Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBMNE:2026:2846

Kort geding. Werknemer is vrijgesteld van werk vooruitlopend op ontbindingsprocedure. Geen zwaarwegende grond. Vorderingen tot toelating tot werk en rectificatie toegewezen.

Rechtbank Midden-Nederland 2 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBMNE:2026:2846 text/xml public 2026-06-02T09:03:28 2026-05-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-15 12158352 AV EXPL 26-19 Uitspraak Kort geding NL Amersfoort Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2846 text/html public 2026-06-02T09:02:33 2026-06-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2846 Rechtbank Midden-Nederland , 15-05-2026 / 12158352 AV EXPL 26-19
Kort geding. Werknemer is vrijgesteld van werk vooruitlopend op ontbindingsprocedure. Geen zwaarwegende grond. Vorderingen tot toelating tot werk en rectificatie toegewezen.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Amersfoort

Zaaknummer: 12158352 AV EXPL 26-19

Vonnis in kort geding van 15 mei 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. K.R. Wagenaar-Bakker,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

statutair gevestigd te [plaats 2] , kantoorhoudende te [plaats 3] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigden: mr. F.H.A. ter Huurne en mr. C.A. Bosma.
1De procedure 1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 14 producties- de conclusie van antwoord met 32 producties- de mondelinge behandeling van 30 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van de gemachtigde van [eiser]- de pleitnota van de gemachtigden van [gedaagde] .
1.2
Op 30 april 2026 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling. [eiser] was aanwezig met zijn gemachtigde. Namens [gedaagde] zijn verschenen

[A] , algemeen directeur, en [B] , operationeel directeur, met de gemachtigden.
2De kern van de zaak 2.1
[eiser] is door [gedaagde] vrijgesteld van werk. [eiser] eist in deze procedure dat hij weer wordt toegelaten tot zijn werk en dat [gedaagde] hierover een rectificatie verstuurt. [gedaagde] vindt dat zij door structurele problemen met [eiser] een zwaarwegend belang heeft om hem vrij te stellen van werk en eerst de ontbindingsprocedure af te wachten. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] toe. [gedaagde] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een zwaarwegend belang heeft om [eiser] vrij te stellen. [gedaagde] moet [eiser] daarom weer toelaten tot zijn werkzaamheden en zij moet hierover een rectificatie versturen.
3De achtergrond van de zaak 3.1
[eiser] , 58 jaar, is op 9 januari 2023 bij [gedaagde] in dienst getreden in de functie van Clusterleider Retail voor bepaalde tijd. De arbeidsovereenkomst is daarna gewijzigd naar onbepaalde tijd. Het salaris bedraagt € 10.003,00 bruto per maand exclusief overige emolumenten voor een arbeidsduur van 38 uur per week.
3.2
[gedaagde] is een organisatie die zich bezighoudt met technische dienstverlening in de markten retail, industrie en utiliteit. Bij [gedaagde] werken ongeveer 600 medewerkers.
3.3
[eiser] is bij [gedaagde] verantwoordelijk voor één van de vier clusters, waar ongeveer 100 medewerkers werkzaam zijn. Als Clusterleider Retail is [eiser] verantwoordelijk voor het realiseren van het vast te stellen beleid en het leidinggeven aan de dagelijkse operatie binnen het cluster. [eiser] behoort tot de kerngroep, die bestaat uit het directieteam, de clusterleiders en de commercieel managers. De kerngroep overlegt elke twee weken. [eiser] rapporteert aan de heer [B] , operationeel directeur en lid van het directieteam.
3.4
Eind oktober 2025 heeft [gedaagde] aan [eiser] meegedeeld dat zij de arbeidsovereenkomst wil beëindigen vanwege disfunctioneren en een concept-vaststellingsovereenkomst voorgelegd. [gedaagde] heeft [eiser] per brief van

31 oktober 2025 toegelicht dat hij november 2023 is aangesproken op zijn wijze van communiceren, maar dat hij die daarna niet heeft kunnen aanpassen. Daarbij heeft [gedaagde] gewezen op verschillende incidenten met [eiser] , in 2024 en 2025.
3.5
[eiser] is niet ingegaan op het beëindigingsvoorstel en heeft zijn werkzaamheden voortgezet, met uitzondering van zijn deelname aan het kerngroepoverleg, op verzoek van [gedaagde] . Omdat [gedaagde] twijfels had over het commitment van [eiser] , waardoor zij verwachtte dat een verbeterplan of voortzetting van de arbeidsovereenkomst zou mislukken, hebben partijen op voorstel van [gedaagde] besloten een mediationtraject te volgen, dat in februari 2026 is gestart. De mediation is begin maart 2026 geëindigd, zonder dat die tot een oplossing heeft geleid.
3.6
Op 13 maart 2026 heeft [gedaagde] [eiser] meegedeeld dat zij het dienstverband wil beëindigen, dat [eiser] per direct wordt vrijgesteld van werk en dat zij via haar gemachtigde een beëindigingsvoorstel zal toesturen. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen de vrijstelling, die hij als een schorsing beschouwt. Op 14 maart 2026 heeft de gemachtigde van [gedaagde] [eiser] in reactie op dit bezwaar meegedeeld dat hij niet tot het werk wordt toegelaten en dat het gaat om een vrijstelling van werk, niet om een schorsing. Daarbij heeft de gemachtigde van [gedaagde] meegedeeld dat de vrijstelling is gedaan in het belang van de organisatie, mede gelet op de ontstane onrust op de werkvloer en de inmiddels verstoorde arbeidsrelatie.
4De beoordeling
[eiser] heeft een spoedeisend belang
4.1
Een vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval gelet op de aard van de vordering (de toelating tot de bedongen arbeid).
4.2
Voor toewijzing van de vordering in dit kort geding is verder vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. Voor nader onderzoek naar feiten en omstandigheden is in dit kort geding in beginsel geen plaats. De beoordeling is een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
4.3
[eiser] beschouwt de vrijstelling van werkzaamheden als een ‘schorsing’. De kantonrechter is van oordeel dat er geen juridisch relevant onderscheid bestaat tussen een vrijstelling van werkzaamheden en het op non-actief stellen of schorsen van een werknemer. Hooguit kan worden geoordeeld dat ‘vrijstellen van werkzaamheden’ neutraler klinkt dan de meer beladen bewoordingen ‘op non-actief stellen’ of ‘schorsen’. De kantonrechter zal hierna zal de bewoordingen van [gedaagde] gebruiken en spreken over het vrijstellen van werkzaamheden of de vrijstelling.

[gedaagde] heeft geen zwaarwegende grond om [eiser] niet toe te laten tot zijn werk
4.4
Een werknemer niet toelaten tot de bedongen arbeid is een ingrijpende maatregel. Een werkgever mag een dergelijke maatregel alleen treffen als zij daar een voldoende zwaarwegende grond voor heeft.
4.5
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] geen zwaarwegende grond heeft om [eiser] niet meer toe te laten tot zijn bedongen arbeid als Clusterleider Retail.
4.6
[gedaagde] heeft niet onderbouwd wat voor haar de zwaarwegende reden was om [eiser] vrij te stellen van werk. [eiser] heeft na het beëindigingsvoorstel van [gedaagde] vanaf november 2025, met uitzondering van deelname aan het kerngroepoverleg, zijn werkzaamheden steeds verricht, ook tijdens het mediationtraject.

[gedaagde] heeft voor de vrijstelling verschillende redenen genoemd, die deels alleen in algemene bewoordingen zijn verwoord. [gedaagde] heeft onder meer als reden genoemd dat zij voornemens is de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Goed werkgeverschap brengt echter met zich mee dat een werknemer een ontslagprocedure in beginsel mag afwachten vanuit een werkende situatie. Deze omstandigheid is daarom onvoldoende om [eiser] niet meer tot het werk toe te laten. [gedaagde] heeft ook gesteld dat er onrust op de werkvloer is ontstaan en dat de arbeidsverhouding inmiddels is verstoord. [gedaagde] heeft niet onderbouwd waaruit deze onrust blijkt. [gedaagde] heeft tijdens deze procedure gewezen op de beoordeling in november 2023 waarbij is benoemd dat de communicatie verbetering behoeft en op incidenten met [eiser] met verschillende betrokkenen daarna. Omdat [eiser] tot en met 13 maart 2026 heeft gewerkt en nagenoeg zijn volledige werkzaamheden heeft verricht, is het niet aannemelijk dat de aanwezigheid van [eiser] tot (veel) onrust heeft geleid. Indien dat het geval was, dan had het meer voor de hand gelegen dat die onrust er al eerder was ontstaan. Dit geldt ook voor de gestelde verstoorde arbeidsverhouding. [gedaagde] heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van haar niet gevergd kan worden dat [eiser] zijn werkzaamheden verricht totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd. Ook uit de schriftelijke verklaringen van [A] en [B] , leden van het directieteam, blijkt niet dat het voor hen niet meer mogelijk is om met [eiser] samen te werken. Daarbij komt dat [eiser] al vanaf november 2025 niet meer deelneemt aan het kerngroepoverleg, zodat de aanwezigheid van [eiser] voor dat overleg geen probleem vormt. Van een zwaarwegende grond om de vrijstelling te handhaven is dus geen sprake. Het ontbindingsverzoek dat [gedaagde] heeft ingediend wordt op 29 mei 2026 mondeling behandeld door de kantonrechter. Naar verwachting zal het daarna nog vier weken duren voordat op het ontbindingsverzoek wordt beslist. Gelet op het ontbreken van een zwaarwegende grond voor de vrijstelling weegt het belang van [eiser] om zijn werk te hervatten en de beslissing op het ontbindingsverzoek vanuit een werkende situatie af te wachten, zwaarder.
4.7
De kantonrechter wijst daarom de vordering van [eiser] om hem weer tot het werk toe te laten, toe. [eiser] heeft gevorderd dat hij binnen 24 uur na dit vonnis weer wordt toegelaten tot zijn werk. De kantonrechter gaat ervan uit dat partijen na ontvangst van dit vonnis eerst gelegenheid nodig hebben om te bespreken op welke wijze de werkhervatting plaatsvindt, voorafgaand door de hierna toe te wijzen rectificatie. [gedaagde] zal daarom worden veroordeeld [eiser] met ingang van dinsdag 19 mei 2026 weer toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, zoals hij deze vanaf november 2025 heeft verricht. De door [eiser] gevraagde dwangsom wordt over deze veroordeling als prikkel tot nakoming toegewezen. Als [gedaagde] zich hieraan houdt, is zij geen dwangsom verschuldigd. De kantonrechter ziet wel aanleiding de gevorderde dwangsom te maximeren tot een bedrag van € 25.000,00.

[gedaagde] moet een rectificatiebericht versturen
4.8
Niet is weersproken dat [gedaagde] heeft gecommuniceerd dat [eiser] is vrijgesteld. Omdat [eiser] zonder zwaarwegende grond is vrijgesteld van werk en [gedaagde] wordt veroordeeld hem weer toe te laten tot zijn werk, wordt ook de vordering tot het versturen van een rectificatie toegewezen.
4.9
[eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] in ieder geval met de personen, genoemd in punt 4.17 van de dagvaarding, heeft gecommuniceerd over zijn schorsing. [gedaagde] heeft dat niet weersproken. [gedaagde] zal daarom in ieder geval aan deze personen een bericht moeten sturen, uiterlijk op maandag 18 mei 2026 om 12.00 uur, dat [eiser] ten onrechte is geschorst en dat hij weer tot het werk wordt toegelaten. De hiervoor gevorderde dwangsom wordt afgewezen. Het ligt namelijk voor de hand dat [gedaagde] de terugkeer van [eiser] in haar organisatie bekend maakt. [gedaagde] heeft nog gesteld dat het versturen van die rectificatie tot onrust en verwarring zal leiden. Als dat zo is, is dat het gevolg van de onterechte vrijstelling van werkzaamheden en komt dat dus voor rekening en risico van [gedaagde] .

[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.10
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [eiser] heeft geen explootkosten gemaakt omdat [gedaagde] vrijwillig is verschenen. De proceskosten van [eiser] worden daarom begroot op:

- griffierecht



93,00

- salaris gemachtigde



865,00

- nakosten



144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



1.102,00
5De beslissing
De kantonrechter
5.1
veroordeelt [gedaagde] [eiser] uiterlijk dinsdag 19 mei 2026 toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden zoals hij die vanaf november 2025 heeft verricht,
5.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van

€ 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet voldoet aan de hoofdveroordeling zoals vermeld in punt 5.1. van de beslissing, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
5.3
veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk maandag 18 mei 2026 om 12.00 uur een bericht te verzenden aan de personen zoals genoemd in punt 4.17 van de dagvaarding, waarin staat: ‘ [eiser] is ten onrechte geschorst en hij wordt weer toegelaten tot zijn werk’, of een bericht in andere bewoordingen met dezelfde strekking,
5.4
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.

40160

Artikel delen