Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBMNE:2026:3202

Deze uitspraak gaat over twee besluiten van het Uwv en hebben betrekking op de WIA-uitkering die eiseres ontvangt. Volgens het Uwv was eiseres volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt per 12 september 2022. Het Uwv heeft per 10 november 2023 de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 53,74%. Eiseres is het niet eens met deze besluiten, omdat zij vindt dat ze op beide data volledig en...

Rechtbank Midden-Nederland 1 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBMNE:2026:3202 text/xml public 2026-07-01T11:47:54 2026-06-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-06-03 UTR 25/4259 en 25/5279 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3202 text/html public 2026-07-01T11:47:33 2026-07-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:3202 Rechtbank Midden-Nederland , 03-06-2026 / UTR 25/4259 en 25/5279
Deze uitspraak gaat over twee besluiten van het Uwv en hebben betrekking op de WIA-uitkering die eiseres ontvangt. Volgens het Uwv was eiseres volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt per 12 september 2022. Het Uwv heeft per 10 november 2023 de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 53,74%. Eiseres is het niet eens met deze besluiten, omdat zij vindt dat ze op beide data volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft beslist dat eiseres per 12 september 2022 volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is en dat eiseres per 10 november 2023 in de mate van 53,74% arbeidsongeschikt is. Beroepsgronden slagen niet en het beroep is ongegrond.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 25/4259 en 25/5279
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S.L. Sarin),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. J.A. Voorn).

Als derde-partij neemt deel in de zaak 25/4259: Stichting [derde belanghebbende], uit [plaats] (de (ex)-werkgever).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over twee besluiten van het Uwv en hebben betrekking op de uitkering die eiseres ontvangt op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering). Volgens het Uwv was eiseres volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt per 12 september 2022. Het Uwv heeft per 10 november 2023 de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 53,74%. Eiseres is het niet eens met deze besluiten, omdat zij vindt dat ze op beide data volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Zij voert daartoe beroepsgronden aan die de rechtbank zal beoordelen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft beslist dat eiseres per 12 september 2022 volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is en dat eiseres per 10 november 2023 in de mate van 53,74% arbeidsongeschikt is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Voorgeschiedenis en besluitvorming
2. Eiseres is in januari 2013 ziek uitgevallen voor haar werkzaamheden als [functie] voor gemiddeld 31,19 uur. Zij heeft van 1 april 2015 tot en met 23 mei 2017 een WIA-uitkering ontvangen. De WIA-uitkering is beëindigd, omdat eiseres een jaar lang meer dan 65% heeft verdiend van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Eiseres heeft zich in november 2021 opnieuw ziekgemeld. Omdat zij binnen 5 jaar opnieuw arbeidsongeschikt werd vanwege dezelfde ziekte oorzaak als waarvoor zij eerder een WIA-uitkering ontving en omdat de WIA-uitkering niet eerder kan ingaan dan 52 weken voordat de WIA-uitkering is aangevraagd, is aan eiseres per 12 september 2022 een WIA-uitkering toegekend in de vorm van een loongerelateerde WGA-uitkering. Eiseres werd volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt bevonden. Dit staat in het besluit van 17 januari 2024 (primair besluit 1). Het Uwv heeft met een afzonderlijk besluit van 17 januari 2024 (primair besluit 2) de mate van arbeidsongeschiktheid per datum spreekuur bij de primaire verzekeringsarts (10 november 2023) vastgesteld op 49,01%.
2.1
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen beide primaire besluiten. Naar aanleiding van de bezwaren hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een nieuw onderzoek gedaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast voor beide beoordelingsdata, maar de beperkingen niet duurzaam geoordeeld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft per 12 september 2022 nog steeds geen passende functies kunnen duiden. Het Uwv heeft met de beslissing op bezwaar van 6 juni 2025 (bestreden besluit 1) het bezwaar van eiseres dat ziet op het beoordelingsmoment 12 september 2022 ongegrond verklaard. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vanwege de aangepaste FML de eerder per 10 november 2023 geduide voorbeeldfuncties verworpen en het maatmaninkomen opnieuw vastgesteld, omdat het maatmanloon niet conform het schattingsbesluit is geïndexeerd. Omdat er onvoldoende geschikte voorbeeldfuncties overbleven, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) opnieuw geraadpleegd en nieuwe passende functies gevonden. Hiermee kon eiseres in staat geacht worden om op het beoordelingsmoment 10 november 2023 53,74% minder te verdienen dan het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het Uwv heeft eiseres op 6 juni 2025 laten weten dat zij voornemens is om te beslissen dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 10 november 2023 wordt vastgesteld op 53,74%. Eiseres heeft via haar gemachtigde op dit voornemen gereageerd. Met het besluit van 29 november 2025 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 53,74%.
2.2
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen beide bestreden besluiten. De zaak met zaaknummer 25/4259 is gericht tegen het bestreden besluit 1 en gaat over het beoordelingsmoment 12 september 2022, waarbij is beslist dat eiseres volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. De ex-werkgever neemt in deze zaak deel. De zaak met zaaknummer 25/5279 is gericht tegen het bestreden besluit 2 en gaat over het beoordelingsmoment 10 november 2023 waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 53,74%. De ex-werkgever neemt in deze zaak niet deel.
2.3
De rechtbank heeft de beroepen op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv. De ex-werkgever is met voorafgaand bericht niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Beoordelingskader

Rapporten 3. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel aan de volgende drie voorwaarden voldoen. De rapporten: - zijn op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;- bevatten geen tegenstrijdigheden; - zijn voldoende begrijpelijk.
3.1
De rapporten en de besluiten die daarop gebaseerd zijn, zijn in beroep wel aanvechtbaar. Het is echter aan de eisende partij om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapporten niet aan de drie genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de drie genoemde voorwaarden is voldaan. Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit brengt mee dat de manier waarop eiseres zelf haar gezondheidsklachten ervaart, hiervoor onvoldoende is.

Beoordelingsdata

4. De rechtbank benadrukt verder dat van belang is dat het gaat om de medische situatie van eiseres op de zogenaamde datum in geding, het beoordelingsmoment. In dit geval zijn er twee beoordelingsmomenten, namelijk: 12 september 2022 en 10 november 2023.

Beoordeling van de beroepen van eiseres

5. Tijdens de zitting hebben eiseres en haar gemachtigde een mondelinge toelichting gegeven op de schriftelijke beroepsgronden. De beroepsgronden die de rechtbank in deze uitspraak niet behandelt, zijn op de zitting ingetrokken.

Zaak UTR 25/4259

6. Eiseres heeft op de zitting toegelicht dat zij in deze zaak alleen nog vindt dat het Uwv niet goed heeft gemotiveerd dat zij per 12 september 2022 volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit had het Uwv wel moeten doen op grond van de geldende jurisprudentie.
6.1
De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar bevindingen heeft opgenomen in het rapport 4 juni 2025. Hierin motiveert zij dat eiseres ten tijde van de ziekmelding in 2021 en de periode daarna ernstige klachten had, waarvoor ze onder behandeling van de psycholoog was. Mede door de vermoeidheid en spanningen was eiseres destijds marginaal belastbaar. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveert in een nader rapport van 23 juli 2025 dat uit de informatie van de psycholoog volgt dat het per 10 november 2023 fysiek en mentaal beter ging met eiseres, maar dat zij nog wel kwetsbaar was. Verder heeft eiseres haar verhaal kunnen doen bij de primaire verzekeringsarts op 10 november 2023 en daarmee haar klachten en activiteiten kunnen weergeven. Op grond hiervan blijkt dat eiseres in 2023 – vergeleken met 2022 – meer activiteiten kon ontplooien. Om die reden is de urenbeperking per 10 november 2023 verminderd. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt uit deze verbetering dat de beperkingen per 12 september 2022 niet duurzaam waren. De rechtbank kan deze motivering volgen en komt daarom tot het oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat eiseres per 12 september 2022 niet duurzaam arbeidsongeschikt was.

Zaak UTR 25/5279

7. Eiseres voert aan dat het onderzoek naar haar medische situatie per 10 november 2023 onzorgvuldig was. De conclusie dat het per 10 november 2023 beter met haar ging, is namelijk niet gebaseerd op medische stukken. Hierdoor is de medische beoordeling onjuist en zijn de geduide voorbeeldfuncties ook niet passend.
7.1
De rechtbank stelt vast dat in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 juni 2025 een opsomming is gegeven van alle beschikbare medische informatie, waardoor er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden was om aanvullende informatie op te vragen. Uit het rapport volgt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de medische beoordeling onder andere rekening heeft gehouden met: de informatie van de uroloog van 23 augustus 2021 en 12 april 2022, de brief van de internist van 25 maart 2021, de brief en het behandelplan van de psycholoog van 21 december 2021 en 22 juli 2023 en de informatie van de huisarts over de periode 7 juni 2012 tot en met 11 februari 2022. Op basis van deze informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat eiseres zich per 25 november 2021 heeft ziekgemeld. Zij had namelijk zoveel spanning opgebouwd dat ze is uitgevallen met kaakklem als gevolg van alle stress, steeds maar door willen gaan en de onzekerheid naar de toekomst. Eiseres kon niet tegen prikkels, had last van vermoeidheid en kon psychisch de zaken niet meer overzien. Verder had eiseres blaasklachten als gevolg van radiotherapie in het verleden. Zij was marginaal belastbaar te achten. Eiseres werd ten tijde van de ziekmelding en de periode erna behandeld door de psycholoog en had behandelingen voor haar blaas en onderzoek naar de lymfeklier. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt uit de informatie van de psycholoog dat het per 10 november 2023 fysiek en mentaal beter ging met eiseres, maar zij was nog wel kwetsbaar. Uit het rapport van de primaire verzekeringsarts van 11 januari 2024 volgt dat eiseres op 10 november 2023 bij de primaire verzekeringsarts duidelijk haar verhaal kon doen en daarmee haar klachten en activiteiten kon weergeven. Eiseres gaf aan dat zij haar zelfvertrouwen begon terug te krijgen en nu goed slaapt, terwijl dit twee jaar eerder heel slecht was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert in het rapport van 4 juni 2025 dat op grond van de informatie van de psycholoog, het eigen onderzoek en het dagverhaal van eiseres bij de primaire verzekeringsarts blijkt dat zij in 2023, vergeleken met 2022, duidelijk meer activiteiten ontplooit. Hierdoor is de per 12 september 2022 aangeven urenbeperking van maximaal 2 uur per dag en 10 uur per week per 10 november 2023 afgenomen tot maximaal 4 uur per dag en 20 uur per week, waarbij ook ’s nachts werken gezien de vermoeidheid beperkt is. De rechtbank overweegt dat het niet duidelijk is geworden of de eindevaluatie op 13 april bij de psycholoog in 2022 of 2023 heeft plaatsgevonden. De rechtbank kan echter de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel volgen dat zij uit de combinatie van medische informatie, eigen onderzoek en het dagverhaal van eiseres kon concluderen dat het met eiseres per 10 november 2023 beter ging dan in september 2022. Naar het oordeel van de rechtbank was per 10 november 2023 geen sprake van een onzorgvuldig onderzoek. De beroepsgrond slaagt niet.
7.2
De rechtbank overweegt verder nog dat eiseres op de zitting heeft aangevoerd dat zij concentratieproblemen ervaart die veroorzaakt worden door de chemokuren die zij heeft gehad (chemobrein). Eiseres heeft zelf geen medische stukken ingebracht die onderschrijven dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in verband daarmee meer beperkingen had moeten aannemen dan al zijn aangenomen.
7.3
De rechtbank heeft onder punt 7.1 geoordeeld dat zij het medisch onderzoek niet onzorgvuldig achtte. Uitgaande van een zorgvuldig medisch onderzoek dat heeft geleid tot de juiste vaststelling van de beperkingen van eiseres in de FML, ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de geschiktheid van de geduide voorbeeldfuncties. Met het rapport van de arbeidskundige bezwaar en beroep van 25 juli 2025, gelezen in samenhang met het verzekeringsgeneeskundige rapporten en de gegevens uit het CBBS, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de geduide voorbeeldfuncties in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van eiseres, zoals omschreven in de FML van 4 juni 2025.
7.4
Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 53,74%, dus op minder dan 80%. Dat betekent dat eiseres niet volledig arbeidsongeschikt is en dat niet wordt voldaan aan de criteria om in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering. Daarom hoeft niet te worden beoordeeld of de arbeidsongeschiktheid duurzaam is.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het Uwv terecht heeft beslist dat eiseres per 12 september 2022 volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is en dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per 10 november 2023 terecht is vastgesteld op 53,74 %. Eiseres krijgt in beide zaken geen gelijk. Zij krijgt daarom in beide zaken het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van

mr. R. van Manen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

WGA staat voor werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten.

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896.

Zie artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA.

Een uitkering Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten op basis van de Wet WIA.

Artikel delen