Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBGEL:2026:5771

De militaire kamer veroordeelt verdachte wegens zware mishandeling tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. Toewijzing vordering van de benadeelde partij. Militair.

Rechtbank Gelderland 27 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBGEL:2026:5771 text/xml public 2026-07-27T11:56:15 2026-07-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-03-02 05-059699-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5771 text/html public 2026-07-21T09:24:27 2026-07-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:5771 Rechtbank Gelderland , 02-03-2026 / 05-059699-25
De militaire kamer veroordeelt verdachte wegens zware mishandeling tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. Toewijzing vordering van de benadeelde partij. Militair.

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/059699-25

Datum uitspraak : 2 maart 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige militaire kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] in [woonplaats] .

Raadsvrouw: mr. B.G.T. Fromm, advocaat in Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 augustus 2024 te Stavanger, althans in Noorwegen aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten één of meer snijwond(en) in het gezicht en/of de (rechter)hand, welke naar verwachting één of meer blijvend(e) ontsierend(e) litteken(s) zal/zullen opleveren en/of (blijvend) extensorletsel/peesletsel aan een vinger heeft toegebracht, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een (vol) bierglas/bierpul (leeg ongeveer 647,7 gram) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd en/of de hand te slaan en/of te stompen en/of te stoten;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 augustus 2024 te Stavanger, althans in Noorwegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal met een (vol) bierglas/bierpul (leeg ongeveer 647,7 gram) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd van die [slachtoffer] en/of de hand van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt en/of gestoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 augustus 2024 te Stavanger, althans in Noorwegen, [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een (vol) bierglas/bierpul (leeg ongeveer 647,7 gram) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd en/of de hand te slaan en/of te stompen en/of te stoten;, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel (één of meer snijwond(en) in het gezicht en/of de (rechter)hand, welke naar verwachting één of meer blijvend(e) ontsierend(e) litteken(s) zal/zullen opleveren en/of (blijvend) extensorletsel/peesletsel aan een vinger) ten gevolge had;

meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 augustus 2024 te Stavanger, althans Noorwegen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig meermalen, althans eenmaal met een (vol) bierglas/bierpul (leeg ongeveer 647,7 gram) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd van die [slachtoffer] en/of de hand van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt en/of gestoten, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten één of meer snijwond(en) in het gezicht en/of de (rechter)hand, welke naar verwachting één of meer blijvend(e) ontsierend(e) litteken(s) zal/zullen opleveren en/of (blijvend) extensorletsel/peesletsel aan een vinger, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meer subsidiair tenlastegelegde.

Hoewel het slaan met een volle bierpul een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert, handelde verdachte in een reflex en heeft hij deze kans dus niet bewust aanvaard. Daarom moet verdachte worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Het letsel van [slachtoffer] kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel en verdachte heeft dit letsel ook veroorzaakt. Er is dus geen sprake van een poging, maar van een voltooid delict. Daarom moet verdachte worden vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde.

Verdachte heeft [slachtoffer] met kracht een klap in diens gezicht gegeven, terwijl verdachte een bierpul in zijn hand had. Hierdoor is het glas kapot gesprongen en heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Dat maakt dat het meer subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Verder heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een noodweersituatie.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft erkend dat hij [slachtoffer] geslagen heeft, maar was zich daarbij niet bewust van de bierpul in zijn hand. Hij had dus niet het opzet hem daarmee te slaan. Er is geen sprake van zwaar lichamelijk letsel, dan wel opzet op het toebrengen daarvan.

Beoordeling door de militaire kamer

De bewijsmiddelen

Verdachte heeft verklaard dat hij op 23 augustus 2024 in de [bar] in Stavanger (Noorwegen) was. Hij heeft [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) geslagen. Op dat moment had verdachte een volle bierpul in de hand waarmee hij sloeg. Verdachte had de bierpul gekregen toen hij de [bar] binnenkwam. Dit betrof een bierpul van 0,5 liter van ongeveer 15 centimeter hoog en 8 centimeter in doorsnee, met een gewicht van 647,7 gram.

[slachtoffer] is na het incident naar de spoedeisende hulp gebracht. Hij had een grote Y-vormige snijwond op zijn hoofd, waarvoor in totaal 15 hechtingen nodig waren, en een wond onder zijn linkeroogkas. Ook had hij een snijwond van zeven centimeter op de bovenkant van de rechterhand/-pols, waarvoor in totaal 11 hechtingen nodig waren. De extensorpees van de rechtermiddelvinger was beschadigd. Deze was namelijk afgescheurd. Hieraan is hij op 27 augustus 2024 geopereerd, waarna hij is doorverwezen voor handtherapie.

Op de terechtzitting van 16 februari 2026 heeft de militaire kamer kunnen waarnemen dat [slachtoffer] nog steeds niet de volledige mobiliteit van zijn rechterhand terug heeft, want hij kan deze niet naar achteren bewegen. Op de rechterhand, bij de aanhechting van de pols, zit over de breedte een ‘sleuf’ van bijna zes tot zeven centimeter breed. Dit is een deukend litteken dat donkerder gekleurd is dan zijn eigen huidskleur. Daarnaast is een Y-vormig litteken zichtbaar op zijn voorhoofd, boven zijn rechteroog. Er zijn ook littekens zichtbaar boven en onder zijn linkeroog.

De camerabeelden van de [bar] zijn uitgekeken. Om 22:50:22 uur begroetten verdachte en [slachtoffer] elkaar. Om 22:50:43 uur is zichtbaar dat verdachte een groot glas met daarin een vloeistof vast heeft in zijn rechterhand. Het glas is nagenoeg gevuld. Om 22:50:47 uur maakt verdachte met zijn rechterhand een slaande beweging in de richting van het hoofd van [slachtoffer] , die hierdoor wordt geraakt. Toen diens hoofd werd geraakt, zag de verbalisant dat er vloeistof, vermoedelijk uit het bierglas, door de lucht vloog.

[getuige 1] , een medewerker van de [bar] , heeft verklaard dat hij uit het niets zag dat een glas het hoofd van het slachtoffer (de militaire kamer begrijpt: [slachtoffer] ) raakte, nadat de verdachte ermee sloeg. Er werd geslagen met een vrij stevige bierpul, die in duizend stukjes uiteenspatte toen ermee geslagen werd.

[getuige 2] , een collega van verdachte en [slachtoffer] , heeft verklaard dat ze zag dat verdachte [slachtoffer] in zijn gezicht sloeg met wat [getuige 2] aanduidt als “een flesje”. Verdachte pakte zijn flesje, alsof hij waterpolo/handbal speelde, recht in het gezicht van [slachtoffer] .

De aard van het letsel van aangever

Verdachte heeft letsel toegebracht aan [slachtoffer] , te weten een grote Y-vormige snijwond op zijn hoofd, waarvoor in totaal 15 hechtingen nodig waren, en een snijwond van zeven centimeter op zijn rechterhand, waarvoor in totaal 11 hechtingen nodig waren.

Op de terechtzitting, anderhalf jaar na het incident, heeft de militaire kamer kunnen zien dat er bij deze wonden inmiddels littekenvorming heeft plaatsgevonden. Het gaat om meerdere zichtbare littekens met diepte in het gezicht en een lang en diep litteken op een zichtbaar deel van de hand, waardoor het lichaam ernstig wordt ontsierd.

Verder heeft verdachte de extensor-pees van de rechtermiddelvinger van [slachtoffer] zodanig beschadigd dat deze is afgescheurd. Hoewel [slachtoffer] hiervoor een operatie heeft ondergaan, heeft zijn hand nog steeds niet dezelfde mobiliteit als vóór het incident. Ook na medisch ingrijpen en inmiddels anderhalf jaar verder is deze beperking nog steeds aanwezig, terwijl er nog geen uitzicht is op volledig herstel.

De militaire kamer is dan ook van oordeel dat de littekens en het letsel aan de extensorpees zwaar lichamelijk letsel zijn.

Het opzet van verdachte

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het hard in het gezicht slaan met een gevulde bierpul, die leeg al 647,7 gram weegt, met een inhoud van ongeveer een halve liter tot gevolg kan hebben dat het glas zal breken in het gezicht en dat dit zwaar lichamelijk letsel – bijvoorbeeld een ontsierend litteken – op kan leveren. De kans op zwaar lichamelijk letsel is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten.

Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte voornoemde aanmerkelijke kans niet bewust heeft aanvaard, omdat hij zich, op het moment dat hij [slachtoffer] sloeg, niet bewust was van de bierpul in zijn hand.

Verdachte heeft verklaard dat hij de bierpul inclusief inhoud kreeg toen hij de [bar] binnen kwam. Het betreft voorts een glas van 647,7 gram met een inhoud van een halve liter. Het gewicht van het glas en de inhoud daarvan moeten samen dus meer dan een kilo hebben bedragen. Het is dan ook slecht denkbaar dat iemand zich van de aanwezigheid van zo’n glas niet bewust is.

Over de wijze waarop verdachte heeft geslagen, zegt een getuige dat het eruit zag alsof verdachte waterpolo/handbal speelde. De militaire kamer heeft op verzoek van de verdediging de camerabeelden in raadkamer bekeken en daarop gezien dat verdachte vol uithaalt met zijn gestrekte arm, terwijl hij de bierpul in zijn hand heeft. Onder de genoemde omstandigheden ziet de militaire kamer hier geen onbewuste reflex, zoals door de verdediging is bepleit.

De militaire kamer is dan ook van oordeel dat de gedragingen van verdachte, met een gevulde glazen bierpul in zijn hand vol uithalen richting het hoofd van [slachtoffer] , naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de militaire kamer niet gebleken.

De militaire kamer is van oordeel dat verdachte opzet in voorwaardelijke zin had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] .

Conclusie

De militaire kamer is van oordeel dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 23 augustus 2024 te Stavanger, althans in Noorwegen aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten één of meer snijwond(en) in het gezicht en/of de (rechter)hand, welke naar verwachting één of meer blijvend(e) ontsierend(e) litteken(s) zal/zullen opleveren en/of (blijvend) extensorletsel/peesletsel aan een vinger heeft toegebracht, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een (vol) bierglas/bierpul (leeg ongeveer 647,7 gram) op/tegen/in het gezicht, althans het hoofd en/of de hand te slaan en/of te stompen en/of te stoten;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:

primair:

zware mishandeling.
5De strafbaarheid van het feit
Het beroep op noodweer

De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweer: verdachte heeft [slachtoffer] geslagen, omdat verdachte zich fysiek beperkt en bedreigd voelde door [slachtoffer] , die hem vasthield, een kopstoot gaf en sloeg.

Op de camerabeelden is om 22:50:25 uur te zien dat [slachtoffer] de borst van verdachte aanraakt. Om 22:50:26 uur doet verdachte dit ook bij [slachtoffer] . Vervolgens houden verdachte en [slachtoffer] elkaar vast en ze knijpen elkaar in de borst. Om 22:50:41 uur houden verdachte en [slachtoffer] elkaar nog steeds vast. Verdachte loopt achteruit. [slachtoffer] loopt met hem mee. Ze houden elkaar nog steeds vast.

Om 22:50:43 uur maakt verdachte met zijn hoofd een kopstootbeweging in de richting van het hoofd van [slachtoffer] . Om 22:50:44 uur maakt [slachtoffer] een kopstootbeweging in de richting van het hoofd van verdachte.

Om 22:50:45 uur maakt [slachtoffer] een slaande beweging in de richting van het hoofd van verdachte. Om 22:50:46 uur maakt verdachte met zijn linkerhand een slaande beweging in de richting van het hoofd van [slachtoffer] . Om 22:50:47 uur maakt verdachte met zijn rechterhand een slaande beweging richting het hoofd van [slachtoffer] . Om 22:50:49 wordt verdachte de [bar] uitgezet.

Op basis hiervan constateert de militaire kamer dat de situatie tot de kopstoot van verdachte het best kan worden getypeerd als een “vriendschappelijk stoeipartijtje”. Daarbij weegt de militaire kamer mee dat verdachte heeft verklaard dat een ‘nipple twist’, dus elkaar in de tepels knijpen, normaal was aan boord van het schip waarop zowel verdachte als [slachtoffer] werkten. Dat de sfeer ineens omslaat en dreigend wordt, althans tot aan het moment dat verdachte een kopstootbeweging maakt, zoals door de verdediging is aangevoerd, vindt geen steun in het dossier en ziet de militaire kamer niet terug op de camerabeelden.

Op het moment dat verdachte om 22:50:43 uur voor het eerst geweld gebruikt op een manier die serieus en niet meer vriendschappelijk overkomt, door een kopstootbeweging te maken, was er dus geen sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Het is juist verdachte die escaleert in het gebruik van geweld. Hij is de eerste die van knijpen en elkaar vasthouden overgaat naar het geven van een kopstoot. Daarna gaat hij van kopstoot- en slaande bewegingen over naar vol uithalen met een zware bierpul gevuld met bier. Vanaf het moment dat verdachte als eerste een kopstootbeweging maakt, merkt de militaire kamer zijn handelen – naar de kern bezien – aan als aanvallend.

De militaire kamer verwerpt dan ook het beroep op noodweer omdat geen sprake was van een noodweersituatie waarin verdachte werd aangevallen.

Het feit is strafbaar.
6De strafbaarheid van de verdachte
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte strafbaar is. Er kan geen geslaagd beroep op noodweerexces worden gedaan, omdat er geen sprake was van een noodweersituatie en verdachte ook niet heeft voldaan aan de subsidiariteitseis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte een beroep op noodweerexces toekomt. Verdachte ervaarde pijn, gevolgd door een kopstoot en een klap. Dit veroorzaakte een onmiddellijke en hevige gemoedsbeweging. Verdachte handelde vanuit schrik, pijn en instinct, volledig ingegeven door de directe aanval en de noodzaak zichzelf te verdedigen.

De beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer heeft hiervoor geoordeeld dat geen sprake was van een noodweersituatie. Alleen al om die reden kan het beroep op noodweerexces niet slagen.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld voor het meer subsidiaire feit tot een taakstraf van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de militaire kamer verzocht om bij een eventuele strafoplegging de zogenoemde VGB-grens niet te overschrijden.

De beoordeling door de militaire kamer

De militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De ernst van het feit

Verdachte heeft het slachtoffer, een collega, tijdens het uitgaan zwaar mishandeld door hem in de [bar] in Stavanger met een volle, zware bierpul in het gezicht te slaan, ‘alsof hij waterpolo/handbal speelde’, aldus een getuige. Hierdoor heeft het slachtoffer letsel opgelopen dat hij de rest van zijn leven met zich zal meedragen, bestaande uit zichtbare en ontsierende littekens in zijn gezicht en op zijn hand en een peesbeschadiging, waardoor hij minder mobiliteit heeft in zijn hand. Het slachtoffer wordt dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van het handelen van verdachte, bijvoorbeeld als hij in de spiegel kijkt of als mensen hem vragen hoe hij aan de littekens komt. Verder heeft het slachtoffer door het incident PTSS opgelopen, waarvoor hij EMDR-therapie moest ondergaan.

Daarbij komt dat zowel verdachte als het slachtoffer als militair werkzaam waren op hetzelfde schip. Zij waren in Noorwegen in het kader van hun werk. Verdachte heeft het vertrouwen dat het slachtoffer als collega in hem mocht hebben ernstig geschaad. Verdachte heeft een stoeipartijtje volledig laten escaleren, wat leidde tot een volstrekt ongerechtvaardigde geweldsexplosie vanuit zijn kant. Dit gedrag is een militair onwaardig.

Daarnaast heeft verdachte het delict gepleegd op zaterdagnacht, midden in een drukbezochte horecagelegenheid. Daardoor waren er veel mensen getuige van een heftig incident dat tot ernstig letsel heeft geleid. Daarbij denkt de militaire kamer niet alleen aan mensen die de mishandeling zelf hebben zien gebeuren, maar ook aan mensen die buiten op straat zijn geconfronteerd met het letsel van het slachtoffer of het bloedspoor dat van het slachtoffer terug naar de bar liep. Dat veroorzaakt gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Verder straalt dit gedrag bijzonder slecht af op Defensie, juist omdat op dat moment de Koninklijke Marine presentie gaf in een buitenlandse haven.

Tot slot constateert de militaire kamer dat verdachte vanaf zijn verhoor door de Noorse politie tot aan de terechtzitting geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn excessieve handelen, maar vooral naar het slachtoffer wijst door vast te blijven houden aan zijn verklaring dat het slachtoffer hem fysiek beperkte en bedreigde en hij zich dus moest verdedigen. Daarnaast heeft verdachte geen enkele moeite gedaan om contact op te nemen met het slachtoffer die ook nog eens zijn collega was op hetzelfde schip, terwijl die dat juist op prijs had gesteld en dit ook makkelijk had gekund.

De persoon en persoonlijke omstandigheden

Verdachte heeft een blanco strafblad.

Reclassering Nederland heeft op 9 februari 2026 een advies over verdachte uitgebracht. Volgens de reclassering neemt verdachte enerzijds zijn verantwoordelijkheid en ziet de reclassering gevoelens van schuld en schaamte bij hem, maar legt verdachte anderzijds de schuld voor zijn delictgedrag bij het slachtoffer en vindt verdachte het onterecht dat Defensie niet naar het aandeel van het slachtoffer heeft gekeken.

De reclassering ziet geen aanwijzingen voor (structurele) agressieproblematiek, maar heeft juist het idee dat verdachte doorgaans mild en vriendelijk is. Als gevolg van onderhavig feit heeft Defensie verdachte ongeveer anderhalf jaar geschorst. Hij heeft recent te horen gekregen dat hij weer aan het werk kan. Verdachte heeft op eigen initiatief hulp gezocht toen hij zich tijdens de schorsing somber voelde. Hij heeft geen contact meer gehad met het slachtoffer sinds het incident.

Verdachte heeft zijn leven momenteel op orde. De reclassering ziet geen problemen op de verschillende leefgebieden. Zijn partner lijkt een steunende en beschermende factor te zijn. De reclassering ziet geen aanknopingspunten voor het adviseren van een gedragsinterventie.

De reclassering schat vanuit haar professionele oordeel de kans op recidive, letsel en onttrekking aan voorwaarden in als laag.

In het geval de militaire kamer tot een veroordeling komt, adviseert de reclassering de oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden.

Conclusie

De militaire kamer komt tot een andere bewezenverklaring en kwalificatie dan de officier van justitie. Daarom zal zij een hogere taakstraf opleggen dan geëist. Daarnaast baart het de militaire kamer ernstig zorgen dat verdachte zonder een duidelijke aanleiding uit het niets zeer excessief geweld heeft gebruikt. De militaire kamer vindt daarom ook een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats als stok achter de deur. Dit sluit ook meer aan bij de LOVS-oriëntatiepunten.

De militaire kamer legt aan verdachte op een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

De militaire kamer beseft dat de oplegging van een straf van deze omvang gelet op het VGB-beleid van Defensie kan leiden tot intrekking van de VGB van verdachte en uiteindelijk tot zijn ontslag. Hieraan is in dit geval evenwel geen doorslaggevend gewicht in het voordeel van verdachte toegekend, omdat de militaire kamer van oordeel is dat de ernst van het gepleegde feit een straf rechtvaardigt die nu eenmaal gevolg kan hebben voor de VGB van verdachte. De militaire kamer heeft hierbij betrokken dat de oplegging van een hogere straf niet meer automatisch leidt tot intrekking van de VGB, maar een eigen bestuursrechtelijke beoordeling vergt waarbij rekening wordt gehouden met alle specifieke omstandigheden van het geval.
8De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 742,29 aan materiële schade en € 9.000,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de gevorderde reiskosten bij Defensie hadden kunnen worden gedeclareerd en dat de gevorderde immateriële schade moet worden gematigd.

De beoordeling door de militaire kamer

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor.

De militaire kamer overweegt ten aanzien van de reiskosten dat het niet verplicht is om hiervoor een dienstreis aan te vragen. Dat een dienstreis mogelijk was geweest, is niet hetzelfde als een schadebeperkingsplicht, omdat het aanvragen van een dienstreis de schade enkel verplaatst naar Defensie. Het is aan de benadeelde partij om te kiezen waar hij de kosten neerlegt.

Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Daarom is de militaire kamer van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade kan worden toegewezen.

Smartengeld

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de militaire kamer vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen meerdere van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.

Door het feit heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel in de vorm van meerdere ontsierende littekens in het gezicht en op de rechterhand, evenals een beschadigde extensor-pees, en geestelijk letsel in de vorm van een posttraumatische stressstoornis opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De militaire kamer houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 9.000,- vaststellen.

Wettelijke rente

Verdachte is vanaf 23 augustus 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

Schadevergoedingsmaatregel

De militaire kamer ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
9De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
10De beslissing
De militaire kamer:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden;

 bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt verdachte in verband met het primaire feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 742,29 aan materiële schade en € 9.000,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 724,29 aan materiële schade en € 9.000,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 73 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.H. Pennings (voorzitter) en mr. L.M. Vogel, rechters, en Kolonel mr. M. Hoedeman, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 maart 2026.

mr. M.M. Aalbers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de Koninklijke Marechaussee, Landelijk Tactisch Commando, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 27RAW0RTH/27CAB240003, gesloten op 18 februari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

Verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 16 februari 2026.

PV van onderzoek plaats delict [bar] , p. 50.

PV – transport naar Stavanger Universitetssykehus en behandeling van letsel, p. 48 en een geschrift, te weten een medisch journaal t.a.v. [slachtoffer] , p. 69-70 en 72.

Een geschrift, te weten een brief van plastisch chirurg dr. M. Hameeteman, p. 11 en een geschrift, te weten een brief van plastisch chirurg dr. [arts] , p. 12.

Eigen waarneming van de militaire kamer, gedaan op de terechtzitting van 16 februari 2026.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 1-2 (aanvullend).

Verhoor van getuige [getuige 1] , p. 79.

Verhoor van getuige [getuige 2] , p. 84.

Artikel delen