ECLI:NL:RBLIM:2026:5369
text/xml
public
2026-07-02T08:51:49
2026-06-01
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Limburg
2026-06-09
C/03/349928 / KG ZA 26-76
Uitspraak
Kort geding
NL
Maastricht
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5369
text/html
public
2026-07-02T08:51:06
2026-07-02
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBLIM:2026:5369 Rechtbank Limburg , 09-06-2026 / C/03/349928 / KG ZA 26-76
kort geding, ontruiming sociale huurwoning, woningcorporatie mocht huurcontract voor bepaalde tijd aanbieden, doelgroep, belang kind staat ontruming niet in de weg nu kind alternatieve huisvesting bij vader had en heeft.
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/349928 / KG ZA 26-76
Vonnis in kort geding van 9 juni 2026
in de zaak van
STICHTING WELLER WONEN,
te Heerlen,
eisende partij,
hierna te noemen: Weller,
advocaat: mr. R.W. Janssen,
tegen
[huurder]
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
advocaat: mr. B.H.S. Brinkman
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 19
- producties 20 tot en met 26 van Weller
- producties 1 tot en met 7 van [huurder]
- producties 27 tot en met 30 van Weller- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van Stichting Weller Wonen- de pleitaantekeningen van [huurder] .
2De feiten
2.1.
Vanaf 1 oktober 2024 heeft Weller aan [huurder] de woning aan [adres 1] (hierna: het gehuurde) verhuurd. Weller heeft daartoe met [huurder] een “Contract tijdelijke verhuur HOUSING” (hierna: het contract, productie 3 Weller) gesloten.
2.1.1.
In het contract staat - voor zover thans van belang - het volgende:
“(...) OVERWEGEN HET VOLGENDE:
Huurder woont sinds december 2023 in een intramurale setting aan het [adres 2] .
Verhuurder biedt aan huurders die uit een intramurale setting komen de kans om te leren zelfstandig te wonen via een zogenaamd Housing-traject. Het Housing-traject wordt voor minimaal 1,5 (anderhalf) jaar aangegaan. Gedurende die periode wordt onderzocht of huurder zelfstandig kan wonen. Huurder ontvangt daartoe intensieve (woon)begeleiding. Huurder sluit daarom naast de huurovereenkomst een woonbegeleidingsovereenkomst voor bepaalde tijd, gelijk aan de bepaalde tijd van deze tijdelijke huurovereenkomst.
Partijen hebben afgesproken dat aan huurder een woning wordt aangeboden met een tijdelijke huurovereenkomst voor de duur van minimaal anderhalf jaar of voor zolang de begeleidingsovereenkomst loopt.
Huurder behoort tot één of meer van de bij ministeriële regeling vastgestelde doelgroepen, te weten een huurder met wie de toegelaten instelling een tijdelijke huurovereenkomst gecombineerd met woonbegeleiding aangaat en waarvoor toegelaten instellingen op grond van artikel 48 van de Woningwet overeenkomsten van huur en verhuur voor bepaalde tijd voor de duur van twee jaren of korter mogen sluiten.
Na afloop van de duur van deze tijdelijke huurovereenkomst zet verhuurder onderhavige tijdelijke huurovereenkomst voor bepaalde tijd om in een reguliere huurovereenkomst voor onbepaalde tijd, bij bewezen goed huurdersgedrag en nakoming van de afspraken uit de woonbegeleidingsovereenkomst gedurende de looptijd van deze tijdelijke huurovereenkomst.
Op deze huurovereenkomst is artikel 7:228 lid 1 BW van toepassing, hetgeen betekent dat deze huurovereenkomst zonder dat daartoe een opzegging vereist is, eindigt wanneer de overeengekomen periode verstrijkt; (...)
De huurperiode
Artikel 3
3.1
De huurovereenkomst is met ingang van 01-10-2024 aangegaan voor bepaalde tijd van 1,5 jaren en eindigt van rechtswege op 01-03-2026. (...)
De door huurder te betalen prijs
Artikel 4
4.1
Vanaf de ingangsdatum van de huur is huurder maandelijks een prijs verschuldigd. Deze bestaat uit de huurprijs en het voorschot op de vergoeding voor de in verband met de bewoning van de woonruimte ten behoeve van huurder geleverde zaken en diensten, hierna te noemen "servicekosten".
4.2
De door huurder verschuldigde netto huurprijs bedraagt € 697,07. (...)
4.3
Het maandelijks voorschotbedrag met betrekking tot de servicekosten bedraagt € 1,20 (...)
De maandelijks verschuldigde huurprijs bedraagt € 698,27
4.4
Huurder voldoet de te betalen prijs voor het gehuurde in zijn geheel, bij vooruitbetaling, vóór de eerste van de maand op de door verhuurder in de Algemene Bepalingen huurovereenkomst woonruimte aangegeven wijze. (...)
De Algemene Huurvoorwaarden van verhuurder
Artikel 9
9.1
Op deze overeenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte d.d. 20 april 2017 van verhuurder van toepassing, tenzij daarvan in deze huurovereenkomst wordt afgeweken.
9.2
In afwijking van, respectievelijk als aanvulling op:
■ Deze huurovereenkomst is onlosmakelijk gekoppeld aan de begeleidingsovereenkomst van Housing.
(...)”
2.2.
Daarnaast heeft [huurder] met Stichting LEVANTOgroep (hierna: Loket Housing of Housing) begin juli 2024 een “Overeenkomst Housing” (productie 4 Weller) gesloten.
2.2.1.
Hierin staat - voor zover thans van belang - het volgende:
“(...)
Housing urgente, kwetsbare personen met een zorgbehoefte in combinatie met een woonvraag bemiddelt naar een zelfstandige woning.
Deze overeenkomst gericht is op bemiddeling tussen de diverse ketenpartners om zo uw zelfredzaamheid te bevorderen zodat u duurzaam en zo zelfstandig mogelijk kan (blijven) wonen. Ketenpartners die betrokken zijn of kunnen worden bij het Housing-traject zijn bijvoorbeeld zorginstellingen, instellingen maatschappelijke opvang, woningcorporaties, Thuis in Limburg, Kredietbank Limburg, het regionale Veiligheidshuis en de gemeente waar u staat ingeschreven en/of gaat wonen.
Het aangaan van deze overeenkomst betekent niet dat u daadwerkelijk een zelfstandige woning toegewezen gaat krijgen. Housing heeft een inspanningsverplichting en kan niet garanderen dat de bemiddelingswerkzaamheden resulteren in een woningaanbod van een woningcorporatie.
Housing verleent een dienst op maat en zal daarbij rekening moeten houden met de beslissingsbevoegdheden en het beleid van de verschillende ketenpartners. Zo beslist uiteindelijk een woningcorporatie of zij u een huurovereenkomst aanbiedt.
Het is belangrijk dat u gedurende het hele Housing-traject blijft voldoen aan de voorwaarden die Housing stelt om aan een Housing-traject te kunnen deelnemen.
In deze overeenkomst de afspraken staan op basis waarvan Housing de bemiddeling uitvoert. (...)
Artikel 1 Duur van deze overeenkomst
Deze overeenkomst wordt aangegaan met ingang van 02-07-2024 voor onbepaalde tijd.
Artikel 2 Bemiddeling
U krijgt een procesregisseur aangewezen bij aanvang van de overeenkomst die de bemiddelingswerkzaamheden uitvoert gedurende uw Housing-traject. Housing mag zonder uw toestemming een andere procesregisseur aanwijzen.
Housing heeft een inspanningsverplichting gedurende het Housing-traject. Dat betekent dat Housing geen garanties kan bieden voor bemiddeling naar een passende, zelfstandige woning. Woningcorporaties hebben de vrijheid te beslissen om u al dan niet een woning aan te bieden. Dat ligt buiten de invloedssfeer van Housing.
Als u van een woningcorporatie een woning aangeboden krijgt mag deze woning vanwege het urgentiebeleid door u niet worden geweigerd.
Op het moment dat de aangeboden woning volgens u niet passend wordt bevonden, kunt u een herbeoordeling aanvragen op basis van door u aangereikte objectieve gegevens van een (medisch) deskundige, zoals een verklaring van een behandelend arts, een Wmo-beschikking of een medische urgentie toewijzing. Op basis daarvan wordt de herbeoordeling gedaan en deze is leidend voor het vaststellen van het passend zijn van de woning. Onder het passend zijn van de woning wordt verstaan een woning die voldoet aan de op basis van tijdens de intake vastgestelde wooneisen.
Artikel 3 Begeleiding
Bij aanvang van uw Housing-traject ontvangt u begeleiding op grond van bijvoorbeeld een Wmo-beschikking. Gedurende de fase dat u woont bent u verplicht ambulante begeleiding te ontvangen. U dient op eerste verzoek van Housing aan te kunnen tonen te beschikken over een zorg- of begeleidingsovereenkomst met een
zorginstelling of instelling voor maatschappelijke opvang waarop de (ambulante) begeleiding is gebaseerd. (...)
Artikel 6 Einde van deze overeenkomst
(...) 3. Housing kan deze overeenkomst opzeggen, met inachtneming van een opzegtermijn van een week, indien:
a. u geen, onvoldoende of niet tijdig uitvoering geeft aan uw actieplan; (...)
h. u de verplichtingen uit deze overeenkomst niet nakomt;
i. u niet (voldoende) meewerkt aan uw Housing-traject. Hier is bijvoorbeeld sprake van indien u gemaakte afspraken niet nakomt, u herhaaldelijk niet opdaagt, u niet bereikbaar bent en het Housing niet mogelijk maakt de bemiddeling voort te zetten; (...)
4. Housing is gerechtigd deze overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen indien sprake is van zwaarwegende omstandigheden.
5. Bij beëindiging van deze overeenkomst zullen, indien zij nog betrokken zijn bij uw Housing-traject, de ketenpartners hierover schriftelijk worden geïnformeerd. (...)”
2.3.
Bij brief van 2 april 2025 heeft Loket Housing aan [huurder] - kort gezegd - laten weten dat een positieve afronding van het Housing-traject niet mogelijk was (productie 6 Weller). De daarbij gegeven onderbouwing luidt als volgt:
“Op 24 maart j.l. heeft u per mail een uitnodiging ontvangen voor een RTO op dinsdag 1 april om 9:30u. In het contact via whatsapp dat hierop volgde bent u hier nogmaals op geattendeerd. Helaas was u alsnog niet aanwezig en wil ik u via deze weg informeren over hetgeen er besproken is.
Bij het RTO waren bewindvoerder, ambulant begeleider, procesregisseur Loket Housing en consulent
Weller aanwezig. Helaas zijn wij tot de conclusie gekomen dat uw housing traject negatief zal gaan
eindigden. Deze conclusie komt voort uit de volgende vaststellingen:
Bij aanvang van de woonfase heeft u de procesregisseur niet geïnformeerd over uw instabiele financiële situatie. Hierdoor is er vanaf aanvang huurcontract een huurachterstand opgebouwd. Ook beschermingsbewind kon niet voorkomen dat de schuld verder opliep omdat er geen inkomen was. Op 12 november 2024 is er de eerste keer contact geweest over de huurachterstand. Hierna is er een afspraak gepland die op het laatste moment op uw verzoek verzet is geworden. Bij de nieuwe afspraak stonden wij aan een gesloten deur. Op 9 december vond de eerste tussenevaluatie plaats en is bovenstaande met u besproken. Op 9 januari 2025 vond er weer een evaluatie plaats, ditmaal sloot bewindvoerder telefonisch aan. Hierin is besproken dat de huurschuld inmiddels van dien aard was (3 maanden) dat het nagenoeg onmogelijk was om af te lossen binnen de maximale looptijd van het housingtraject. Er zijn verschillende mogelijkheden besproken, waaronder een afspraak met het doorbraakteam van gemeente Heerlen. Door het regelmatig niet nakomen van afspraken is het niet gelukt om met u aan deze mogelijkheden te werken. Uit budgetplan en schuldenoverzicht blijkt dat er geen ruimte is om nog binnen de looptijd van het housingtraject de achterstand af te lossen. Er wordt voorzien dat er opnieuw een gat in het inkomen komt door het wegvallen van DUO studiefinanciering. Echter heeft u, ondanks meerdere pogingen om u hierbij te ondersteunen, niet meegewerkt aan een uitkeringsaanvraag.
Woningcorporatie Weller is tot op heden coulant geweest door de huurachterstand van 3 maanden
niet door te zetten richting deurwaarder. Dit zal nu alsnog gebeuren.
In de housingovereenkomst die u op 3 juli 2024 heeft ondertekend, wordt het belang van begeleiding en het houden aan afspraken benadrukt (artikel 4.4, artikel 4.5). Uit overleg met begeleiding blijkt dat ruim de helft (8) van de 15 contactmomenten sinds medio oktober 2024 niet zijn doorgegaan. Deze afspraken werden ofwel niet, ofwel op het laatste moment door u afgezegd. Hiermee voldoet u niet aan de voorwaarden die worden gesteld in de housing overeenkomst. Dit is ook terug te zien in de afspraken met procesregisseur van Loket Housing, waarbij u bij 3 van de 6 afspraken verstek heeft laten gaan.
Bovengenoemde zaken brengen ons tot de conclusie dat een positieve afronding van het housingtraject niet mogelijk is”
2.4.
Bij brief van 15 april 2025 (productie 7 Weller) heeft Weller aan de (toen nog betrokken) beschermingsbewindvoerder van [huurder] laten weten dat [huurder] “(...) stelselmatig niet voldoet aan de verplichtingen, zoals beschreven in de begeleidingsovereenkomst. (...) Voorts heeft Weller moeten constateren dat mw [huurder] een forse huurachterstand heeft laten ontstaan. Per 1 april 2025
bestaat er een huurachterstand van € 2.094,81. Voor Weller is de huidige situatie onacceptabel.
Hierbij sommeer ik u (mw [huurder] ) om binnen 14 dagen na dagtekening dezes over te gaan tot betaling van de volledige huurachterstand ad € 2.094,81, te vermeerderen met:
Buitengerechtelijke incassokosten: € 314,22;
Contractuele rente: € 122,18
Totaal: € 2.531,21
Voorts sommeer ik u (mw [huurder] ) om de huur vanaf mei 2025 telkens tijdig en integraal te voldoen. (...)”
Verder heeft Weller laten weten [huurder] zonder nadere aankondiging in kort geding te zullen betrekken om gedwongen ontruiming van het gehuurde te vorderen, mocht zij in gebreke blijven met de bovenomschreven betalingsverplichtingen.
2.5.
Op 8 juli 2025 heeft op het kantoor van Weller een gesprek plaatsgevonden tussen mw. [naam] (medewerker Weller), [huurder] en hun resp. advocaten (mr. Janssen en mr. Cordewener). Bij e-mailbericht van 11 juli 2026 (productie 8 Weller) heeft (de advocaat van) Weller naar aanleiding van het gesprek aan (de advocaat van) [huurder] het volgende laten weten:
“(...) Tijdens het gesprek heeft Weller duidelijk trachten te maken dat [huurder] [toevoeging voorzieningenrechter:
[huurder] ] met haar (Weller) een Tijdelijk huurcontract HOUSING heeft gesloten. In het contract staat expliciet
beschreven dat het huurcontract “onlosmakelijk is gekoppeld” aan de begeleidingsovereenkomst van Housing. Door de beëindiging van de begeleiding door HOUSING is eigenlijk ook het recht van [huurder] om langer te blijven huren komen te vervallen (en zou Weller kunnen overgaan tot een gerechtelijke procedure).
Na uitvoerig intern overleg heeft Weller besloten om [huurder] niet reeds nu uit de huurwoning te zetten. Zij
mag in de huurwoning blijven wonen tot de einddatum van het vigerende contract (zijnde 1 maart 2026)
maar dan wel onder de navolgende strikte voorwaarden:
[huurder] zal ondersteuning (blijven) accepteren van [persoon] [toevoeging voorzieningenrechter: de beschermingsbewindvoerder], de praktijkondersteuner en jou;
[huurder] zal de huidige huurachterstand voldoen, waarbij geen verdere huurschulden meer zullen ontstaan;
[huurder] zal geen overlast veroorzaken (geluid, drugs, etc.);
[huurder] zal de gehuurde woning vóór 1 maart 2026 op correcte wijze achterlaten, leeg, ontruimd en
bezemschoon.
In reactie hierop heeft [huurder] aangegeven:
Ad 1. dat zij geen vertrouwen had (en heeft) in HOUSING. Maar dat zij zeer zeker ondersteuning zal blijven
aanvaarden.
Ad 2. dat de huidige huurachterstand € 99,81 bedraagt. Dit bedrag zal binnen enkele dagen worden voldaan.
Ook de komende huurtermijnen zullen trouw en tijdig worden voldaan. Als “tegenprestatie” heb ik namens
Weller aangegeven dat wordt afgezien van het vorderen van buitengerechtelijke kosten en rente.
Ad 3. dat zij een goede huurder is en zal blijven tot de einddatum.
Ad 4. dat zij beseft dat er per 1 maart 2026 een einde komt aan de huurovereenkomst met betrekking tot
het pand [adres 1] . Zij zal het pand op vrijdag 27 februari 2026 leeg en ontruimd achterlaten (1 maart
2026 valt namelijk op een zondag). [huurder] heeft wel aandacht gevraagd voor haar wens om op de
[straat] te blijven wonen (mede gezien het feit dat haar 2 kinderen ook woonachtig zijn op de
[straat] ). Mw [naam] heeft [huurder] desgevraagd verwezen naar haar hulpverleners.
Overigens zal er in januari 2026 een vooropname plaatsvinden; uw cliënte zal nog worden benaderd voor
een concrete datum. Op 27 februari 2026 zal de eindopname plaatsvinden.
Kunt u mij binnen 7 dagen na verzending dezes bevestigen dat het bovenstaande een correcte weergave is
van onze bespreking c.q. van het overeengekomene? (...)”
2.6.
Bij e-mailbericht van 18 augustus 2025 (productie 9 Weller) heeft (de advocaat van)
[huurder] aan (de advocaat van) Weller laten weten de inhoud van het e-mailbericht van 11 juli 2026 te hebben voorgelegd aan [huurder] en aan haar bewindvoerder en deelt vervolgens het volgende mee:
“(...) Hierbij kunnen wij bevestigen dat de inhoud daarvan juist is.
Cliënte wenst in aanvulling hierop nog op te merken dat haar kinderen op de [straat] naar school gaan
vanwege haar huisvesting aldaar. Deze inschrijving is destijds aangepast, zodat zij de kinderen vanuit haar
woonadres kon ophalen en brengen.
De bewindvoerder deelde mij mede dat de huurachterstand van € 99,81 inmiddels is voldaan op 14 juli jl. (...)”
2.7.
Op 13 november 2025 heeft op verzoek van [huurder] op het kantoor van Weller wederom een gesprek plaatsgevonden, waarbij - naast [huurder] en een medewerker van Weller - ook beide advocaten aanwezig waren. Tijdens dit gesprek heeft [huurder] aangeven dat zij begrijpt dat ze het gehuurde uiterlijk op 27 februari 2026 dient te verlaten, dat het goed met
haar gaat en dat zij hoopt dat Weller haar toch in het gehuurde zal laten blijven wonen.
2.8.
Bij e-mailbericht van 13 november 2025 (productie 10 Weller) heeft Weller aan
[huurder] laten weten dat Weller niet bereid is voor [huurder] een uitzondering te maken en dat
[huurder] de woning uiterlijk 1 maart 2026 moet hebben verlaten.
2.9.
Bij e-mailbericht van 10 december 2025 (productie 11 Weller) heeft Weller (nogmaals) aan [huurder] laten weten niet te willen afwijken van de gemaakte en vastgelegde afspraken en dat Weller geen heil ziet in een vervolggesprek. Voorts is verzocht binnen
7 dagen te bevestigen dat [huurder] de woning uiterlijk 1 maart 2026 in goede staat heeft ontruimd en verlaten. Zo niet, dan zal Weller een kortgedingprocedure starten.
2.10.
Op 15 december 2025 heeft [huurder] een klacht bij de klachtencommissie van Weller ingediend (productie 12 Weller).
2.11.
Bij e-mailbericht van 16 december 2025 heeft [huurder] bij de klachtencommissie van Loket Housing bezwaar gemaakte tegen het negatief afgesloten Housing-traject (productie 13 Weller).
2.12.
Bij brief van 22 januari 2026 (productie 15 Weller) heeft de klachtencommissie van
Weller aan [huurder] het volgende laten weten:
“(...) Vorige week, te weten 14 januari jl., bent u uitgenodigd om uw klacht die u d.d. 15 december 2025 heeft
ingediend bij de Klachtencommissie van Weller nader toe te lichten aan de heer (...), ambtelijk secretaris van de
Klachtencommissie.
De nadere toelichting was nodig om te kunnen bepalen of de Klachtencommissie wel of niet ontvankelijk is voor de door u ingediende klacht gezien de omschrijving van uw klacht in het door u ingediende klachtenformulier.
U heeft op de dag van de afspraak Weller laten weten dat u zich had verslapen. U heeft telefonisch het verzoek gedaan om het gesprek telefonisch te laten plaatsvinden. De heer (...) heeft u vervolgens op 14 januari 2026 teruggebeld.
De heer (...) heeft u toegelicht waarom het gesprek plaatsvindt. Op basis van de verkregen informatie uit het telefonisch gesprek met u kan geconcludeerd worden dat uw klacht betrekking heeft op een gedraging van Weller ten aanzien van de huurbeëindiging.
Op basis van artikel 6 lid 1 k van het huidige Reglement van de Klachtencommissie moet helaas worden geconcludeerd dat klachten ten aanzien van een gedraging met betrekking tot een huurbeëindiging niet in behandeling worden genomen door de Klachtencommissie van Weller. (...).”
2.13.
Bij e-mailbericht van 10 februari 2026 (productie 14 Weller) heeft Weller aan haar advocaat laten weten dat een medewerker van Weller aan de deur bij [huurder] is geweest voor een vooropname, maar dat [huurder] hem niet heeft binnengelaten en heeft aangegeven niet te gaan verhuizen.
2.14.
Bij beschikking van 10 februari 2026 heeft deze rechtbank - kort gezegd - op verzoek van de bewindvoerder het bewind over de goederen van [huurder] per 24 februari 2026 opgeheven (productie 19 Weller).
2.15.
Op 11 februari 2026 heeft de hoorzitting van de klachtencommissie van Loket
Housing plaatsgevonden. [huurder] is niet verschenen. Op 26 februari 2026 (productie 20
Weller) heeft de klachtencommissie Loket Housing de klacht ongegrond verklaard.
2.16.
Bij e-mailbericht van 11 februari 2026 (12.50 uur, productie 16 Weller) heeft Weller - kort gezegd - aan [huurder] laten weten dat voor Weller vaststaat dat er op 1 maart 2026 een einde komt aan de huurrelatie en dat [huurder] uiterlijk op 27 februari 2026 het gehuurde moet ontruimen en verlaten. Verder heeft [huurder] niet meegewerkt aan de vooropname en heeft Weller afgeleid uit haar communicatie dat [huurder] niet voornemens is het gehuurde per
27 februari 2026 te ontruimen en te verlaten. Weller is in dat geval genoodzaakt een kort geding te starten om de ontruiming te bewerkstelligen.
2.17.
Bij e-mailbericht van 11 februari 2026 (om 12.58 uur, productie 17 Weller) heeft [huurder] - kort gezegd - aan Weller laten weten dat zij niet heeft gereageerd op het ultimatum dat Weller haar in december heeft gegeven, waaruit Weller kan “halen” dat zij niet van plan is te vertrekken op de genoemde datum “omdat ik anders dakloos ben met 2 kinderen en ik dan liever de procedure inga, en de mening van een rechter daarin wil afwachten. (...)”
2.18.
Bij e-mailbericht van 12 februari 2026 (productie 18 Weller) heeft de voormalige bewindvoerder (over de goederen) van [huurder] aan Weller het volgende laten weten:
“(...) Ons kantoor is nog tot 24 februari 2026 betrokken bij mevrouw [huurder] . De rechtbank heeft inmiddels de
opheffing van het bewind uitgesproken. De reden hiervoor is dat mevrouw [huurder] zich structureel niet
begeleidbaar opstelt, gemaakte afspraken niet nakomt en zich niet conformeert aan de geldende voorwaarden binnen het bewind. Hierdoor is voortzetting van het bewind niet zinvol gebleken. (...) Wij zijn derhalve niet langer verantwoordelijk voor haar financiële belangenbehartiging na 24 februari 2026. Ter volledigheid treft u in de bijlage de beschikking van de rechtbank inzake de opheffing van het bewind. (...)”
2.19.
[huurder] heeft op 27 februari 2026 noch op 1 maart 2026 het gehuurde ontruimd en verlaten.
2.20.
Bij e-mailbericht van 19 april 2026 (productie 21 Weller) heeft Weller - kort gezegd - aan (de advocaat van) [huurder] laten weten dat (i) [huurder] in gebreke blijft met betaling van de gebruiksvergoeding, (ii) er op dat moment een betalingsachterstand van € 1.212,76 is en (iii) Weller die handelswijze onacceptabel acht.
2.21.
Bij e-mailbericht van 21 april 2026 (productie 22 Weller) heeft [huurder] aan (de
advocaat van) Weller laten weten de gang van zaken van Weller onacceptabel te vinden. “(...) Sinds ik mijn financiën weer zelf beheer, heb ik er bewust voor gekozen geen betalingen te verrichten totdat ik word aangemeld voor het Housing Plus traject. Dit is een traject waar ik al geruime tijd - inmiddels ongeveer een jaar - herhaaldelijk om heb verzocht, maar waar tot op heden geen gehoor aan is gegeven.
Gezien de inmiddels ontstane huurachterstand, stel ik voor dat er alsnog passende hulp wordt geboden en dat deze situatie op een constructieve en menselijke manier wordt opgelost. Ook is het zo dat een deel van de huur wel is overgemaakt in maart. (...)”
2.22.
Per 28 april 2026 (productie 4 [huurder] ) is een van de twee kinderen van [huurder] ingeschreven op het huidige verblijfsadres van [huurder] .
2.23.
Bij e-mailbericht van 7 mei 2026 22:16u (productie 24 Weller) heeft Weller aan
[huurder] laten weten te hebben besloten [huurder] niet aan te melden voor het Housing Plus Traject.
“(...) Immers:
- om voor een Housing plus in aanmerking te komen dient de kandidaat niet alleen een
huisvestingsvraag te hebben, maar ook een begeleidingsnoodzaak. Weller heeft oprechte twijfel of jij
begeleiding zal accepteren en mee zal werken;
naar de stellige indruk van Weller zal Housing een bewindvoerder verplicht stellen. Weller heeft oprechte twijfel of jij bewindvoering zal accepteren;
zonder twijfel zal Housing nadere afspraken willen maken (over gedrag, verplichtingen, etc.). Er bestaat gerede twijfel of jij met afspraken kunt verenigen.
Voor de goede orde: ook/zelfs in het geval je wel zou worden aangemeld voor Housing Plus, dan nog:
kan je niet blijven wonen in de huidige woning;
zal het traject enkele weken tot maanden duren.
Overigens wenst Weller sowieso geen contract meer met jou te sluiten. Je zult je moeten wenden tot een
andere corporatie. Dit vanwege de gebrouilleerde relatie tussen Weller en jou. (...)”
2.24.
Bij e-mailbericht van 7 mei 2026 heeft [huurder] aan Weller in reactie op het hiervoor weergegeven e-mailbericht het volgende laten weten:
“(...) Wel wil ik aangeven dat ik het jammer vind om te lezen dat ik binnen uw organisatie als onbehandelbaar
word neergezet, terwijl dit niet weerspiegelt wie ik ben of wie ik in de afgelopen jaren ben geweest. Ik
beschik over verschillende rapportages uit zowel het verleden als het heden waaruit juist blijkt dat mijn inzet nooit het probleem is geweest.
Er wordt getwijfeld of ik behandeling zou accepteren, terwijl dit juist hetgeen is waar ik inmiddels al ruim
een jaar actief om vraag. Dat iets op papier negatief is geëindigd, betekent niet automatisch dat de
werkelijkheid ook negatief is. De resultaten van de afgelopen maanden laten dat ook duidelijk zien.
Mijn kinderen wonen inmiddels weer thuis en ik ben nog nooit zo stabiel geweest als nu. Dat is ook niet als
ik oh zo onbehandelbaar zou zijn. Juist daarom vind ik het belangrijk dat er gekeken wordt naar de huidige
situatie en de stappen die ik daadwerkelijk zet in plaats van een mening op papier van een jaar geleden met
mensen die mij korter dan 7 maanden hebben behandeld.
Daarnaast wil ik aangeven dat er vanuit mijn kant geen verdere betalingen zullen plaatsvinden totdat ik de
hulp ontvang die ik nodig heb en waar ik naar mijn mening ook recht op heb.
Het betreffende traject is immers bedoeld om dakloosheid te voorkomen en Housing Plus heeft mij hier zelf
eerder over geïnformeerd. (...)”
3Het geschil
3.1.
Weller vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
[huurder] veroordeelt om Weller in het vrije bezit te stellen van het gehuurde, en wel door het gehuurde ( [adres 1] ) geheel ontruimd, vrij van gebruik en gebruiksrechten, behoorlijk schoongemaakt aan Weller op te leveren, zulks met machtiging aan Weller bij gebreke van volledige voldoening hieraan deze verlating en ontruiming en dit vervolgens verlaten en ontruimd houden zelf te bewerkstelligen op kosten van [huurder] ;
[huurder] veroordeelt in de kosten van het geding, te voldoen binnen veertien dagen na het ten deze te wijzen vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis.
3.2.
[huurder] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde (voorlopige) voorziening. Voor toewijzing is nodig dat Weller daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Spoedeisend belang
4.2.
Weller heeft gesteld spoedeisend belang te hebben bij de voorzieningen, omdat de einddatum van het huurcontract op korte termijn nadert (en inmiddels al is gepasseerd), terwijl [huurder] heeft aangekondigd de woning niet te zullen verlaten. Zonder voorziening loopt Weller het risico dat zij nog langer niet over het gehuurde kan beschikken, terwijl van Weller kan niet worden gevergd de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten. Ter zitting heeft Weller aanvullend verklaard dat de woning “is dedicated aan personen die zich wel kunnen houden aan de voorwaarden van het Housing-traject. Er is een wachtlijst. Weller staat te springen om het vrijkomen van de woning. Er is dan ook zeer zeker sprake van een spoedeisend belang.”
[huurder] heeft ter zitting aangevoerd dat het spoedeisend belang ontbreekt en dat van Weller verlangd had kunnen worden dat men de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. De voorzieningenrechter volgt [huurder] niet in haar verweer, te meer nu - in lijn met wat [huurder] zelf ter zitting heeft verklaard - de wachtlijsten en lange wachttijden in de sociale woningbouw een feit van algemene bekendheid zijn en Weller dus een spoedeisend belang heeft bij het voor de wachtenden ter beschikking stellen van de woning. Gelet hierop is het spoedeisend belang van Weller voldoende aannemelijk geworden.
Ontruiming
Standpunt Weller
4.3.
Weller heeft - kort gezegd - gesteld dat de tussen partijen geldende huurovereenkomst (van rechtswege) is geëindigd per 1 maart 2026, zodat [huurder] was gehouden het gehuurde uiterlijk per die datum te ontruimen en leeg aan Weller op te leveren, onder afgifte van alle sleutels. Na voornoemde datum bestaat er volgens Weller tussen partijen geen huurovereenkomst meer. Nu [huurder] het gehuurde op de betreffende datum niet heeft verlaten, verblijft zij er sindsdien zonder recht of titel.
Ter zitting is zijdens Weller, naar aanleiding van het door [huurder] gevoerde verweer, het volgende aanvullend verklaard. Sinds het van kracht worden van de Wet vaste huurcontracten per 1 juli 2024 geldt in het algemeen als uitgangspunt dat een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd worden aangegaan. Woningcorporaties kunnen daarop een uitzondering maken in het kader van doelgroepenbepalingen: zij mogen dan een huurovereenkomst voor bepaalde tijd aanbieden. Dat geldt (onder andere) als sprake is van een begeleidingstraject, zoals hier het geval is. [huurder] had het destijds (emotioneel) zwaar en Loket Housing heeft haar willen helpen door haar in aanmerking te laten komen voor het Housing-traject. In dat kader is Weller erbij betrokken geraakt en is er sprake van een begeleidingstraject. Het betreft een doelgroep, aan wie een tijdelijke woning met begeleiding wordt toegewezen, en geen tweede-kans-traject/huurovereenkomst. Weller kon dan ook met [huurder] een tijdelijke huurovereenkomst sluiten, zo verklaarde Weller.
Standpunt [huurder]
4.4.
[huurder] heeft aangevoerd dat het gehuurde niet ter beschikking is gesteld uitsluitend met het doel om woonbegeleiding te faciliteren; het zorgelement overheerst volgens [huurder] niet en dit is dientengevolge niet onlosmakelijk verbonden met de huurovereenkomst. Het Besluit specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomst maakt een uitzondering op de wettelijke huurbescherming, maar dat is hier niet van toepassing. Er is daarom volgens [huurder] niet rechtsgeldig afgeweken van de wettelijke huurbescherming, zodat de huurovereenkomst niet is geëindigd per 1 maart 2026 door het aflopen van de bepaalde tijd ervan. [huurder] heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van Rechtbank Noord-Holland van
14 april 2026 (ECLI:NL:RBNHO:2026:3990)
De beoordeling van de vordering tot ontruiming
4.5.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat een veroordeling in kort geding tot ontruiming van woonruimte een maatregel is die diep ingrijpt in het woonrecht, het woonbelang en de huurbescherming van een huurder. Daarom moet de voorzieningenrechter terughoudend zijn met toewijzing van zo’n vordering. Dat betekent dat voor een veroordeling tot ontruiming in kort geding alleen plaats is als het zeer waarschijnlijk is dat die vordering in een gewone procedure (een zogenoemde bodemprocedure) ook wordt toegewezen, en als de belangen van de verhuurder bij ontruiming zwaarder wegen dan de belangen van de huurder bij behoud van de woning.
4.6.
De voorzieningenrechter merkt verder op dat met de Wet vaste huurcontracten, die per 1 juli 2024 in werking is getreden, huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd in beginsel de norm zijn. In het Besluit specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomsten is daarop een uitzondering geformuleerd in die zin dat woningcorporaties voor specifieke doelgroepen huurovereenkomsten voor de duur van twee jaar of korter kunnen aanbieden.
4.7.
De voorzieningenrechter stelt vast dat Weller noch [huurder] menen dat er sprake is van een tweede-kans-huurovereenkomst. De voorzieningenrechter gaat om die reden voorbij aan al hetgeen dienaangaande is aangevoerd.
4.8.
De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de huurovereenkomst per 1 maart 2026 is geëindigd. Hij overweegt hiertoe als volgt.
In de huurovereenkomst die Weller met [huurder] is overeengekomen, is expliciet opgenomen dat Weller aan huurders die uit een intramurale setting komen de kans biedt om te leren zelfstandig te wonen via een Housing-traject dat minimaal 1,5 jaar duurt, reden waarom [huurder] naast een huurovereenkomst een woonbegeleidingsovereenkomst voor bepaalde tijd, gelijk aan de duur van de huurovereenkomst, heeft gesloten (zie rov 2.1.1). Voorts is in de huurovereenkomst gespecificeerd dat [huurder] behoort tot één of meer van de bij ministeriële regeling vastgestelde doelgroepen, te weten een huurder met wie de toegelaten instelling een tijdelijke huurovereenkomst gecombineerd met woonbegeleiding aangaat en waarvoor toegelaten instellingen op grond van artikel 48 van de Woningwet overeenkomsten van huur en verhuur voor bepaalde tijd voor de duur van twee jaren of korter mogen sluiten. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat Weller een tijdelijke huurovereenkomst aan [huurder] kon en mocht aanbieden. Nu dat tijdelijke huurcontract op
1 maart 2026 afliep, verblijft [huurder] in beginsel vanaf die datum zonder recht of titel in de woning.
Daarbij komt dat uit de (onder 2) weergegeven feiten volgt dat niet kan worden aangenomen dat Weller gehouden zou zijn een opvolgende huurovereenkomst met [huurder] aan te gaan. In de oorspronkelijke overeenkomst is bepaald dat een dergelijke huurovereenkomst zou worden aangegaan ‘bij bewezen goed huurdersgedrag en nakoming van de afspraken uit de woonbegeleidingsovereenkomst gedurende de looptijd van deze tijdelijke huurovereenkomst’ . Vast staat dat de woonbegeleidingsovereenkomst in juni 2025 is beëindigd vanwege - onder meer - de niet begeleidbare opstelling van [huurder] . Verder staat vast dat zij er recent voor heeft gekozen om geen vergoeding meer te betalen voor het gebruik van de woning en dat het beschermingsbewind is beëindigd. Onder deze omstandigheden, kan niet worden aangenomen dat Weller gehouden was of is om aan [huurder] een opvolgende huurovereenkomst aan te bieden (voor zover [huurder] dat al heeft willen betogen).
De slotsom is dat aangenomen moet worden dat op grond van de bekende feiten, in een bodemprocedure een vordering tot ontruiming zou worden toegewezen, zodat een daartoe strekkende vordering ook in deze procedure in beginsel toewijsbaar is.
4.9.
In een procedure tot ontruiming van een woning behoort voorts tot de relevante omstandigheden van het geval of er kinderen in de woning wonen. Als dat zo is, dan moeten de belangen van deze kinderen in kaart worden gebracht (zie: HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799). Deze belangen moet als ‘eerste overweging’ in aanmerking worden genomen (zie artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind). Dat betekent echter niet dat een ontruimingsvordering steeds moet worden afgewezen indien het in het belang van de betrokken kinderen is dat zij in het gehuurde kunnen blijven wonen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat onvoldoende duidelijk is dat de belangen van het kind (de kinderen) de ontruiming in de weg staan. Immers staat vast dat het kind steeds bij de vader heeft verbleven en het is aannemelijk dat het daar (nog steeds) alternatieve huisvesting heeft. Onweersproken is verder dat - zoals Weller ter zitting heeft verklaard - het kind (de kinderen) eerder nooit bij [huurder] hebben gewoond en zij een veilig thuis hadden bij de vader. Dat [huurder] en de vader (recent) een andere omgangs-/zorgregeling zijn overeengekomen, waarbij zij ook hebben afgesproken dat een van de kinderen staat ingeschreven op het adres waar [huurder] nu verblijft, doet hieraan niet af. Bovendien is het kind pas sinds 28 april 2026 ingeschreven op het adres van [huurder] , terwijl [huurder] toen al geruime tijd wist (namelijk vanaf juni/juli 2025) dat zij het gehuurde moest verlaten én zij toen ook al wist dat de onderhavige kortgedingprocedure (op 4 maart 2026) door Weller was aangespannen, terwijl het kind tot dan toen bij vader verbleef. Ten slotte heeft [huurder] willens en wetens (weer) een betalingsachterstand laten oplopen door de gebruiksvergoeding niet te voldoen (zie rov. 2.21.), daarmee ook op dat punt in strijd handelend met de belangen van Weller. Gelet op al deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van het kind (de kinderen) niet maakt dat de gevorderde ontruiming zou moeten worden afgewezen.
4.10.
Hoewel Weller ter zitting heeft verklaard uiterlijk twee weken na betekening van het
vonnis te willen ontruimen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de termijn van ontruiming te stellen op één maand na betekening van dit vonnis.
Proceskosten
4.11.
[huurder] is in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van Weller worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,02
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.254,02
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [huurder] om uiterlijk één maand na betekening van dit vonnis Weller in het vrije bezit te stellen van het gehuurde, en wel door het gehuurde ( [adres 1] ) geheel ontruimd, vrij van gebruik en gebruiksrechten, behoorlijk schoongemaakt aan Weller op te leveren, zulks met machtiging aan Weller om - bij gebreke van volledige voldoening hieraan - deze verlating en ontruiming en dit vervolgens verlaten en ontruimd houden zelf te bewerkstelligen op kosten van [huurder] ,
5.2.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 2.254,02, te betalen binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.