Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBLIM:2026:5263

Woningsluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege aantreffen hennepkwekerij met 524 planten in de kelder van de woning. Voorlopige voorziening hangende beroep. Kortsluiten. De burgemeester is bevoegd en de sluiting voor de duur van drie maanden is gelet op de omstandigheden geschikt, noodzakelijk en evenwichtig. Het beroep is ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening ...

Rechtbank Limburg 3 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBLIM:2026:5263 text/xml public 2026-06-03T09:00:16 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-05-29 ROE 26/884 en ROE 26/885 Uitspraak Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5263 text/html public 2026-05-28T13:08:05 2026-06-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:5263 Rechtbank Limburg , 29-05-2026 / ROE 26/884 en ROE 26/885
Woningsluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege aantreffen hennepkwekerij met 524 planten in de kelder van de woning. Voorlopige voorziening hangende beroep. Kortsluiten. De burgemeester is bevoegd en de sluiting voor de duur van drie maanden is gelet op de omstandigheden geschikt, noodzakelijk en evenwichtig. Het beroep is ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
RECHTBANK LIMBURG
Bestuursrecht

zaaknummers: ROE 26/884 en ROE 26/885
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 mei 2026op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen [naam] , uit Venlo, eiseres
(gemachtigde: mr. J.H.L. Antonides en mr. E.H.E.A. van Gestel),

en
de Burgemeester van de gemeente Venlo, de burgemeester
(gemachtigde: mr. E.P.B. Moors).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de burgemeester om de woning van eiseres voor de duur van drie maanden te sluiten. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld tegen het besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop
2. Met het besluit van 8 januari 2026 (het primaire besluit) heeft de burgemeester besloten om de woning van eiseres en haar (ex-)partner voor de duur van drie maanden te sluiten. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (ROE 26/131).
2.1.
Bij uitspraak van 24 februari 2026 is dit verzoek toegewezen. Het primaire besluit is geschorst tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
2.2.
Met het bestreden besluit van 9 april 2026 op het bezwaar van eiseres heeft de burgemeester het primaire besluit (en daarmee de sluiting van drie maanden) gehandhaafd.
2.3.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De burgemeester heeft aangegeven te wachten met het sluiten van de woning totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
2.4.
De burgemeester heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. E.H.A.E. van Gestel als gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van de burgemeester.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?

3. Eiseres is, samen met haar (ex-)partner, eigenaar van de woning. Zij woont hier samen met haar tweejarige kind.
3.1.
De burgemeester heeft een bestuurlijke rapportage van de politie ontvangen. Uit de bestuurlijke rapportage volgt dat op 16 oktober 2025 in de kelder van de woning van eiseres een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen, bestaande uit 524 (nog niet oogstrijpe) hennepplanten. De reden voor het onderzoek van de politie was een positieve netmeting van Enexis. Naast de planten heeft de politie meerdere plantenpotten, grote hoeveelheden (gebruikte en ongebruikte) potgrond, een afzuigsysteem, diverse (gebruikte en ongebruikte) koolstoffilters, ventilatoren, gasflessen, groeimiddelen, een cutter, scharen, handschoenen met daarop hennepresten en meerdere verpakkingsmaterialen aangetroffen. Ook bleek sprake te zijn van diefstal van water en elektriciteit.
3.2.
De burgemeester heeft op 26 november 2025 het voornemen tot woningsluiting voor de duur van drie maanden toegezonden en eiseres in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Eiseres heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De burgemeester heeft in de zienswijze geen aanleiding gezien om van het voornemen om tot sluiting over te gaan, af te zien en het primaire besluit genomen.
3.3.
Namens eiseres is bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 24 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en het primaire besluit geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar, omdat onvoldoende was gemotiveerd dat sprake was van een evenwichtig besluit. De gevolgen van de sluiting van de woning voor eiseres en haar dochter waren te onzeker.
3.4.
Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.
3.5.
De burgemeester heeft nog stukken ingediend die zien op feiten, gerelateerd aan andere personen dan eiseres, die dateren van na het bestreden besluit. De voorzieningenrechter zal die stukken niet bij de beoordeling betrekken.

Is sprake van een spoedeisend belang?

4. De door eiseres gevraagde voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen indien er een spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter dient dus eerst te beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld. Gelet op het feit dat eiseres de bewoonster is van de woning en in het geval van sluiting daarvan, de woning zal moeten verlaten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende is gebleken van spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De zaak zal dan ook inhoudelijk worden beoordeeld.

Kortsluiten?

5. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. Partijen hebben aangegeven hier geen bezwaar tegen te hebben.

Wat is het standpunt van eiseres?

6. Eiseres betwist, kort gezegd, dat de woningsluiting evenredig is. De evenredigheidstoets dient in haar voordeel uit te vallen. De voorzieningenrechter zal in het onderstaande per beroepsgrond uitwerken wat eiseres heeft aangevoerd en daarop ingaan.

Wat is het toetsingskader?

7. Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien een woning of lokaal of een daarbij behorend erf:

a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat

daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;

b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.

8. Als de burgemeester gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om een woning op grond van artikel 13b, van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Dit kader is beschreven in de uitspraken van 6 juli 2022 en van 16 juli 2025. Hierbij moet beoordeeld worden of de sluiting van de woning in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.

Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting over te gaan?

9. Eiseres betwist niet dat de burgemeester bevoegd was om tot sluiting van de woning over te gaan. Dit is dan ook niet in geschil en de voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester gelet op de hoeveelheid aangetroffen hennepplanten, bevoegd is om de woning te sluiten.

Is de sluiting van de woning een geschikt middel?

10. Eiseres voert aan dat vanwege het tijdsverloop tussen het constateren van de overtreding en de voorgenomen sluiting de sluiting redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een sluiting worden gediend. Ten tijde van de beslissing op bezwaar was inmiddels een periode van bijna zes maanden verstreken sinds het constateren van de overtreding. Eiseres is van mening dat de burgemeester het tijdsverloop onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling van de evenredigheid van de maatregel. De onrechtmatige situatie is een geruime tijd geleden beëindigd door de ontmanteling van de kwekerij door de politie. Bovendien zijn de omstandigheden die hebben geleid tot de overtreding niet langer aanwezig. De hennepkwekerij was eigendom van - en werd geëxploiteerd door - de ex-partner van eiseres. Hij heeft de woning inmiddels verlaten en de sleutels ingeleverd. Hierdoor is het risico op herhaling aanzienlijk verminderd en niet langer reëel te achten. In de periode sinds de ontmanteling hebben zich bovendien geen nieuwe incidenten voorgedaan en is de woning niet opnieuw gebruikt voor illegale activiteiten. Eventuele negatieve effecten op de openbare orde en het woon- en leefklimaat zijn daarmee weggenomen.

11. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 juli 2025 overwogen dat tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, ertoe kan leiden dat sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan zich immers de situatie voordoen dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat de woning moet worden gesloten. Aan wie het tijdsverloop te wijten is, is niet relevant. Zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit zal de burgemeester moeten beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt.
11.1.
Tussen het aantreffen van de hennepkwekerij in de woning van eiseres en de door de burgemeester in het bestreden besluit voorgenomen sluiting op 23 april 2026, zitten ruim zes maanden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit tijdsverloop in dit geval niet zodanig is, dat sluiting geen geschikt middel meer is om de doelen te bereiken. Bij dit oordeel betrekt de voorzieningenrechter dat het ging om een ernstige overtreding, met een vermoeden van meerdere oogsten, hetgeen niet betwist wordt door eiseres. De burgemeester heeft in dit kader, ondanks dat de overtreding beëindigd was door het ruimen van de kwekerij, het middel van woningsluiting ook na een tijdsverloop van zes maanden nog geschikt kunnen achten om de gevolgen van de overtreding te niet te doen. Gelet op de grootte van de kwekerij en de - niet betwiste - eerdere oogsten mag namelijk worden aangenomen dat de woning langere tijd een rol vervulde in het drugscircuit. Sluiting van de woning maakt duidelijk dat de woning aan het circuit is onttrokken. Daar komt bij dat de (ex-)partner van eiseres, die mede-eigenaar is van de woning, in de politieregistratie voorkomt voor het vervaardigen van softdrugs op een ander adres in 2019. Dat hij als mede-eigenaar van de woning daar nu geen toegang meer toe heeft of kan eisen acht de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd. De burgemeester heeft dit kunnen betrekken bij het gevaar op herhaling. Ook gelet hierop heeft de burgemeester sluiting geschikt middel mogen vinden, om verdere overtreding van de Opiumwet te voorkomen.
11.2.
De voorzieningenrechter is wel van oordeel dat de burgemeester deze motivering in het bestreden besluit niet heeft gegeven, terwijl dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, wel had gemoeten. De burgemeester moet immers ook bij het besluit op bezwaar beoordelen of de sluiting op het tijdstip dat hem voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop en in samenhang gezien met overige omstandigheden, nog een geschikt middel is. Deze beoordeling ontbreekt en dat is een gebrek in het bestreden besluit. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de burgemeester met de toelichting in het verweerschrift en ter zitting dit gebrek heeft hersteld en ziet daarom aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

Is de sluiting van de woning noodzakelijk?

12. Eiseres voert ook aan dat van de noodzaak van de sluiting van de woning onvoldoende is gebleken. Niet is gebleken dat sprake is geweest van feitelijke drugshandel vanuit de woning en evenmin is gebleken van ‘loop’ naar de woning. Dat de ontmanteling van de hennepkwekerij ruim zes maanden geleden is en zich sindsdien geen nieuwe (druggerelateerde) incidenten in of rondom de woning hebben voorgedaan is ook in dit kader van belang. Ook is niet gebleken van overlast die gerelateerd kan worden aan de hennepkwekerij. In de bestuurlijke rapportage is expliciet vermeld dat de geur van hennep in en rond de woning niet waarneembaar was. Ook is niet gebleken dat de woning is gelegen in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk. Verder zijn er geen harddrugs aangetroffen in de woning en is geen sprake van recidive. Onder deze omstandigheden krijgt woningsluiting een soort ‘schandpaalfunctie’ in plaats van een herstelfunctie. Eiseres stelt dat door de woning na dit tijdsverloop met drie maanden te sluiten van een snelle interventie en een krachtig signaal geen sprake meer is. Om herhaling te voorkomen zijn bovendien minder belastende maatregelen, als een waarschuwing of een last onder dwangsom, mogelijk. Eiseres stelt dat de burgemeester, gelet op de omstandigheden van het geval, ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom sluiting van de woning noodzakelijk is.

13. Als de sluiting geschikt is dan is moet er ook een noodzaak bestaan om een pand te sluiten. Daarbij is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.
13.1.
De voorzieningenrechter is, net de als de voorzieningenrechter in de uitspraak van 24 februari 2026, van oordeel dat de burgemeester de sluiting van de woning ook noodzakelijk heeft mogen achten. Woningsluiting vindt immers niet alleen plaats ter beëindiging van de overtreding, dat is (wellicht) gebeurd doordat de politie de hennepplantage heeft geruimd en de planten en andere materialen heeft vernietigd. Woningsluiting heeft ook als doelen het teniet doen van de gevolgen van de overtreding en het voorkomen van verdere overtreding van de Opiumwet. Daarbij kan het herstel van de openbare orde en bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving een rol spelen. Vast staat dat in de woning een hoeveelheid hennepplanten is aangetroffen die de gedoogde hoeveelheid overschrijdt. Er is namelijk een professioneel opgezette, in werking zijnde, hennepkwekerij in de kelder van de woning aangetroffen, bestaande uit 524 (nog niet oogstrijpe) hennepplanten. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat als uitgangspunt geldt dat als in een pand een handelshoeveelheid drugs (meer dan vijf hennepplanten) wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat dat pand een rol vervult binnen de keten van drugshandel. Dit levert op zichzelf al een belang op bij sluiting, ook als ter plaatse geen overlast (meer) is geconstateerd. In beginsel is de woningsluiting dus noodzakelijk. In dit geval komt daar nog bij dat sprake is van een ernstig geval, waarin de toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik ruimschoots wordt overschreden. Daarnaast zijn door de politie in de woning diverse aan de kwekerij gerelateerde attributen aangetroffen en zijn er vermoedens van eerdere oogsten. Dit versterkt de noodzaak tot sluiting van de woning verder. Zoals ook in het kader van de geschiktheid is overwogen is bovendien de (ex-)partner van eiseres mede-eigenaar van de woning en is in ieder geval niet komen vast te staan dat hij geen toegang meer tot de woning heeft of in de nabije toekomst niet meer verkrijgt. De burgemeester heeft gelet hierop ook niet met een andere maatregel, dan voorgeschreven in het beleid, hoeven volstaan.

Is de sluiting van de woning evenwichtig?

14. Tot slot is eiseres van mening dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een evenwichtige en zorgvuldige sluiting. Zij voert daartoe het volgende aan. Op geen enkele wijze kan haar een verwijt gemaakt worden ten aanzien van de aangetroffen hennepkwekerij. Evenmin is gebleken dat eiseres redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aangetroffen hennepkwekerij in de kelder. In de periode voorafgaand aan de ontdekking verbleef eiseres veel bij haar zieke moeder, waardoor zij feitelijk nauwelijks in de woning aanwezig was. Eiseres had geen weet van de kwekerij en ook geen toegang tot de ruimte waarin deze zich bevond, in de woning was geen hennepgeur waarneembaar en ook is niet gebleken van enige betrokkenheid van eiseres. Onder deze omstandigheden kan eiseres niet verantwoordelijk worden gehouden voor de aangetroffen situatie en is sprake van (sterk) verminderde verwijtbaarheid. Eiseres en haar minderjarige dochter worden daarentegen door de sluiting wel ernstig in hun belangen geschaad. De sluiting zal er immers toe leiden dat zij dakloos raken. Door de ontstane situatie heeft eiseres geen contact meer met haar moeder en broer. Zij hebben zich van eiseres afgekeerd, nu binnen hun cultuur drugsgebruik en -gerelateerde activiteiten strikt worden afgewezen. Eiseres kan daarom ook niet tijdelijk bij hen terecht. Eiseres heeft ter onderbouwing een verklaring van haar moeder overgelegd. Door de zorg voor haar tweejarige dochter, haar werk en de zorg voor haar moeder heeft eiseres ook geen sociaal netwerk kunnen opbouwen waarop zij kan terugvallen en zij staat er dan ook volledig alleen voor. Voor het vinden van alternatieve woonruimte is eiseres bovendien gebonden aan haar werk en de opvang van haar dochter. Eiseres draagt (financieel) de verantwoordelijkheid voor zichzelf en haar minderjarige dochter en de sluiting brengt aanzienlijke financiële schade met zich mee. Nu sprake is van een koopwoning moet eiseres namelijk blijven voldoen aan de hypotheeklasten, terwijl zij daarnaast genoodzaakt zal zijn om kosten te maken voor tijdelijke huisvesting. Dit resulteert in dubbele lasten en zal leiden tot nog meer schulden. Eiseres heeft ter onderbouwing een toelichting gegeven van haar maandelijkse vaste lasten ten opzichte van haar inkomen. Zij houdt slechts € 79,35 over. Ze bevindt zich dus in een (financieel) kwetsbare positie en is niet in staat een andere woning te bekostigen. Eiseres is bovendien door haar werkgever op non-actief gesteld waardoor haar inkomen onzeker is geworden. Door in het bestreden besluit te stellen dat een groot deel van de overgelegde financiële stukken niet relevant is omdat deze betrekking hebben op de gebruikelijke kosten van huishouding, miskent de burgemeester de feitelijke situatie van eiseres. De burgemeester heeft ten slotte, volgens eiseres, onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de concrete gevolgen zijn van de sluiting voor haar en haar minderjarige dochter. Althans is er onvoldoende onderzoek verricht naar passende, alternatieve huisvestingsmogelijkheden, mede gelet op de bijzondere omstandigheden van eiseres. De voorzieningenrechter heeft reeds geoordeeld dat de burgemeester in dit kader slechts in algemene bewoordingen heeft gesteld dat er voldoende alternatieve mogelijkheden bestaan. De burgemeester heeft dit in het bestreden besluit onvoldoende hersteld. Wederom zijn geen concrete alternatieve huisvestingsmogelijkheden of specifieke locaties aangedragen, noch is onderzocht of gemotiveerd waarom dergelijke (eventuele) mogelijkheden in het individuele geval van eiseres en haar dochter passend en toereikend zijn.

15. Als sluiting van de woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenwichtig moet zijn. Daarbij gaat het erom of de maatregel voldoende is afgestemd op de concrete situatie. In dit verband kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn, zoals de mate van verwijtbaarheid en de gevolgen van de sluiting.
15.1.
De voorzieningenrechter is, alles overziend, van oordeel dat de woningsluiting in dit geval evenwichtig is. Eiseres stelt weliswaar dat sprake is van (verminderde) verwijtbaarheid, maar dit volgt de voorzieningenrechter niet. Zoals door de burgemeester in het bestreden besluit en het verweerschrift terecht is aangegeven is het onaannemelijk dat eiseres geen enkel weet had van de hennepkwekerij. De kwekerij bevond zich in de kelder van de woning van eiseres en werd bereikt door een trap die zich in de hal van de woning bevindt. Bovendien stond in het voorste gedeelte van de kelder een wasmachine en diende dit gedeelte als opslag. Dat eiseres nooit in de kelder kwam acht de voorzieningenrechter daarom onaannemelijk. Bovendien betreft het een professionele kwekerij die ook is opgezet, waar blijkens de foto’s bij de bestuurlijke rapportage, een grote hoeveelheid afval van afkomstig was, dat zich in de garage bij de woning bevond en moet het tijd en mankracht hebben gekost om de kwekerij op te zetten en de planten te verzorgen. Onaannemelijk is dat eiseres hier nooit iets van heeft gemerkt. Zelfs niet als moet worden gevolgd dat eiseres in de periode voorafgaand aan het aantreffen van de hennepkwekerij in de kelder veel bij haar moeder was. Eiseres is bovendien mede-eigenaar van de woning en daarmee verantwoordelijk voor wat zich in de woning afspeelt. Van geen of verminderde verwijtbaarheid is gelet op het bovenstaande naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake en dit heeft de burgemeester kunnen laten meewegen in de belangenafweging.
15.2.
Eiseres heeft verder aangegeven dat zij financieel gezien niet in staat is om vervangende woonruimte voor haar en haar tweejarige dochter te vinden. Zij betwist dus niet dat er woonruimte beschikbaar is, maar wel dat zij deze kan betalen. In dit kader overweegt de voorzieningenrechter allereerst dat het inherent is aan de sluiting dat de bewoner de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf gezien dan ook geen bijzondere omstandigheid. Bovendien is het in beginsel de eigen verantwoordelijkheid van eiseres om vervangende huisvesting te vinden. Dat eiseres financieel niet in staat is om vervangende woonruimte te vinden en te betalen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt. Bij dit oordeel vindt de voorzieningenrechter van belang dat eiseres weliswaar op non-actief is gesteld, maar dat haar salaris van € 2.515,17 netto, volledig wordt doorbetaald. Daarnaast heeft eiseres een persoonlijke lening van € 50.000,- afgesloten. Dit geld heeft zij ontvangen op de gemeenschappelijke rekening met haar (ex-)partner. Ter zitting heeft zij hierover verklaard dat haar (ex-)partner daarvan € 2.000,- of€ 3.000,- heeft opgenomen. De rest heeft zij gebruikt om schulden af te lossen bij Enexis (€ 16.510,01) en de WML (€ 6.490,33). Ook heeft zij het leasecontract van haar auto afgekocht (voor € 7.707,09) , schulden van € 3.000,- (zo stelt eiseres ter zitting) aan haar broer afbetaald en haar oude advocaat betaald (€ 5.000,-). De auto heeft eiseres volgens haar eigen verklaringen vervolgens verkocht voor ongeveer € 3.500,-. Los van de vraag of dit bedrag de waarde van de auto vertegenwoordigt en de vraag of eiseres daadwerkelijk een lening had bij haar broer die is afgelost, dat is namelijk niet onderbouwd, zou eiseres gelet op deze opsomming nog een bedrag van om en nabij € 11.801,57 over moeten hebben. Zelfs al zou zij een deel van dit geld hebben moeten gebruiken om bij te springen op haar vaste lasten dan is daarmee nog steeds niet aannemelijk dat eiseres niet in staat is om met een deel van dit bedrag vervangende woonruimte te kunnen betalen voor drie maanden. In dit kader overweegt de voorzieningenrechter bovendien dat niet is gebleken dat eiseres zich (voldoende) heeft ingespannen om zelf vervangende woonruimte te vinden. Zo heeft eiseres slechts gesteld dat zij geen sociaal netwerk heeft waarop zij kan terugvallen, maar dit heeft zij onderbouwd door te stellen dat zij 40 uur werkte en een kind had en dat daardoor niet kon opbouwen. Dit acht de voorzieningenrechter onvoldoende. Ook is de voorzieningenrechter van oordeel dat de verklaring van de moeder van eiseres onvoldoende is om aannemelijk te achten dat eiseres daar niet (tijdelijk, in het belang van haar kind) terecht zou kunnen.
15.3.
De burgemeester heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter meer gewicht kunnen en mogen toekennen aan het belang dat met de sluiting van de woning gediend is dan aan het belang van eiseres.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de burgemeester de woning van eiseres mag sluiten. Omdat het beroep ongegrond is en dus is beslist op het beroep, is er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

17. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb, moet de burgemeester in beide zaken (het verzoek en het beroep) het betaalde griffierecht aan eiseres vergoeden. Ook veroordeelt de voorzieningenrechter de burgemeester in de door eiseres gemaakte proceskosten. Toegekend wordt € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- draagt de burgemeester op het door eiseres betaalde griffierecht van in totaal € 400,- te vergoeden; en

- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.802,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.G.G.M. van Buggenum, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 29 mei 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

ECLI:NL:RVS:2022:1911.

ECLI:NL:RVS:2025:2922.

ECLI:NL:RVS:2025:2923, onder 7.

ECLI:NL:RVS:2025:2922.

Met zaaknummer ROE 26/131.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1333.

Eiseres verwijst ter vergelijking naar een uitspraak van de rechtbank Limburg, ECLI:NL:RBLIM:2022:9796.

Blijkens de overgelegde loonopgaaf van januari 2026.

Artikel delen