans ten laste van het vermogen van [de eiser] was gebracht, dat [de eiser] in aanmerking kwam voor bijzondere bijstand en dat dit door Quadrans niet was aangevraagd. Dat dit tussen wal en schip is gevallen, komt naar het oordeel van de kantonrechter voor rekening en risico van Quadrans. Daarom wordt dit bedrag toegewezen.
Verrekening alimentatie
4.13.
Quadrans neemt stellingen in over kinderalimentatie die nog aan [de gedaagde] toekomt ten laste van [de eiser] . De kantonrechter begrijpt dat Quadrans in verband daarmee een bedrag wil verrekenen met de vordering van [de eisende bewindvoerder] en [de eiser] . Echter is de gegrondheid van het beroep op verrekening van Quadrans en [de gedaagde] niet op eenvoudige wijze vast te stellen. [de eisende bewindvoerder] van [de eiser] hebben namelijk onweersproken gesteld dat bij de rechtbank een procedure aanhangig is waarin de hoogte van de alimentatie (met terugwerkende kracht) ter discussie is gesteld. Het is dus de vraag of, en zo ja welke, aanspraak van [de gedaagde] uit dien hoofde resteert. Dit verweer wordt daarom gepasseerd.
Slotsom
4.14.
Quadrans moet in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [de gedaagde] aan [de eisende bewindvoerder] (voor [de eiser] ) € 4.217,70 (€ 3.097,00 + € 946,50 + € 9,50 + € 164,70) betalen. Uit haar eigen vermogen moet Quadrans € 266,20 aan [de eisende bewindvoerder] (voor [de eiser] ) betalen. De ingangsdatum van de wettelijke rente is niet betwist, zodat de vordering op dat punt wordt toegewezen.
Buitengerechtelijke kosten
4.15.
Het in totaal aan buitengerechtelijke kosten gevorderde bedrag € 645,92 (€ 605,92 tegen Quadrans q.q. en € 40,00 tegen Quadrans pro se) is hoger dan het op grond van de redelijke tarieven voor de totale hoofdsom toegestane bedrag (€ 573,39). Er heeft aanmaning en discussie buiten rechte plaatsgevonden over de gehele vordering ineens, waarbij separate aanmaning ook redelijkerwijs niet nodig was. De kantonrechter wijst daarom een bedrag van € 573,39 toe, waarvan € 40,00 tegen Quadrans pro se zal worden toegewezen.
Proceskosten
4.16.
Quadrans wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Tegen de gevorderde hoofdelijke veroordeling in één bedrag aan proceskosten is geen verweer gevoerd. Omdat [de eisende bewindvoerder] en [de eiser] hebben geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Quadrans niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [de eisende bewindvoerder] en [de eiser] worden begroot op:
- griffierecht
€
90,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2,5 punten × € 288,00)
- nakosten
€
144,00
Totaal
€
954,00
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt Quadrans q.q. om aan [de eisende bewindvoerder] q.q. te betalen een bedrag van € 4.751,09, waarvan een bedrag van € 4.217,70 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf 22 januari 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt Quadrans pro se om aan [de eisende bewindvoerder] q.q. te betalen een bedrag van € 306,20, waarvan een bedrag van € 266,20 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 22 januari 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt Quadrans, zowel q.q. als pro se hoofdelijk, in de proceskosten van € 954,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.
560
Conclusie van antwoord sub 7
Dagvaarding sub 32
Productie 34 bij de conclusie van repliek
Productie 27 bij dagvaarding
Artikel 6:136 BW