ECLI:NL:RBGEL:2026:5231
Beroep gegrond, voorlopige voorziening, Participatiewet, gezamenlijke huishouding, zorgbehoefte, uitzondering op grond van artikel 3, tweede lid, onder a, van de Pw, begin van bewijs zorgbehoefte door eiser geleverd, verweerder moet verder onderzoek doen als zorgbehoefte wordt betwist.
Rechtbank Gelderland 8 July 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:5231
text/xml
public
2026-07-08T17:00:24
2026-07-02
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Gelderland
2026-07-02
26/2579 en 26/2575
Uitspraak
Voorlopige voorziening
NL
Arnhem
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5231
text/html
public
2026-07-06T07:56:40
2026-07-08
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBGEL:2026:5231 Rechtbank Gelderland , 02-07-2026 / 26/2579 en 26/2575
Beroep gegrond, voorlopige voorziening, Participatiewet, gezamenlijke huishouding, zorgbehoefte, uitzondering op grond van artikel 3, tweede lid, onder a, van de Pw, begin van bewijs zorgbehoefte door eiser geleverd, verweerder moet verder onderzoek doen als zorgbehoefte wordt betwist.
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/2579 en 26/2575
uitspraak van de voorzieningenrechter van
op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Noorlander),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen
(gemachtigde: M.C. Riemersma ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om het recht op een Participatiewet (Pw) uitkering van eiser met ingang van 2 oktober 2025 in te trekken. Bij beslissing op bezwaar van 21 april 2026 is het besluit in stand gelaten en is het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Hij voert daartoe een aantal gronden aan. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiser daartegen.
1.1.
De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Omdat het beroep gegrond is, is er geen reden een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, schorst de voorzieningenrechter het besluit van 25 februari 2026, zulks tot zes weken nadat op het bezwaar van eiser opnieuw is beslist.
Procesverloop
2. Eiser ontvangt sinds 6 april 2010 een uitkering op grond van de Pw naar de norm van een alleenstaande. Hij is al enkele jaren mantelzorger voor zijn ex-vriendin, mevrouw [ex-vriendin] (hierna: [ex-vriendin] ). Omdat eiser meerdere momenten per week bij [ex-vriendin] verblijft, heeft de gemeente Zutphen aanleiding gezien om een onderzoek in te stellen.
2.1.
Bij besluit van 20 oktober 2025 heeft het college het recht op bijstand met ingang van 2 oktober 2025 ingetrokken, omdat eiser volgens het college niet heeft voldaan aan de op hem rustende medewerkingsverplichting.
Hij heeft geen bankafschriften verstrekt en geen gehoor gegeven aan uitnodigingen in verband met een onderzoek naar zijn woon- en leefsituatie.
2.2.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.3.
De door eiser verstrekte bankafschriften en het onderzoek naar de woon- en leefsituatie van eiser hebben geleid tot een herzien primair besluit. Dit betreft het besluit van 25 februari 2026. Hierop is artikel 6:19 Awb van toepassing. Het college heeft het bezwaar tegen het besluit van 20 oktober 2025 niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit besluit is vervangen door het besluit van 25 februari 2026 en eiser geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het besluit van
20 oktober 2025.
2.4.
Bij beslissing op bezwaar van 16 maart 2026 is het besluit van 25 februari 2026 in stand gelaten met verbetering van de motivering. Volgens het college heeft eiser zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres maar bij [ex-vriendin] . Eiser zou mantelzorg aan haar verlenen, maar volgens het college is niet gebleken dat het gaat om een intensieve zorgbehoefte.
2.5.
Eiser heeft beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Toetsingskader
3. Op grond van artikel 3, tweede lid, onder a, van de Pw, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de eerste graad of indien er sprake is van een zorgbehoefte van of verleend door een bijstandsgerechtigde die de aanleiding vormt om samen te wonen, ongeacht of er sprake is van bloedverwantschap, gedurende de periode dat die zorg wordt verleend.
Intrekking uitkering
4. Eiser ontkent niet dat hij zijn hoofdverblijf bij [ex-vriendin] heeft en dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Hij stelt echter dat de zorgbehoefte van [ex-vriendin] de aanleiding is om samen te wonen, zodat hij op grond van artikel 3, tweede lid, onder a, van de Pw niet als gehuwd of als echtgenoot moet worden aangemerkt. Eiser is mantelzorger voor [ex-vriendin] . Bij [ex-vriendin] is sprake van een zorgbehoefte en eiser verleent de benodigde zorg. Gelet op deze intensieve zorgbehoefte, kan eiser bij [ex-vriendin] wonen zonder dat dit invloed heeft op zijn recht op uitkering.
4.1.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser samenwoont met [ex-vriendin] . Wel is in geschil of er bij [ex-vriendin] sprake is van een zorgbehoefte als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw. Het college stelt dat nader onderzoek niet nodig is omdat eiser onvoldoende bewijs voor een zorgbehoefte heeft aangeleverd. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij het bestaan van de zorgbehoefte voldoende aannemelijk heeft gemaakt en dat het op de weg ligt van het college om nader onderzoek te doen als het college zich op het standpunt stelt dat er geen sprake is van een zodanig intensieve zorgbehoefte.
4.2.
Uit vaste rechtspraak volgt dat het aan de personen is, die zich op deze in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw, genoemde uitzondering beroepen, om de feiten en omstandigheden, aannemelijk te maken, waaruit volgt dat deze uitzondering van toepassing is. Omdat eiser zich beroept op een uitzondering, ligt het op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat hij mantelzorg moet verlenen aan een zorgbehoeftige.
4.3.
Verder volgt uit vaste rechtspraak dat als zorgbehoeftig wordt beschouwd de persoon die door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke of geestelijke stoornis in aanmerking komt voor een opname in een Wlz-instelling of duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen, of op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen.
4.4.
Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling stukken over [ex-vriendin] overgelegd, zoals een brief van de psychiater, de huisarts en het WMO team. Uit deze stukken blijkt dat er bij [ex-vriendin] sprake is van medische beperkingen die leiden tot een bepaalde zorg- of toezichtbehoefte. Met deze stukken heeft eiser naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een zorgbehoefte bij [ex-vriendin] . Als het college betwist dat sprake is van een zorgbehoefte ligt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van het college om nader onderzoek te doen en het standpunt te onderbouwen. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat het voor eiser niet eenvoudig is om aan te tonen dat [ex-vriendin] een intensieve zorgbehoefte heeft. Hij heeft er ter zitting terecht op gewezen dat behandelaren op grond van richtlijnen van het Koninklijk Nederlands Medisch Genootschap terughoudend zijn met het verstrekken van informatie aan niet-professionele derden. Het college bezit meer mogelijkheden tot het verrichten van onderzoek. Eiser verwijst daarbij terecht op de volgende passage uit de Memorie van Toelichting van de wet Participatiewet in Balans: “De gemeente kan uiteraard ook een onafhankelijke derde/externe sociaal-medische adviseur inzetten. In dat geval is het dan aan de gemeente om in deze specialist te voorzien. Hiermee wil de regering voorkomen dat de mantelzorger of de mantelzorgbehoevende met deze taak worden belast.” Het betoog van eiser slaagt.
4.5.
Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat eiser op zitting heeft gesteld dat [ex-vriendin] bereid is mee te werken aan dit onderzoek. Mocht om wat voor reden dan ook [ex-vriendin] bij nader inzien niet willen meewerken aan het onderzoek door het college, komt dat voor rekening en risico van eiser.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat het beroep gegrond is, is er geen reden een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek wordt afgewezen.
5.1.
De voorzieningenrechter ziet geen reden om de rechtsgevolgen van besluit in stand te laten of zelf een beslissing over te nemen. De voorzieningenrechter bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarnaast ziet de voorzieningenrechter, met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, aanleiding het besluit van 25 februari 2026 te schorsen tot zes weken nadat op het bezwaar van eiser opnieuw is beslist.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht (2 x € 54,-) aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- schorst het besluit van 25 februari 2026, zulks tot zes weken nadat op het bezwaar van eiser opnieuw is beslist;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 108,- (2 x € 54,-) aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van beroep van 15 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2201 en van 17 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1115.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4487.
Kamerstukken II, 2023-2024, 36 582 nr. 3 p. 98.