ECLI:NL:RBLIM:2026:5652
Incidentele vordering tot aanhouden van de zaak wordt afgewezen. Hoger beroep tegen het eerder gewezen incidentele vonnis op een vordering op grond van 195 Rv is - zonder verlof daartoe - niet mogelijk en daarom geen reden voor een aanhouding. Artikel 200 lid 1 Rv is niet van toepassing.
Rechtbank Limburg 8 July 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:5652
text/xml
public
2026-07-08T08:56:47
2026-06-12
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Limburg
2026-06-17
C/03/344831 / HA ZA 25-373
Uitspraak
Bodemzaak
NL
Maastricht
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5652
text/html
public
2026-07-07T14:16:36
2026-07-08
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBLIM:2026:5652 Rechtbank Limburg , 17-06-2026 / C/03/344831 / HA ZA 25-373
Incidentele vordering tot aanhouden van de zaak wordt afgewezen. Hoger beroep tegen het eerder gewezen incidentele vonnis op een vordering op grond van 195 Rv is - zonder verlof daartoe - niet mogelijk en daarom geen reden voor een aanhouding. Artikel 200 lid 1 Rv is niet van toepassing.
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/344831 / HA ZA 25-373
Vonnis in incident van 17 juni 2026
in de zaak van
NOVUM ORTHOPEDIE B.V.,
te Eindhoven,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: Novum,
advocaat: mr. N.P.F.E. van der Peet,
tegen
SMEETS LOOPCOMFORT BEHEER B.V.,
te Sweikhuizen,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: Smeets Loopcomfort Beheer,
advocaat: mr. J.J. Hartman Kok.
1De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
het vonnis in incident van 24 december 2025,
de brief waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
de conclusie van antwoord in reconventie,
het verzoek van Smeets Loopcomfort Beheer tot het verlenen van verlof tot het instellen van tussentijds hoger beroep tegen het vonnis van 24 december 2025,
de reactie op voormeld verzoek van Novum,
de beslissing van de rechtbank houdende de afwijzing van voormeld verzoek,
de conclusie houdende de incidentele vordering tot aanhouding van Smeets Loopcomfort Beheer met productie 1,
de conclusie van antwoord in het incident met productie 47.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2De vordering in het incident en de beoordeling daarvan
2.1.
De incidentele vordering strekt tot aanhouding van deze procedure totdat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (verder: het hof) heeft beslist op het hoger beroep dat Smeets Loopcomfort Beheer heeft ingesteld tegen het vonnis in incident van 24 december 2025.
2.2.
Ter onderbouwing van haar verzoek verwijst Smeets Loopcomfort Beheer naar de navolgende overweging uit het tussenarrest dat het hof wees naar aanleiding van het door Smeets Loopcomfort Beheer ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van 24 december 2025:
‘Het hof overweegt dat voor wat betreft het incident ex artikel 194 en 195 Rv (het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens (het inzagerecht)) in artikel 200 lid 1 Rv is bepaald dat tegen de beslissing op een dergelijk verzoek (toe- dan wel afwijzing) hoger beroep kan worden ingesteld binnen vier weken te rekenen van de dag van de uitspraak. De rechter die de beslissing over het inzagerecht heeft gegeven hoeft voor dit hoger beroep geen toestemming te geven.’
2.3.
Novum heeft, onder verwijzing naar de inhoud van de vervolgens bij het hof genomen (althans na toestemming daartoe te nemen) antwoordakte inzake de ontvankelijk van het hoger beroep van Smeets Loopcomfort Beheer, betoogd dat hoger beroep tegen het vonnis van 24 december 2025 niet openstond. Om die reden dient de onderhavige zaak niet te worden aangehouden, aldus Novum.
2.4.
Het vonnis van 24 december 2025 is gewezen naar aanleiding van het tijdens deze procedure door Smeets Loopcomfort Beheer gedane verzoek op grond van artikel 195 Rv. Het betreft daarmee niet een voorlopige bewijsverrichting als bedoeld in paragraaf 8 van afdeling 9 van titel 2 van boek 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (de artikelen 196 tot en met 204). Deze paragraaf ziet op bewijsverrichtingen voorafgaand aan een bodemprocedure. Tegen een in dat kader gegeven beslissing op het verzoek tot inzage staat op grond van artikel 200 lid 1 Rv hoger beroep open. Deze bepaling geldt niet voor een op grond van artikel 195 Rv gewezen incidenteel tussenvonnis, waartegen – behoudens daartoe verleend verlof – geen hoger beroep openstaat. Het alsnog ingesteld beroep en voormelde overweging van het hof geven daarom geen aanleiding deze procedure aan te houden.
2.5.
De vordering in het incident moet worden afgewezen. De procedure wordt voorgezet middels de al geplande mondelinge behandeling op 26 juni 2026.
2.6.
Smeets Loopcomfort Beheer zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het incident, aan de zijde van Novum tot op heden vastgesteld op:
salaris advocaat € 614,00 (1 punt x tarief II),
nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 792,00.
2.7.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3De beslissing
De rechtbank
in het incident in conventie en reconventie
3.1.
wijst het gevorderde af,
3.2.
veroordeelt Smeets Loopcomfort Beheer in de proceskosten van Novum van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, met bepaling dat als Smeets Loopcomfort Beheer niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, Smeets Loopcomfort Beheer dan € 92,00 extra, plus de kosten van betekening, moet betalen,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
zie ook AG De Bock bij HR 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:201, onder 5.18.