ECLI:NL:RBMNE:2026:2840
text/xml
public
2026-05-27T08:56:57
2026-05-24
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Midden-Nederland
2026-05-13
11868405 LC EXPL 25-1865 D/51246
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Lelystad
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2840
text/html
public
2026-05-27T08:56:29
2026-05-27
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBMNE:2026:2840 Rechtbank Midden-Nederland , 13-05-2026 / 11868405 LC EXPL 25-1865 D/51246
Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming gehuurde omdat huurster niet haar hoofdverblijf heeft in het gehuurde. Bewindvoerders hebben niet voldaan aan hun verzwaarde motiveringsplicht.
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Lelystad
Zaaknummer: 11868405 LC EXPL 25-1865 D/51246
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
de stichting
WOONSTICHTING CENTRADA,
gevestigd in Lelystad,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Centrada,
gemachtigde: mr. L. Wanders,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
2. [gedaagde sub 2],
beiden handelend in de hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder van [onderbewindgestelde],
beiden vennoten van de vennootschap onder firma [onderneming],
gevestigd te [plaats 1] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: de bewindvoerders,
gemachtigde: E. Visch.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 augustus 2025 met 37 producties;- de conclusie van antwoord met 2 producties;
- de aanvullende producties 38 tot en met 53 van Centrada;
- de aanvullende producties 3 tot en met 5 van de bewindvoerders;
- de akte eis in reconventie van de bewindvoerders;
- de mondelinge behandeling van 17 maart 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling op 17 maart 2026 waren namens Centrada mevrouw [A] , [functie] , mevrouw [B] en mevrouw [C] aanwezig. Zij werden bijgestaan door mr. Wanders. Bewindvoerder de heer [gedaagde sub 1] (hierna: [gedaagde sub 1] ) en [onderbewindgestelde] waren ook aanwezig. Zij werden bijgestaan door Visch en de heer [D] . De ambulant woonbegeleider van [onderbewindgestelde] , mevrouw [E] , was ook aanwezig.
1.3
De kantonrechter heeft bepaald dat hij schriftelijk uitspraak doet.
2De kern van de zaak
2.1
[onderbewindgestelde] huurt van Centrada de woning aan het adres [adres 1] in [plaats 2] . Volgens Centrada heeft [onderbewindgestelde] haar hoofdverblijf niet in de woning. Daarom vordert dat zij de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat de bewindvoerders (of eigenlijk [onderbewindgestelde] ) de woning moeten ontruimen. De kantonrechter wijst die vorderingen toe. De bewindvoerders hebben ook vorderingen ingesteld. Zij vinden dat Centrada tijdens het onderzoek naar het hoofdverblijf de persoonlijke levenssfeer van [onderbewindgestelde] heeft geschonden en dat die schending moet leiden tot bewijsuitsluiting of anders tot een schadevergoeding van € 5.320,-. De kantonrechter zal de tegenvorderingen van de bewindvoerders niet inhoudelijk beoordelen. Die vorderingen zijn namelijk te laat ingesteld. De bewindvoerders zijn daarom nietontvankelijk.
3De beoordeling
in conventie
De vereisten voor ontbinding en ontruiming
3.1
Voor ontbinding is allereerst vereist dat de huurder zijn of haar verplichtingen uit de huurovereenkomst niet (goed) is nagekomen. Daarnaast is vereist dat de huurder in verzuim is geraakt. Als aan deze vereisten is voldaan, is de huurder tekortgeschoten. Het vereiste van verzuim geldt niet als nakoming van de verplichting(en) blijvend of tijdelijk onmogelijk is.
3.2
De kantonrechter kan besluiten om de huurovereenkomst niet te ontbinden als de tekortkoming zo’n bijzonder karakter of zo weinig betekenis heeft, dat die tekortkoming een ontbinding met alle gevolgen daarvan niet rechtvaardigt. Een gevolg van de ontbinding van een huurovereenkomst is dat de huurder het gehuurde moet ontruimen.
[onderbewindgestelde] moet haar hoofdverblijf in de woning hebben
3.3
Centrada en [onderbewindgestelde] hebben vanaf 20 oktober 2023 een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op die huurovereenkomst zijn de ‘algemene huurvoorwaarden woningen’ van Centrada van 1 januari 2021 van toepassing. In artikel 6.3 van deze algemene voorwaarden staat dat de huurder het exclusieve hoofdverblijf in de woning moet hebben. Het is niet toegestaan om de woning als tweede woning te gebruiken met een hoofdverblijf ergens anders. Met het begrip ‘hoofdverblijf’ bedoelt Centrada dat de huurder minimaal vijf dagen per week in de woning verblijft en overnacht. Dat staat ook genoemd in artikel 6.3 van de algemene voorwaarden. Verder geldt in het algemeen dat een huurder zijn of haar hoofdverblijf in een woning heeft als het leven van de huurder zich voornamelijk in en vanuit de woning afspeelt.
3.4
Bij de beoordeling van de vraag of [onderbewindgestelde] haar verplichting uit artikel 6.3 van de algemene voorwaarden heeft geschonden, moet de kantonrechter alle omstandigheden van deze zaak betrekken. Op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is het aan Centrada om te stellen en (als dat nodig is) te bewijzen dat [onderbewindgestelde] haar hoofdverblijf niet in de woning heeft. Van de bewindvoerders wordt wel verlangd dat zij feitelijke gegevens aanleveren waaruit zou kunnen blijken dat [onderbewindgestelde] haar hoofdverblijf wél in de woning heeft (de verzwaarde motiveringsplicht).
3.5
Partijen zijn het erover eens dat [onderbewindgestelde] vanaf de aanvang van de huurovereenkomst op 20 oktober 2023 tot en met 9 december 2024 in ieder geval niet in de woning heeft gewoond. In deze periode woonde [onderbewindgestelde] samen met haar kinderen in de woning aan het adres [adres 2] in [plaats 2] . Dat is de woning waar [onderbewindgestelde] tijdens haar huwelijk met haar toenmalige echtgenoot en de kinderen heeft gewoond. De kantonrechter begrijpt uit de stukken dat Centrada de woning aan de [adres 2] verhuurt aan de ex-echtgenoot van [onderbewindgestelde] .
3.6
Op 13 november 2024 hebben Centrada en [onderbewindgestelde] een gesprek gehad op het kantoor van Centrada. Zij hebben toen afgesproken dat [onderbewindgestelde] uiterlijk op 4 december 2024 haar hoofdverblijf in de woning moest hebben. Op 4 december 2024 woonde [onderbewindgestelde] nog niet in de woning. Centrada heeft toen uitstel verleend tot 10 december 2024. Uit deze omstandigheden leidt de kantonrechter af dat Centrada er tot en met 9 december 2024 mee heeft ingestemd dat [onderbewindgestelde] haar hoofdverblijf niet in de woning had. Daarom zal de kantonrechter alleen de omstandigheden na 9 december 2024 meewegen bij de verdere beoordeling van de vraag of [onderbewindgestelde] haar verplichtingen niet is nagekomen.
Het standpunt en de argumenten van Centrada
3.7
Volgens Centrada heeft zij ook vanaf 10 december 2024 geconstateerd dat [onderbewindgestelde] (samen met haar kinderen) in de woning aan het adres [adres 2] verblijft en dat zij haar hoofdverblijf dus niet in de woning aan de [adres 1] heeft. Centrada stelt dat:
zij een groot aantal huisbezoeken bij de woning aan de [adres 1] heeft gebracht en dat zij [onderbewindgestelde] nooit in of bij deze woning heeft aangetroffen (alleen af en toe haar exechtgenoot);
zij een groot aantal keren de woning aan de [adres 2] heeft geobserveerd en dat zij [onderbewindgestelde] iedere keer in of bij deze woning heeft aangetroffen;
omwonenden van de woning aan de [adres 1] tijdens meerdere buurtonderzoeken hebben verklaard dat [onderbewindgestelde] niet in de woning woont;
de woning aan de [adres 1] niet of nauwelijks is ingericht;
[onderbewindgestelde] zelf in gesprekken verklaringen heeft afgelegd over haar verblijf in de woning aan de [adres 1] die niet overeenstemmen met de huisbezoeken en observaties van Centrada;
de gemeente de uitkering van [onderbewindgestelde] heeft stopgezet, omdat de gemeente na eigen onderzoek tot de conclusie kwam dat [onderbewindgestelde] niet in de woning aan de [adres 1] woont.
Het standpunt en de argumenten van de bewindvoerders
3.8
Volgens de bewindvoerders heeft [onderbewindgestelde] wel degelijk haar hoofdverblijf in de woning aan de [adres 1] . Zij voeren aan dat er veel in de woning moest worden geklust en dat [onderbewindgestelde] in eerste instantie niet genoeg geld had om inboedel voor de woning te kopen. Volgens de bewindvoerders is de woning inmiddels wel meer ingericht en verblijft [onderbewindgestelde] hier regelmatig met haar kinderen. Dat blijkt volgens de bewindvoerders uit:
bevestigingen van bestellingen van inboedel voor de woning in de maand mei 2025;
jaarafrekeningen uit oktober 2025 en november 2025 van het drinkwater- en energieverbruik in de woning, en;
een schriftelijke verklaring van de ambulant woonbegeleider van [onderbewindgestelde] .
De bewindvoerders hebben deze stukken ingediend.
3.9
Daarnaast betwisten de bewindvoerders dat [onderbewindgestelde] haar hoofdverblijf in de woning aan de [adres 2] heeft. Zij voeren aan dat [onderbewindgestelde] veel in die woning aanwezig is, omdat zij een flexibel ouderschapsplan en een goede omgangsregeling met haar ex-echtgenoot heeft. Volgens de bewindvoerders zorgt [onderbewindgestelde] hier (overdag) voor de kinderen als haar ex-echtgenoot weg is, omdat deze woning naast de school van de kinderen ligt. De bewindvoerders voeren aan dat de gemeente er ten onrechte van uit is gegaan dat [onderbewindgestelde] op de [adres 2] en niet op de [adres 1] woont. Volgens de bewindvoerders heeft de gemeente haar beslissing om de uitkering van [onderbewindgestelde] te stoppen inmiddels teruggedraaid.
[onderbewindgestelde] heeft haar hoofdverblijf niet in de woning
3.10
De kantonrechter oordeelt dat [onderbewindgestelde] haar hoofdverblijf niet in de woning aan de [adres 1] heeft. Centrada heeft haar standpunt over het hoofdverblijf van [onderbewindgestelde] namelijk uitgebreid onderbouwd en de bewindvoerders hebben daar onvoldoende tegenover gezet. De kantonrechter licht dit hierna verder toe.
3.11
Allereerst heeft Centrada een groot aantal interne notities ingediend van haar huisbezoeken aan de [adres 1] en van haar observaties bij de [adres 2] . De bewindvoerders voeren aan dat de huisbezoeken en observaties door Centrada stelselmatig zijn en een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [onderbewindgestelde] opleveren. Volgens de bewindvoerders heeft Centrada onrechtmatig gehandeld en moeten de interne notities daarom buiten beschouwing worden gelaten bij de beoordeling. Dit verweer gaat niet op. Hoewel Centrada inderdaad vrij ver is gegaan in haar dossieropbouw, begrijpt de kantonrechter dat Centrada haar standpunt deugdelijk wil onderbouwen en dat zij aan nauwkeurige verslaglegging wil doen. Of het handelen van Centrada in dit geval onrechtmatig is, kan in het midden blijven. Ook als dat het geval zou zijn, laat de kantonrechter de interne notities meewegen bij de beoordeling in deze zaak. Het is vaste rechtspraak dat de omstandigheid dat bewijs onrechtmatig zou zijn verkregen niet noodzakelijkerwijs meebrengt dat de civiele rechter geen acht op dat bewijs mag slaan. De civiele rechter moet terughoudend zijn met het uitsluiten van bewijs. Voor de beoordeling van de vraag of het bewijs mag worden meegewogen, moet de kantonrechter een belangenafweging maken. In dit geval weegt het (maatschappelijk) belang van de waarheidsvinding zwaarder dan het belang van [onderbewindgestelde] bij de waarborging van haar privacy. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat het in deze zaak gaat om een verwijt van woonfraude voor een sociale huurwoning waarvoor grote wachtlijsten bestaan.
3.12
Uit de interne notities blijkt dat Centrada in de periode vanaf 5 februari 2025 tot en met 18 februari 2026 meerdere keren onaangekondigd bij de woning aan de [adres 1] is geweest. In de notities omschrijft Centrada de situatie in en rondom de woning. Zo staat in een notitie van 7 mei 2025:
“Bezoek aan de woning gebracht. Foto's gemaakt en aangebeld. Niemand getroffen. De groenbak lijkt niet gebruikt te worden. Het ligt al een aantal weken één verrotte bananenschil in. Ramen van woning zijn nog steeds afgeplakt met papier en vuilniszakken.”.
In een notitie van 21 augustus 2025 staat:
“Aan de tuin is nog steeds niks veranderd. Onkruid ontzettend hoog en nog niks aan het hekwerk gebeurd. Tuin maakt een erg onverzorgde indruk. De oranje afvalbak zit helemaal vol.
Om 15:23 uur aangebeld. Niemand thuis of niemand doet open.”.
Op 9 oktober 2025 constateert Centrada:
“Er is nog steeds niks veranderd aan de tuin. Onkruid staat hoog, gras wordt niet gemaaid, in de tuin nog steeds een winkelkar met verfemmers en stukken laminaat. Ook is er nog niks gedaan met de schutting, terwijl de schuttingdelen wel al lange tijd in de tuin staan. Voor het raam waar de kinderen zouden slapen (wat verteld werd bij de rondleiding door het huis, door moeder), zitten kranten geplakt. Dit is in ieder geval al vanaf augustus zo. Hiervoor hing er niks. Aan de inhoud van de groencontainer is sinds 4 juni 2025 weinig veranderd behalve dat er vandaag verpakkingen van de Mcdonalds en Redbull te zien zijn. Hetzelfde geldt voor de grijze bak met oranje deksel.
Om 08:44 aangebeld bij de woning, ondanks dat er een auto (met kenteken [kenteken] ) voor de deur staat en een fiets tegen het huis, wordt er niet open gedaan.”.
Op 19 november 2025 schrijft Centrada:
“Om 11:01 uur aangebeld, geen reactie. Het ziet er donker uit in de woning. Foto's gemaakt. Inhoud van de containers is nog steeds exact hetzelfde als voorgaande keren. Tuin ligt er ook hetzelfde bij. Schuttingen liggen nog in de tuin te wachten.”.
En in een notitie van 10 februari 2026 staat:
“19:11 uur bij de woning. Aangebeld, niemand aanwezig. Er staat een klein lampje aan in de woning, maar woning lijkt nog steeds onbewoond. Nog steeds dezelfde afval in de containers. (…)”.
Centrada heeft meer soortgelijke notities ingediend. Bij geen van de onaangekondigde huisbezoeken heeft Centrada [onderbewindgestelde] in of bij de woning gezien. Aan alle notities zijn ook foto’s toegevoegd. Die foto’s ondersteunen de inhoud van de notities. Op de foto’s maakt de woning een onbewoonde en verlaten indruk.
3.13
De constateringen van Centrada tijdens de huisbezoeken worden ondersteund door verklaringen die omwonenden tijdens buurtonderzoeken hebben afgelegd. Centrada heeft van die buurtonderzoeken interne notities ingediend, waarin zij heeft beschreven wat omwonenden hebben verklaard. In een notitie van 22 april 2025 staat bijvoorbeeld:
“Geeft aan af en toe iemand gezien te hebben. Meneer geeft aan te weten dat mevrouw [onderbewindgestelde] (kent haar uit het verleden, uit de wijk) heel af en toe langs komst op haar scooter, maar niet in de woning verblijft. Meneer geeft aan dat man ( [F] ) ook wel eens gezien is en dat hij gehoord heeft dat buren overlast hebben gehad van het stel in verband met ruzies in de woning. Politie is hier ook voor langs geweest.”.
In een andere notitie van 9 juli 2025 staat:
“Er is heel af en toe activiteit. Oudste zoon wel eens gezien, was vader aan het helpen met de
schutting. Andere kinderen vrijwel nooit Als mevrouw hier is, is dat een uurtje en dan is ze weer weg. Ze wonen hier echt niet en ze zijn hier vrijwel nooit. Ook meneer is hier bijna nooit. In de afgelopen 1,5 jaar tijd is dat op één hand te tellen.”.
En in een notitie van 23 januari 2026 schrijft Centrada:
“Na het bezoek aan de woning spreekt (…) ons uit zichzelf aan en zegt dat er niks is veranderd bij de [adres 1] . De woning wordt volgens hem nog steeds niet bewoond. Hij geeft aan dat ze er 3 weken geleden een fiets hebben neergezet, maar dat er niemand te zien is.”.
Daarnaast heeft Centrada een e-mail ingediend die zij op 19 november 2025 van een omwonende heeft ontvangen. In de e-mail schrijft de omwonende:
“Wij wonen op [..] (…) en hebben al aantal jaren contact gehad met jullie over de buren op [adres 1] .
(…) In het begin was er erg weinig te merken en viel het op dat het huis al lange tijd niet bewoond was. Niet alleen door ons, maar ook meerdere mensen in de straat hebben dit vernomen.
Later zagen wij af en toe 2 mensen bij het huis. Het gaat om een man en een vrouw. Zij hebben ook kinderen volgens mij 3 die er heel af en toe zijn geweest. Als er iemand aanwezig is dan is het vooral de man. De vrouw en kinderen zijn denk ik op 2 handen na te tellen hoe vaak die er geweest zijn in de afgelopen 2 jaar.
In de periode dat de mensen er af en toe kwamen viel het op dat de ramen werden afgeplakt en er totaal geen beweging te zien was dat het huis echt werd bewoond. Tuin is nog steeds totaal niet onderhouden, en wij buren horen ook dat het huis nagenoeg leeg staat. Dit horen wij door als er iemand praat naast ons, alles galmt door wat wijst dat er nagenoeg geen meubels, gordijnen, vloer etc aanwezig is die de geluiden dempen. Dit viel natuurlijk ook op door andere bewoners en meerdere bewoners in onze straat en de straat achter ons hebben hier melding van gemaakt bij de politie, gemeente en Centrada. (…)
Tot nu toe zie ik nog steeds weinig beweging in het huis. De man komt af en toe een paar dagen langs, maar ik zie verder geen kinderen of de vrouw.”.
3.14
Daar komt bij dat Centrada interne notities van de observaties bij de woning aan de [adres 2] heeft ingediend. De observaties zijn gedaan in de periode vanaf 20 mei 2025 tot en met 18 februari 2026. Uit de notities blijkt dat [onderbewindgestelde] keer op keer wel in of bij deze woning aanwezig was. Zo staat in een notitie van 20 mei 2025:
“Om 08:20 uur gaat de deur van de woning open en de oudste zoon verlaat de woning. Om 08:25 uur gaat de voordeur nogmaals open. De twee jongste kinderen verschijnen in eerste instantie in de deuropening, mevrouw [onderbewindgestelde] volgt. Mevrouw draagt geen hoofddoek en draagt een lichtblauwe jurk. De kinderen verlaten de woning en mevrouw [onderbewindgestelde] sluit de deur en verdwijnt de woning weer in. (…)”.
Op 10 juli 2025 constateert Centrada:
“- 08:14: Keukenraam gaat open. Mevrouw [onderbewindgestelde] verschijnt in de opening en gooit brood naar buiten. Mevrouw draagt een zwart hemdje zonder mouwen en draagt geen hoofddoek. - 08:14: Een halve minuut later komt oudste zoon aanfietsen (vanaf de kant waar de woningen staan). - 08:15: Jongste zoon komt ook aanfietsen. maar dan van de andere kant (vanaf de kant van de school). - Beide jongens verdwijnen de woning in met hun fietsen en doen de deur dicht - 08:28: Deur van woning gaat weer open. Zoons en mevrouw [onderbewindgestelde] verlaten het huis. Zoons hebben andere kleren aan dan waar ze eerder in aankwamen. Mevrouw [onderbewindgestelde] draagt nu een zwart gewaad en een hoofddoek. Ze lopen naar de school en vertrekken naar binnen. - 08:33: Mevrouw [onderbewindgestelde] loopt weer naar de woning toe en staat een tijdje te praten met een andere vrouw.”.
In een notitie van 24 juli 2025 schrijft Centrada:
“De achterdeur naar de tuin staat open. Om 10:08 uur aangebeld bij de woning. Na enige tijd doet dochter van mevrouw de deur open. (…) Mevrouw [onderbewindgestelde] komt aan de deur. Aan mevrouw gevraagd of de hoofdhuurder aanwezig is. Hierop gaf ze aan dat die er niet was, die was aan het werk. Mevrouw zou op dit moment in de woning zijn omdat haar dochter misselijk was. Dat zou er dan op lijken dat de (jonge) kinderen anders alleen in deze woning zouden zijn, gezien ex-man moest werken en mevrouw hier alleen is omdat haar dochter misselijk is. Verder kunnen wij via de deur zien dat deze woning bewoond wordt door kinderen en hierop volledig ingericht is. Dit is bij de [adres 1] niet het geval.”.
En in een notitie van 9 oktober 2025 staat:
“Om 08:20 uur verschijnt een van de zoons van mevrouw in de deuropening, stapt naar buiten, gaat vervolgens weer naar binnen en sluit de deur. Mevrouw [onderbewindgestelde] verschijnt vanachter het gordijn in het keukenraam. Om 08:21 gaat de voordeur weer open en stappen een van de zoons en dochter met mevrouw [onderbewindgestelde] naar buiten. Het gezelschap vertrekt naar de school.”.
Centrada heeft nog meer notities van observaties bij de woning aan de [adres 2] ingediend, waarin staat dat zij [onderbewindgestelde] in deze woning heeft gezien. Ook bij deze notities zijn foto’s gevoegd die de observaties ondersteunen. Naast de notities heeft Centrada een e-mail ingediend die zij op 7 augustus 2025 aan haar gemachtigde heeft gestuurd. In deze e-mail schrijft Centrada:
“Op 6-8-2025 om 21:33 uur wezen kijken bij de woning. Er brandde licht en de achterdeur stond open. Toen ik langs het voetbalpleintje reed, zag ik mevrouw [onderbewindgestelde] (felblauw gewaad en beige hoofddoek) over het pleintje lopen met meerdere kinderen (niet volledig zichtbaar of dit al haar kinderen waren, maar sowieso één) en een andere vrouw.
Mevrouw [onderbewindgestelde] liep naar de woning gelegen aan de [adres 2] .”.
3.15
[onderbewindgestelde] is dus in ongeveer één jaar tijd keer op keer op verschillende dagdelen (’s ochtends, ’s middags en ’s avonds) in of bij de woning aan de [adres 2] gezien en geen enkele keer in of bij de woning aan de [adres 1] . Daarnaast is gebleken dat de woning aan de [adres 1] na 9 december 2024 ook lange tijd niet of nauwelijks is ingericht. Zo staat in een interne notitie van Centrada van een aangekondigd huisbezoek op 20 mei 2025:
“Op 20 mei 2025 om 13:00 uur een huisbezoek gebracht aan de [adres 1] . De woning is minimaal ingericht. Uit niks blijkt dat hier kinderen wonen, op een paar schoenen na. Er liggen maar 2 tandenborstels in de badkamer, de slaapkamers zijn niet ingericht. In één slaapkamer liggen twee luchtbedden, zonder dekens. De drie kinderen zouden hier slapen. Verder is er geen kinderkleding aanwezig in de kamers. Mevrouw geeft aan zelf op de bank te slapen. Ook hier ligt verder geen deken. Er ligt brood in de keuken. Er hangen beneden geen gordijnen. De ramen zijn afgeplakt met reclamefolders.”.
3.16
De interne notities en overige stukken van Centrada wijzen erop dat [onderbewindgestelde] haar hoofdverblijf niet in de woning aan de [adres 1] had (of heeft). De bewindvoerders hebben onvoldoende aangevoerd om daar anders over te oordelen. Zo is het de kantonrechter niet duidelijk geworden dat de woning op enig moment wel (verder) is ingericht. [gedaagde sub 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij zelf één keer met [onderbewindgestelde] in de woning heeft afgesproken en dat de woonkamer op dat moment met “de basics” was ingericht. Deze verklaring is niet voldoende, ook niet in combinatie met de bevestigingen van bestellingen van inboedel (waaronder een bed en een gasfornuis). Als de woning daadwerkelijk zou zijn ingericht, had het op de weg van de bewindvoerders gelegen om hier meer stukken van in te dienen (bijvoorbeeld foto’s van de inrichting). Dat geldt al helemaal omdat [onderbewindgestelde] tijdens de mondelinge behandeling zelf heeft verklaard dat zij sinds juli 2025 een baan heeft waarbij zij deels vanuit de woning aan de [adres 1] en deels op kantoor werkt. Van deze thuiswerkplek hadden de bewindvoerders eenvoudig foto’s of andere stukken kunnen indienen.
3.17
Ook de jaarafrekeningen van het drinkwater- en energieverbruik in de woning aan de [adres 1] zijn onvoldoende. Deze afrekeningen zeggen nog niets over het hoofdverblijf van [onderbewindgestelde] . Op de afrekeningen staat weliswaar een drinkwaterverbruik van 37 m³ en een energieverbruik van 1.750 m³, maar Centrada stelt terecht dat een deel van het verbruik kan komen doordat de ex-echtgenoot van [onderbewindgestelde] af en toe (ook ’s nachts) in de woning aanwezig is. Daarnaast stelt Centrada dat zij tijdens onaangekondigde huisbezoeken heeft geconstateerd dat de kraan in de keuken lange tijd openstond. Centrada heeft van deze huisbezoeken interne notities ingediend. In de notitie van het huisbezoek op 19 november 2025 staat:
“Om 11:01 uur aangebeld, geen reactie. (…) Opvallend is dat er te zien is via het keukenraam, dat de kraan van de keuken open staat en loopt.
(…)
In de middag teruggekeerd naar de woning om 14:37 uur om te kijken of de kraan nog liep. Dit is wel het geval. Zie filmopname. Bij woning aangebeld om 14:38 uur. Niemand thuis of er werd niet open gedaan.”.
In notities van 20 en 21 november 2025 schrijft Centrada dat de kraan nog steeds openstaat, maar dat er niemand thuis is of dat er in ieder geval niet wordt opengedaan. Toen Centrada op 21 november 2025 in de avond nog een keer langs de woning ging, bleek de kraan te zijn dichtgedraaid. Dat sprake is van verbruik in de woning, wil dus nog niet zeggen dat [onderbewindgestelde] ook daadwerkelijk in de woning woont.
3.18
De bewindvoerders hebben tot slot een schriftelijke verklaring van de ambulant woonbegeleider van [onderbewindgestelde] van 2 januari 2026 ingediend, waarin zij de (financiële) situatie van [onderbewindgestelde] toelicht. In de verklaring staat niets waaruit kan worden afgeleid dat [onderbewindgestelde] haar hoofdverblijf in de woning aan de [adres 1] heeft. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de ambulant begeleider op een vraag van de kantonrechter aanvullend verklaard dat zij ongeveer twintig keer met [onderbewindgestelde] in de woning heeft afgesproken. De kantonrechter vindt deze aanvullende verklaring niet voldoende (en ook niet geloofwaardig). Van de afspraken zijn geen notities of andere verslagleggingen overgelegd. Ook is onduidelijk gebleven wanneer de afspraken zouden hebben plaatsgevonden.
3.19
Naar het oordeel van de kantonrechter hadden de bewindvoerders meer feitelijke gegevens kunnen en moeten aanleveren waaruit zou kunnen blijken dat [onderbewindgestelde] haar hoofdverblijf wél in de woning heeft. Omdat zij dat niet hebben gedaan, hebben de bewindvoerders niet aan hun verzwaarde motiveringsplicht voldaan. De argumenten van Centrada over de verklaringen van [onderbewindgestelde] zelf en over de beslissing van de gemeente om de uitkering van [onderbewindgestelde] stop te zetten, kunnen onbesproken blijven.
3.20
De kantonrechter komt tot de conclusie dat [onderbewindgestelde] haar verplichting om haar hoofdverblijf in de woning te houden, heeft geschonden. Het is niet mogelijk om die verplichting vanaf 10 december 2024 alsnog na te komen. Daarom is in dit geval voor ontbinding van de huurovereenkomst geen verzuim vereist.
De tekortkoming van [onderbewindgestelde] rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst
3.21
De bewindvoerders voeren aan dat de woning lange tijd niet bewoonbaar was voor [onderbewindgestelde] (en haar kinderen), omdat [onderbewindgestelde] geen financiële middelen had om de woning op te knappen en in te richten. Volgens de bewindvoerders had dat onder andere te maken met problemen met de vorige bewindvoerder en met het feit dat de gemeente de uitkering van [onderbewindgestelde] had stopgezet. Daarnaast was volgens de bewindvoerders sprake van een onveilige situatie voor de kinderen van [onderbewindgestelde] bij de woning, omdat de schutting in de achtertuin was omgevallen of ontbrak. Daar komt volgens de bewindvoerders bij dat [onderbewindgestelde] slachtoffer van de toeslagenaffaire is en dat zij lang onstabiel is geweest. De kantonrechter begrijpt uit dit verweer dat de bewindvoerders zich op het standpunt stellen dat de huurovereenkomst in stand moet blijven, omdat de tekortkoming van [onderbewindgestelde] geen ontbinding rechtvaardigt. Bij de beoordeling van dit verweer moet de kantonrechter alle omstandigheden van het geval meewegen.
3.22
Het verweer van de bewindvoerders gaat niet op. De kantonrechter is van oordeel dat de tekortkoming van [onderbewindgestelde] ernstig genoeg is voor een ontbinding van de huurovereenkomst. Allereerst is het hebben van het hoofdverblijf in een huurwoning een belangrijke verplichting. Dat geldt al helemaal omdat het in dit geval gaat om een sociale huurwoning die niet zomaar aan een kandidaat-huurder wordt toegewezen en waarvoor lange wachtlijsten bestaan.
3.23
Ten tweede heeft [onderbewindgestelde] ondanks haar financiële situatie kansen gehad om de woning bewoonbaar te maken. Uit de stukken blijkt namelijk dat [onderbewindgestelde] op enig moment een aanbod heeft gekregen om gratis inboedel bij de kringloopwinkel [kringloopwinkel] in [plaats 2] uit te zoeken. [onderbewindgestelde] heeft van dit aanbod geen gebruik van gemaakt. Centrada heeft een interne notitie van 5 november 2024 ingediend over een contactmoment met een (voormalig) ambulant woonbegeleider van [onderbewindgestelde] , mevrouw [G] . In die notitie staat:
“[G (voornaam)] heeft geregeld dat mw haar inboedel (Bank, tafel, servies, gasfornuis enz enz) kosteloos mag uitzoeken bij [kringloopwinkel] en dat zij dit kosteloos bezorgen. Mw heeft tot nu toe geen actie ondernomen - [G (voornaam)] is in de woning geweest en de wanden zijn gestukt er ontbreek alleen nog een vloer - [G (voornaam)] geeft aan dat mw weinig in actie komt”.
Daarnaast heeft [onderbewindgestelde] al sinds medio april 2025 een andere bewindvoerder ( [gedaagde sub 1] ). Sindsdien lijkt er weinig in de woning te zijn veranderd. Dat in (een deel van) de achtertuin geen schutting stond, is geen goede reden om niet in de woning te gaan wonen. Het verweer van de bewindvoerders dat de woning lange tijd onbewoonbaar of onveilig was, kan hen dan ook niet helpen.
3.24
De kantonrechter weegt ook mee dat de tekortkoming van [onderbewindgestelde] al meer dan een jaar voortduurt en dat Centrada [onderbewindgestelde] genoeg kansen heeft gegeven om haar verplichtingen na te komen. In eerste instantie heeft Centrada [onderbewindgestelde] tot en met 9 december 2025 de tijd gegeven om alsnog in de woning te gaan wonen. Toen [onderbewindgestelde] medio april 2025 een andere bewindvoerder kreeg, heeft Centrada besloten om de situatie nog even af te wachten. Vervolgens heeft op 20 mei 2025 een gesprek tussen Centrada en [onderbewindgestelde] plaatsgevonden op het kantoor van Centrada. Na dit gesprek heeft Centrada [onderbewindgestelde] op 27 mei 2025 een brief gestuurd, waarin zij benadrukt dat [onderbewindgestelde] met haar kinderen in de woning moet wonen en dat Centrada maatregelen gaat nemen als [onderbewindgestelde] zich niet aan haar verplichtingen houdt. In de brief staat dat Centrada verwacht dat [onderbewindgestelde] de woning uiterlijk op 15 juni 2025 volledig heeft ingericht en dat de woning dan wordt bewoond. Op 5 juni 2025 heeft [onderbewindgestelde] contact met Centrada opgenomen om (onder andere) te laten weten dat zij 15 juni 2025 niet zou gaan redden. Centrada heeft van dit contactmoment een interne notitie ingediend. Ondertussen heeft Centrada haar onderzoek naar het hoofdverblijf van [onderbewindgestelde] voortgezet. Uiteindelijk heeft Centrada [onderbewindgestelde] op 11 juli 2025 een brief gestuurd waarin zij [onderbewindgestelde] verzoekt en sommeert om de huur vrijwillig op te zeggen (wat [onderbewindgestelde] niet heeft gedaan). Uit al deze omstandigheden volgt dat [onderbewindgestelde] meer dan genoeg tijd heeft gekregen om van de woning aan de [adres 1] haar hoofdverblijf te maken.
3.25
Tot slot is de kantonrechter van oordeel dat de belangen van Centrada bij ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning zwaarder wegen dan de belangen van [onderbewindgestelde] bij behoud van de woning. Als de huurovereenkomst eindigt en [onderbewindgestelde] de woning ontruimt, kan Centrada de gezinswoning toewijzen en verhuren aan een kandidaat die wel zijn of haar hoofdverblijf in de woning houdt. Tegelijkertijd verliest [onderbewindgestelde] door een ontbinding en ontruiming geen onderdak. Zij heeft haar hoofdverblijf namelijk ergens anders. De kantonrechter vermoedt net als Centrada dat [onderbewindgestelde] met haar kinderen in de woning aan de [adres 2] woont.
De huurovereenkomst eindigt en de bewindvoerders moeten de woning ontruimen
3.26
De conclusie is dat de kantonrechter de huurovereenkomst zal ontbinden. Het gevolg van die ontbinding is dat de bewindvoerders (of eigenlijk: [onderbewindgestelde] ) de woning moeten ontruimen. Zij krijgen hiervoor veertien dagen de tijd nadat dit vonnis aan hen is betekend.
De bewindvoerders moeten de proceskosten betalen
3.27
De bewindvoerders hebben ongelijk gekregen en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Centrada worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
149,02
- griffierecht
€
135,00
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
826,52
3.28
De kantonrechter wijst de door Centrada gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toe zoals in de beslissing staat vermeld.
De bewindvoerders worden hoofdelijk veroordeeld
3.29
De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.30
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat Centrada het vonnis direct kan (laten) uitvoeren, als de bewindvoerders niet aan het vonnis (waaronder de veroordeling tot ontruiming) voldoen. De bewindvoerders kunnen dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als zij hoger beroep hebben ingesteld en nog niet op dat hoger beroep is beslist. Het uitgangspunt is dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de belangen van de bewindvoerders (of eigenlijk [onderbewindgestelde] ) om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten zwaarder wegen dan de belangen van Centrada om direct over te kunnen gaan tot uitvoering van het vonnis. De belangen die hierbij worden meegewogen, zijn genoemd in rechtsoverweging 3.25. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval de belangen van Centrada zwaarder wegen dan de belangen van de bewindvoerders en [onderbewindgestelde] . Daarom zal het vonnis volgens het uitgangspunt uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
in reconventie
De bewindvoerders zijn niet-ontvankelijk
3.31
De bewindvoerders hebben vijf dagen vóór de mondelinge behandeling (en dus na de conclusie van antwoord) een akte met daarin een eis in reconventie ingediend. Dat is te laat. Artikel 137 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat een eis in reconventie meteen bij het antwoord moet worden ingesteld. De bewindvoerders zijn dus nietontvankelijk in hun tegenvorderingen. Daarom zal de kantonrechter de vorderingen niet inhoudelijk beoordelen.
De bewindvoerders moeten de proceskosten betalen
3.32
De bewindvoerders moeten de proceskosten in reconventie betalen. De kantonrechter begroot de proceskosten van Centrada op nihil (nul), omdat de tegenvorderingen geen (substantieel) meerwerk voor de gemachtigde van Centrada hebben opgeleverd.
4De beslissing
De kantonrechter:
in conventie
4.1
ontbindt de huurovereenkomst tussen Centrada en [onderbewindgestelde] voor de woning aan het adres [adres 1] in [plaats 2] per vandaag;
4.2
veroordeelt de bewindvoerders hoofdelijk om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan het adres [adres 1] in [plaats 2] te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, voor zover die aan [onderbewindgestelde] toebehoren en niet aan Centrada, en om de woning in oorspronkelijke, onbeschadigde en schone staat op te leveren en onder afgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van Centrada te stellen, met het verbod om de woning na de ontruiming opnieuw te betrekken of te gebruiken;
4.3
veroordeelt de bewindvoerders hoofdelijk in de proceskosten van € 826,52, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
4.4
veroordeelt de bewindvoerders hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening zijn betaald;
4.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
4.7
verklaart de bewindvoerders niet-ontvankelijk;
4.8
veroordeelt de bewindvoerders in de proceskosten, aan de zijde van Centrada begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.