Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBLIM:2026:2725

De korpschef mocht de verleende toestemming aan eiser om hem beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten intrekken. Eiser wordt verdacht van heling en van het bezit van lachgas. Ook oordeelt de rechtbank dat het bestreden besluit en de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 niet in strijd zijn met de onschuldpresumptie. Beroep ongegrond.

Rechtbank Limburg 26 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBLIM:2026:2725 text/xml public 2026-05-26T18:04:37 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-03-23 ROE 24/3860 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Roermond Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:2725 text/html public 2026-05-26T18:03:52 2026-05-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:2725 Rechtbank Limburg , 23-03-2026 / ROE 24/3860
De korpschef mocht de verleende toestemming aan eiser om hem beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten intrekken. Eiser wordt verdacht van heling en van het bezit van lachgas. Ook oordeelt de rechtbank dat het bestreden besluit en de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 niet in strijd zijn met de onschuldpresumptie. Beroep ongegrond.
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 24/3860
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. H.J. Veen),

en
de korpschef van politie
(gemachtigden: mr. S.A.J. Wezendonk en mr. A.H. de Witt).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de ten behoeve van eiser aan twee beveiligingsorganisaties verleende toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. De korpschef heeft deze toestemming ingetrokken omdat eiser niet langer beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is voor het verrichten van dit werk. Eiser is het niet eens met deze intrekking en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de korpschef de toestemming heeft mogen intrekken.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef zich redelijkerwijs op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser onvoldoende betrouwbaar is om werkzaamheden te verrichten voor een beveiligingsorganisatie en dat hij de toestemming mocht intrekken. Ook oordeelt de rechtbank dat de intrekking niet onevenredig is. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De korpschef heeft op 15 maart 2024 de toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden ingetrokken.
2.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de intrekking en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft op 28 april 2024 het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
2.2.
De korpschef is met zijn beslissing op bezwaar van 9 juli 2024 (het bestreden besluit) bij de intrekking gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de korpschef.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?

3. De korpschef heeft ten behoeve van eiser op 28 maart 2023 en 12 juni 2023 aan twee beveiligingsorganisaties toestemming verleend om beveiligingswerkzaamheden te verrichten zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr).
3.1.
Uit de politiesystemen die de korpschef ter beschikking staan is gebleken dat eiser op 22 februari 2024 als verdachte is aangehouden. Uit het mutatierapport en de (processen-verbaal van) verhoren blijkt dat in een loods die aan eiser toebehoort twee aanhangers en kentekenplaten zijn aangetroffen die van diefstal afkomstig zijn. Daarnaast werd op de achterbank van een auto in de loods een doos met vijftien cilinders lachgas aangetroffen. Op basis van deze bevindingen wordt eiser verdacht van heling, en van het bezit van lachgas. Eiser is hiervoor gedagvaard door het Openbaar Ministerie (OM).
3.2.
Volgens de korpschef bestaat er een serieuze verdenking dat eiser misdrijven heeft gepleegd die afzonderlijk en tezamen genomen aangemerkt kunnen worden als een (tamelijk) ernstige aantasting van de rechtsorde. De korpschef heeft de toestemming voor het verrichten van werkzaamheden voor beveiligingsorganisaties ingetrokken omdat eiser gelet hierop niet meer beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is voor het verrichten van dit werk.
3.3.
Eiser stelt dat het besluit van 15 maart 2024 onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat hij bij het opstellen van de zienswijze niet de beschikking heeft gehad over de stukken die aan dit besluit ten grondslag hebben gelegen. Daarnaast stelt eiser dat de korpschef de toestemming niet mocht intrekken omdat er geen sprake is van een serieuze verdenking. Zowel het bestreden besluit als het beleid waar de korpschef zich op baseert is in strijd met de onschuldpresumptie. Ook voert eiser aan dat de korpschef zijn belangen onvoldoende heeft meegewogen bij de intrekking.
3.4.
De relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage.

Was de korpschef bevoegd tot het intrekken van de toestemming?

4. Eiser stelt dat er geen serieuze verdenking tegen hem kan bestaan, hetgeen wel vereist is om over te mogen gaan tot intrekking. Hij heeft zich niet schuldig gemaakt aan heling. Ten tijde van het verkrijgen van de aanhangers en kentekenplaten wist hij namelijk niet dat deze van een misdrijf afkomstig waren, terwijl hij daar wel onderzoek naar heeft gedaan. Ook heeft hij de cilinders lachgas gekocht voordat het bezit daarvan strafbaar was.

Juridisch kader

5. De korpschef kan de toestemming voor beveiligingswerk intrekken indien de betrokkene niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het verrichten van beveiligingswerk.
5.1.
De korpschef komt beoordelingsruimte toe bij de beoordeling of een betrokkene voldoende betrouwbaar is. Deze ruimte heeft hij ingevuld met de Beleidsregels.
5.2.
Dat iemand onvoldoende betrouwbaar is kan volgens de Beleidsregels blijken uit veroordelingen of rechterlijke uitspraken. Daarnaast kunnen ook andere feiten die over de betrokkene bekend zijn, zoals mutaties of processen-verbaal, aanleiding geven tot twijfel aan de betrouwbaarheid. Daarbij is het van belang dat er nog altijd een serieuze verdenking tegen de betrokkene bestaat. Dit zal met name -maar niet uitsluitend- het geval zijn wanneer betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.
5.3
Aan medewerkers in de beveiligingsbranche worden hogere eisen gesteld dan aan medewerkers in willekeurige andere betrekkingen. Dit betekent dat de korpschef als beoordelingsmaatstaf mag hanteren dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven moeten zijn.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank is van oordeel dat de korpschef zich redelijkerwijs op het standpunt heeft mogen stellen dat sprake is van een serieuze en actuele verdenking waardoor eiser onvoldoende betrouwbaar kan worden geacht om zijn werkzaamheden als beveiliger voort te zetten. De korpschef heeft aan het bestreden besluit het mutatierapport, het proces-verbaal van aanhouding, het proces-verbaal van verdachtenverhoor en de kennisgevingen van inbeslagneming ten grondslag gelegd. Hieruit heeft hij mogen afleiden dat eiser wordt verdacht van heling en het in bezit hebben van 15 lachgascilinders. Zowel heling als een overtreding van de Opiumwet zijn door de wetgever gekwalificeerd als misdrijf, waarmee de ernst van deze strafbare feiten is gegeven. Verder oordeelt de rechtbank dat de verdenking ten tijde van het bestreden besluit serieus en actueel was aangezien er sprake was van strafvervolging. Uit artikel 3.3, onder b, van de Beleidsregels, volgt dat een serieuze verdenking van een misdrijf voldoende is voor intrekking van de toestemming. Dat eiser stelt dat hij onschuldig is en er niet tot een veroordeling kan worden gekomen, ligt in deze procedure niet ter beoordeling voor en is dus niet relevant. Reeds gelet op de serieuze verdenking kon de korpschef in redelijkheid tot de conclusie komen dat de betrouwbaarheid en integriteit van eiser niet boven iedere twijfel verheven is zodat de korpschef bevoegd was de toestemming in te trekken.

Zijn het bestreden besluit en de Beleidsregels in strijd met de onschuldpresumptie?

7. Eiser stelt dat de Beleidsregels in strijd zijn met de onschuldpresumptie omdat de intrekking van de toestemming op grond van de Beleidsregels gebaseerd kan worden op een gedraging die enkel volgt uit het strafdossier, ook als er (nog) geen veroordeling heeft plaatsgevonden. Als een bestuursorgaan dan een maatregel oplegt gaat het feitelijk uit van schuld van de betrokkene, terwijl de strafrechter daar (nog) geen oordeel over heeft gegeven. Eiser verwijst naar jurisprudentie waaruit volgt dat een bestuursorgaan geen ander oordeel mag geven over de schuld van een betrokkene dan de strafrechter als het zijn besluit alleen op strafrechtelijke stukken baseert. Daarnaast heeft de korpschef in overweging 7.8 en 7.9 van het bestreden besluit een inhoudelijk oordeel gegeven over eisers schuld, zodat ook het bestreden besluit in strijd is met de onschuldpresumptie.

Zijn de Beleidsregels in strijd met de onschuldpresumptie?

8. De onschuldpresumptie is neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het EVRM en houdt in dat eenieder tegen wie vervolging is ingesteld voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Schending hiervan is onder meer aan de orde indien in een bestuursrechtelijke procedure een oordeel wordt gegeven over de schuld van iemand die is aangeklaagd vanwege het plegen van een strafbaar feit voordat de schuld van die persoon in de strafrechtelijke procedure is komen vast te staan. Alleen het uitspreken van een vermoeden dat iemand schuldig is aan het strafbare feit waarvoor hij is aangeklaagd, levert geen schending van de onschuldpresumptie op.
8.1.
Op grond van artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is tegen een beleidsregel geen beroep mogelijk. Een belanghebbende kan een beleidsregel wel aan de orde stellen in het kader van een procedure tegen een besluit dat op dat beleid berust. Dat is hier het geval.
8.2.
Op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr wordt de toestemming ingetrokken indien de persoon niet meer beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. De invulling die in paragraaf 3.3., aanhef en onder b, van de Beleidsregels aan de term ‘betrouwbaarheid’ is gegeven is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met de onschuldpresumptie van het EVRM. Uit de Beleidsregels volgt dat de korpschef zijn besluit weliswaar baseert op strafrechtelijke stukken, maar niet op een strafrechtelijke procedure. Hij moet zelf onderzoek doen naar de vraag of sprake is van een serieuze verdenking en vormt een zelfstandig oordeel over de betrouwbaarheid. Hij is daarbij niet gehouden om een oordeel te geven over de schuld van die persoon. Alleen het uitspreken van een vermoeden dat iemand schuldig is aan het strafbare feit waarvoor hij is aangeklaagd levert geen schending van de onschuldpresumptie op. De uitspraken waarnaar eiser verwijst maken dit niet anders. Daaruit volgt dat het gebruik van alleen strafrechtelijke stukken niet in strijd is met de onschuldpresumptie. Pas wanneer het bestuursorgaan door zijn besluitvorming of uitlatingen een vrijspraak door de strafrechter in twijfel trekt, ontstaat een mogelijke schending daarvan. De rechtbank is daarom van oordeel dat de Beleidsregels niet in strijd zijn met de onschuldpresumptie. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Is het bestreden besluit in strijd met de onschuldpresumptie?

9. De rechtbank oordeelt dat de korpschef in het bestreden besluit niet het standpunt heeft ingenomen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan heling of een overtreding van de Opiumwet, maar enkel het vermoeden heeft geuit dat dit het geval is. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de korpschef in paragraaf 7.8 en 7.9 van het bestreden besluit een oordeel heeft gegeven over de schuld van eiser. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat de korpschef zich nadrukkelijk heeft onthouden van een oordeel over de schuldvraag. De korpschef heeft in paragraaf 7.9 van het bestreden besluit expliciet benadrukt dat niet in rechte is vastgesteld dat eiser zich aan een misdrijf heeft schuldig gemaakt, maar dat het besluit tot intrekking uitsluitend is gebaseerd op het bestaan van een verdenking. Eiser heeft bovendien niet nader geconcretiseerd waar in het bestreden besluit dan wel de onschuldpresumptie zou zijn geschonden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Heeft de korpschef de belangen van eiser voldoende meegewogen?

10. Eiser stelt dat de korpschef bij de totstandkoming van het bestreden besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke belangen. De intrekking heeft invloed op zijn financiële situatie, sociale positie en persoonlijke levensbelangen. Eiser moest stoppen met zijn eigen onderneming. Ook heeft eiser zijn studie zelf bekostigd en is hij na de intrekking weer thuis gaan wonen omdat hij de huurlasten niet meer kan betalen. Daarnaast is zijn sociale netwerk weggevallen. Ook stelt eiser dat de korpschef onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is gekozen voor een minder ingrijpende maatregel.

11. De rechtbank overweegt dat indien sprake is van een serieuze verdenking waardoor iemand onvoldoende betrouwbaar wordt geacht om nog werkzaamheden uit te voeren voor de beveiligingsbranche, dit niet betekent dat de korpschef verplicht is de toestemming in te trekken. Bij die beoordeling bestaat ruimte voor een belangenafweging. Als de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, zal de bestuursrechter de (uitkomst van de) door het bestuursorgaan gemaakte belangenafweging toetsen aan de norm die is neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Bij deze toetsing van een besluit aan het evenredigheidsbeginsel kunnen de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid een rol spelen.

12. Het intrekken van de toestemming is een bestuursrechtelijke maatregel, die het maatschappelijk belang dat gediend is bij een betrouwbare beveiligingsbranche ondersteunt. Daarvoor is van belang dat degenen die in de beveiliging werkzaam zijn betrouwbaar zijn en blijven. Intrekking van de toestemming is op zichzelf geen onredelijk middel om dat doel te bereiken. Daarbij blijft echter wel van belang dat de maatregel is afgestemd op een individueel geval. De korpschef dient daartoe te motiveren waarom de gekozen maatregel in het specifieke geval een passende en noodzakelijke maatregel is.

Noodzakelijk

13. In het bestreden besluit heeft de korpschef gemotiveerd waarom intrekking van de toestemming in dit geval een noodzakelijke maatregel is. In deze specifieke situatie is een minder vergaande maatregel onvoldoende om een betrouwbare beveiligingsbranche te waarborgen. Daartoe motiveert de korpschef dat het misdrijf heling zich niet verhoudt tot hetgeen verwacht mag worden van een beveiliger. Dit misdrijf impliceert dat de dader zich bewust was of bewust had moeten zijn van de criminele herkomst van de goederen die hij verkregen heeft. Dit bewustzijn toont een duidelijke bereidheid aan om de wet te overtreden en deel te nemen aan criminele activiteiten. Verder geeft de korpschef aan dat iemand die zich schuldig maakt aan heling bereid is om te profiteren van andermans verlies of schade. Juist van een beveiliger, die dient te waken over de veiligheid van personen en goederen, mag verwacht worden dat hij zich verre houdt van het plegen van het misdrijf heling. Daarnaast motiveert de korpschef dat het voorhanden hebben van de verboden stof lachgas een bewuste keuze is om de wet te overtreden. Het lachgasverbod is bedoeld om gezondheidsrisico’s te beperken. Het bezit van lachgas kan wijzen op het bewust negeren van deze risico’s. Een beveiliger heeft een voorbeeldfunctie en een verantwoordelijkheid om het bezit van deze stoffen te voorkomen. Om die reden kan het bezit van deze stof het vertrouwen in een beveiliger en daarmee het vertrouwen van de beveiligingsbranche beschadigen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef hiermee voldoende gemotiveerd dat het gewenste doel van een betrouwbare beveiligingsbranche niet kan worden bereikt met een minder ingrijpende maatregel en waarom in deze situatie is gekozen voor een intrekking van de toestemming.

Evenwichtigheid

14. Uit het bestreden besluit volgt dat de korpschef de belangen van eiser heeft meegewogen, maar dat die niet het gevolg hebben gehad dat van intrekking van de toestemming is afgezien. De omstandigheden dat eiser financieel nadeel heeft doordat hij zelf zijn studie heeft bekostigd, zijn onderneming niet meer kan voeren, dat hij weer bij zijn ouders moet wonen en een sociale kring mist heeft de korpschef niet zwaarder hoeven laten wegen dan de gedragingen van eiser waarbij sprake is van een serieuze en actuele verdenking. De rechtbank begrijpt dat de intrekking van de toestemming een behoorlijke impact heeft op het leven van eiser, waarbij hij onder andere zijn werkzaamheden als beveiliger niet meer kan uitoefenen en zijn onderneming moest staken. Dit is echter het logische gevolg van de intrekking van de toestemming . Om die reden zijn dit geen persoonlijke belangen die zwaarder – kunnen – wegen dan het algemeen belang van een betrouwbare veiligheidszorg. Verder is de rechtbank niet gebleken dat eiser geen ander inkomen kan verwerven en op die manier zijn huurwoning zou kunnen behouden, of dat hij zijn sociale contacten niet buiten het werk kan onderhouden. Daarbij heeft de korpschef waarde mogen hechten aan het feit dat eiser niet blijvend uit de beveiliging wordt geweerd. Eiser kan een nieuwe aanvraag doen. Dan kan hij aantonen dat hij de benodigde betrouwbaarheid heeft, waardoor hij in de toekomst wederom de functie van beveiliger uit kan oefenen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de intrekking van de toestemming evenwichtig is. Uit voorgaande volgt dat de korpschef heeft mogen besluiten dat de intrekking evenredig is. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Is de besluitvorming onzorgvuldig tot stand gekomen?

15. Eiser stelt dat het besluit van 15 maart 2024 onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat hij bij het opstellen van de zienswijze niet de beschikking heeft gehad over de stukken die aan dit besluit ten grondslag hebben gelegen. Hierdoor heeft hij niet adequaat zijn standpunten naar voren kunnen brengen in de zienswijzefase.

16. De rechtbank overweegt dat zij uitsluitend de rechtmatigheid van het bestreden besluit dient te beoordelen. Voor zover er sprake zou zijn van een gebrek in de totstandkoming van het besluit van 15 maart 2024, dan is dit gebrek hersteld met de beslissing op bezwaar. In de bezwaarfase heeft eiser immers zijn standpunten naar voren kunnen brengen en heeft er een volledige heroverweging van het besluit plaatsgevonden. Verder is niet gesteld noch gebleken dat dit eventuele gebrek niet in bezwaar is hersteld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de intrekking van de toestemming voor het uitvoeren van beveiligingswerkzaamheden in stand blijft. Eiser krijgt geen gelijk.
17.1.
Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiser het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.N. Crombaghs, rechter, in aanwezigheid van N.I.W. Smeets, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026 .

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 23 maart 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:3

1. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit:

a. inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel,

(…)

Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus

Artikel 7

(…)

2. Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Indien de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd op een luchtvaartterrein, wordt de toestemming, bedoeld in de eerste volzin, verleend door de commandant van de Koninklijke marechaussee.

(…)

5. De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid kan worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.

(…)

Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus
3.3
Betrouwbaarheid personeel en leidinggevenden

De toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van:

(…)

b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten.

(…)

Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten)

De toestemming kan ook worden geweigerd wanneer op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden. Dit zal met name -maar niet uitsluitend- het geval zijn wanneer betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.

Sepots, processen-verbaal en mutaties

Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking (of bedenking) bestaat.

(…)

Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens

Artikel 6 Recht op een eerlijk proces

(…)

2. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

(…)

Artikel 416, eerste lid, sub a van het Wetboek van Stafrecht.

Lachgas staat opgenomen in lijst II, behorende bij de Opiumwet, Het aanwezig hebben daarvan is verboden op grond van artikel 3, aanhef en onder c, van de Opiumwet.

Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 (Beleidsregels).

Artikel 7, vierde en vijfde lid, van de Wpbr.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3878, r.o. 5.

Zie paragraaf 3.3, onder b, van de Beleidsregels.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4143, r.o. 5.

Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024, ECLI:RVS:2024:1958 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:181.

Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens .

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling 12 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2280 r.o. 4.

Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:564, r.o. 5.1 en verder.

Artikel delen