Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBMNE:2026:3756

Aanneming van werk: aanbrengen natuurstenentegels op balkons, vordering tot schadevergoeding vanwege wanprestatie, vraag of ontwerp of werkzaamheden aan tekortkoming ten grondslag liggen, waarschuwingsplicht.

Rechtbank Midden-Nederland 30 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBMNE:2026:3756 text/xml public 2026-06-30T08:16:59 2026-06-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2023:7823 Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-11 C/16/596417 / HA ZA 25-348 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3756 text/html public 2026-06-30T08:16:14 2026-06-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:3756 Rechtbank Midden-Nederland , 11-03-2026 / C/16/596417 / HA ZA 25-348
Aanneming van werk: aanbrengen natuurstenentegels op balkons, vordering tot schadevergoeding vanwege wanprestatie, vraag of ontwerp of werkzaamheden aan tekortkoming ten grondslag liggen, waarschuwingsplicht.
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/596417 / HA ZA 25-348

Vonnis van 11 maart 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: in het vrouwelijk enkelvoud, [eiseres] ,

advocaat: mr. M.J. Sarfaty,

tegen

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: in het mannelijk enkelvoud, [gedaagde] ,

advocaat: mr. W.M.J.M. Heijltjes.
1De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties 1 tot en met 23,- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 8,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,

- de mondelinge behandeling van 26 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [eiseres] en [gedaagde] waren daar beiden aanwezig en werden door hun advocaten bijgestaan.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De kern van de zaak
[eiseres] heeft aan [gedaagde] mondeling opdracht gegeven om onder andere de vloeren van de balkons van haar pand van natuursteentegels te voorzien. Na het plaatsen van het tegelwerk zijn lekkages aan de balkons geconstateerd. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] het tegelwerk niet goed gelegd. Zij vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] is tekortgeschoten en aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden schade. Daarnaast vordert zij vergoeding van die schade ter hoogte van € 80.561,72. [gedaagde] betwist dat hij is tekortgeschoten, omdat hij het werk wel goed heeft uitgevoerd. Als al sprake is van gebrekkig tegelwerk, stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat dit het gevolg is van instructies uit een onjuist ontwerp. Verder betwist [gedaagde] de gevorderde schadeposten. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] het tegelwerk niet goed heeft gedaan en dat hij [eiseres] het gevorderde bedrag van € 80.561,72 moet betalen.
3De beoordeling
[gedaagde] heeft het tegelwerk niet goed aangebracht
3.1.
Vast staat dat [eiseres] (samen met haar inmiddels overleden echtgenoot) aan [gedaagde] in 2016 mondeling opdracht heeft gegeven tot het leveren en aanbrengen van natuursteentegels op de betonnen en/of houten vloeren van de (zeven) balkons van het appartement van [eiseres] . Op de balkons moest eerst een drukdetectiesensorensysteem tegen inbraak worden aangelegd. Dit systeem is door [onderneming 1] geleverd en [onderneming 2] heeft hiervan een tekening vervaardigd. [gedaagde] heeft vervolgens (rekening houdend met dit systeem) de natuursteentegels op de balkons aangelegd. Hij heeft daarbij gewerkt met drainagemortel en heeft drainagematten aangelegd. Drainagemortel is een waterdoorlatend mengsel waardoor water van de balkons kon worden door- en afgevoerd.
3.2.
[eiseres] stelt dat het door [gedaagde] gelegde tegelwerk ondeugdelijk is, omdat de opbouw van de vloerconstructie van de balkons niet goed is. Volgens [eiseres] zijn de balkons ontworpen met een verdiepte bak en kunnen deze van zichzelf genoeg water bergen, maar hebben de werkzaamheden van [gedaagde] ertoe geleid dat bij grote waterbelasting onvoldoende water kan worden afgevoerd. Dit alles onderbouwt [eiseres] met verschillende rapportages, waaronder het deskundigenrapport van [onderneming 3] B.V.
3.3.
[gedaagde] betwist dat hij het tegelwerk ondeugdelijk heeft aangebracht. Volgens [gedaagde] blijkt uit de rapportages niet de werkelijke oorzaak van de lekkages en dus ook niet dat dit komt door het tegelwerk. Ook zouden de in het rapport genoemde punten zien op bouwkundige aspecten waarop [gedaagde] geen invloed heeft. Dit onderbouwt [gedaagde] met een reactie van expertisebureau [onderneming 4] op het rapport van [onderneming 3] .
3.4.
Om vast te kunnen stellen of [gedaagde] in zijn verplichtingen is tekortgeschoten, is van belang wat daarover in de deskundigenrapporten staat. De rechtbank vindt de bevindingen van de deskundige aan de zijde van [eiseres] overtuigender dan die aan de zijde van [gedaagde] . Op grond daarvan komt de rechtbank tot het oordeel dat [gedaagde] het tegelwerk niet goed heeft aangebracht. De rechtbank legt hierna uit waarom.

De rechtbank neemt het rapport van [onderneming 3] als uitgangspunt
3.5.
[eiseres] heeft rapporten overgelegd van verschillende deskundigen. [onderneming 3] is de laatste deskundige die ter plaatse onderzoek heeft gedaan. De rechtbank gaat daarom van dit rapport uit en niet van de eerdere door [eiseres] overgelegde rapporten van [onderneming 5] en [onderneming 6] . [gedaagde] heeft namelijk na die rapporten nog herstelwerkzaamheden aan de balkons verricht en alleen het rapport van [onderneming 3] uit 2024 dateert van daarna. Uit het rapport van [onderneming 3] volgt naar het oordeel van de rechtbank concreet dat het tegelwerk van [gedaagde] gebrekkig was en dat de gebreken ook na de herstelwerkzaamheden door [gedaagde] nog bestonden.
3.6.
[onderneming 3] heeft namelijk in haar rapport geschreven dat het pakket van drainagemortel, drainagematten inclusief natuursteentegels tegen en tot aan de bovenkant van de waterkeringen is aangebracht, waardoor de capaciteit om voldoende water te bergen is verminderd. Volgens het rapport kan bij grote waterbelasting onvoldoende water worden afgevoerd, waardoor water achter de waterkeringen komt en waterschade kan ontstaan. Uit het rapport volgt dat [onderneming 3] deze conclusies trekt na een uitvoerige inspectieronde, waarbij ook foto’s zijn gemaakt ter onderbouwing.
3.7.
Tegenover deze bevindingen heeft [gedaagde] volstaan met het overleggen van een reactie van [onderneming 4] op het rapport van [onderneming 3] . Deze reactie bevat geen eigen waarnemingen of onderzoeksresultaten van [onderneming 4] , maar daarin worden de bevindingen uit het rapport van [onderneming 3] beschreven en worden enkele kanttekeningen geplaatst. Volgens [onderneming 4] zijn de conclusies van [onderneming 3] niet logisch en niet helder en roepen deze vragen op. [onderneming 4] vraagt zich af in hoeverre er na de herstelwerkzaamheden door [gedaagde] nog lekkages zijn geweest en of lekkages niet kunnen worden voorkomen door adequaat onderhoud, in welk geval over fouten in de aanleg (detaillering) niet kan worden gesproken. [onderneming 3] heeft daarop per e-mail gereageerd (productie 20 bij de dagvaarding) en heeft daarin haar eerdere conclusies onderstreept. [onderneming 3] legt uit dat de problemen aan de balkons niets te maken hebben met onderhoud of bouwkundige fouten, maar dat de detaillering niet voldoet. [onderneming 3] concludeert dat de verdiepte bakken van de balkons, door het opvullen daarvan met drainagemortel en natuursteentegels, niet meer voldoende water kunnen bergen. Tegenover deze conclusies heeft [gedaagde] vervolgens geen reactie van [onderneming 4] of een andere andersluidende conclusie meer in gebracht, terwijl dit – gezien de onderbouwing van de stellingen aan de kant van [eiseres] – wel op zijn weg had gelegen. Dit brengt mee dat de rechtbank uitgaat van de conclusies uit het [onderneming 3] rapport en deze zal overnemen.
3.8.
Dat betekent dat is komen vast te staan dat het door [gedaagde] op de balkons aangelegde pakket te hoog is aangebracht en dat daardoor onvoldoende water van de balkons kan worden afgevoerd, waardoor lekkages kunnen ontstaan. Het werk van [gedaagde] is om die reden dan ook ondeugdelijk en [gedaagde] is daarmee in zijn werkzaamheden tekortgeschoten. Dat na de herstelwerkzaamheden geen lekkages zouden zijn opgetreden en onduidelijk is of aan de bouw van de balkons een juiste berekening van het af te voeren water ten grondslag ligt, zoals [gedaagde] aangevoerd, is niet relevant omdat dit niets verandert aan de vaststelling dat [gedaagde] zijn werk niet goed heeft gedaan door een te hoog pakket op de balkons aan te brengen. Daarbij heeft [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat er ook na het herstel nog lekkages waren.

Niet gebleken is dat [gedaagde] het tegelwerk heeft verricht conform een gegeven opdracht
3.9.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat, als het werk ondeugdelijk is te noemen, dit is te wijten aan gebreken aan of ongeschiktheid van de tekening van [onderneming 2] die afkomstig is van [eiseres] . Volgens [gedaagde] heeft hij conform dat ontwerp de natuursteentegels op het balkon aangebracht en kan hij daarvoor niet aansprakelijk worden gehouden.
3.10.
[eiseres] weerspreekt dit. Volgens [eiseres] is het ontwerp van [onderneming 2] geen bouwtekening op basis waarvan [gedaagde] werk aan de balkons kon verrichten, maar is de tekening uitsluitend vervaardigd met het oog op een optimale werking van het inbraak-beveiligingssysteem. De opbouw van de balkons met drainagemortel is een eigen keuze van [gedaagde] geweest en is door niemand anders voorgeschreven. Volgens [eiseres] heeft zij [gedaagde] geen instructies gegeven over de manier waarop [gedaagde] zijn werk aan de balkons moest doen.
3.11.
De rechtbank overweegt als volgt. Dat [gedaagde] van [eiseres] opdracht heeft gekregen om de natuursteentegels conform het ontwerp van [onderneming 2] te leggen, blijkt nergens uit. [eiseres] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat zij dit ontwerp nooit aan [gedaagde] heeft verstrekt en dat zij ook haar aannemers geen opdracht heeft gegeven om het ontwerp aan [gedaagde] te verstrekken. [gedaagde] kon na vragen van de rechtbank niet vertellen van wie hij die tekening van [onderneming 2] had ontvangen en wat daarbij zou zijn gezegd. Bovendien heeft [gedaagde] op de mondelinge behandeling gezegd dat de betreffende tekening voor de aanleg van de tegels niet interessant was en hooguit als uitgangspunt werd gezien. Hieruit begrijpt de rechtbank dat [gedaagde] het ontwerp dus – anders dan de advocaat namens [gedaagde] heeft betoogd – niet aan zijn werkzaamheden ten grondslag heeft gelegd. Dit is in lijn met het standpunt van [eiseres] dat de tekening slechts bedoeld is voor de casco oplevering van het pand en het dus niet is aan te merken als een ontwerp op basis waarvan [gedaagde] aan de slag moest. Er is dan ook geen sprake van een tekening afkomstig van [eiseres] als opdrachtgever waaraan het gebrek of de ongeschiktheid van de aangelegde natuursteentegels is te wijten. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het tegelwerk lag dan ook bij [gedaagde] als aannemer, zodat hij aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] door de tekortkoming lijdt.

De schade van [eiseres] van € 80.561,72 is toewijsbaar
3.12.
[eiseres] stelt dat zij door [gedaagde] schade heeft geleden en dat die schade € 80.561.72 bedraagt. [eiseres] onderbouwt haar schade door overlegging van vijf facturen. Deze facturen zien op (a) alle door [gedaagde] uitgevoerde (herstel)werkzaamheden aan de balkons, (b) werkzaamheden van andere partijen om het werk van [gedaagde] ongedaan te maken en kosten die verband hielden met het herstel of de voorbereiding daarvan en (c) deskundigenkosten. [gedaagde] betwist deze schadeposten. De rechtbank wijst de vordering van [eiseres] volledig toe en legt hierna uit waarom.

a) kosten van de door [gedaagde] verrichte (herstel)werkzaamheden
3.13.
[eiseres] heeft gesteld dat zij voor de oorspronkelijke werkzaamheden van [gedaagde] in 2017 een factuur van € 19.070,81 heeft betaald. Ter onderbouwing heeft zij een factuur van 10 april 2017 overgelegd die ziet op hijswerkzaamheden, het leveren en monteren van RVS roosters en montage van mortel (productie 3 bij dagvaarding). [gedaagde] voert aan dat deze factuur gelet op de adressering van de factuur (er staat een ander adres op) kennelijk betrekking heeft op andere werkzaamheden die hij destijds in opdracht van [eiseres] heeft uitgevoerd, zodat het factuurbedrag niet als schade kan worden toegewezen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt echter uit de omschrijving van deze factuur dat deze specifiek ziet op werkzaamheden aan de balkons. Zo staat in de factuur onder meer ‘montage van RVS rooster + mortel’. Dit wijst op het aanleggen van drainagemortel op de balkons. [gedaagde] heeft niet geconcretiseerd welke werkzaamheden hij nog meer voor [eiseres] heeft uitgevoerd in de periode waarop de factuur ziet. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om dit wel te doen, door bijvoorbeeld andere facturen over te leggen die volgens hem wel betrekking zouden hebben op de oorspronkelijke werkzaamheden aan de balkons in 2017. Het voornoemde factuurbedrag kan daarom als schade worden toegewezen.
3.14.
[eiseres] vordert daarnaast vergoeding van twee andere door [eiseres] betaalde facturen van [gedaagde] ter hoogte van € 25.510,91 (productie 7 bij dagvaarding) en € 10.936,48 (productie 6 bij dagvaarding) die volgens haar zien op herstelwerkzaamheden die [gedaagde] in 2021 aan de balkons heeft uitgevoerd. [gedaagde] voert aan dat hij niet beschikt over een specificatie van de eerste factuur en weerspreekt dat deze facturen zien op herstel aan de balkons. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] in 2021 herstelwerkzaamheden aan de balkons heeft verricht. Dat [gedaagde] in dat jaar nog andere werkzaamheden voor [eiseres] heeft verricht, is niet gesteld of gebleken. De facturen houden daarom in ieder geval verband met de balkons. Het lag op de weg van [gedaagde] – mede gelet op het feit dat hij een bewaartermijn van zeven jaar voor zijn facturen in acht moet nemen – om te specificeren dat deze facturen ook op andere werkzaamheden zagen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Dat [gedaagde] door technische problemen niet meer bij facturen kan, komt verder voor eigen rekening en risico. De rechtbank wijst ook deze schadeposten toe.

b) kosten voor ongedaanmaking van het werk door andere partijen
3.15.
[eiseres] vordert ook vergoeding van door [eiseres] gemaakte kosten voor herstel van het drukdetectiesensorensysteem (€ 7.827,55) en het weghalen van de planten voorafgaand aan het herstel aan de balkons (€ 5.327,73) in 2021. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat vergoeding van deze bedragen te vergaand is. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. [gedaagde] heeft zijn oorspronkelijke werkzaamheden aan het balkon ondeugdelijk uitgevoerd, zodat [eiseres] als gevolg daarvan de balkons heeft moeten laten leeghalen om herstel te laten uitvoeren. Als [gedaagde] deugdelijk werk had afgeleverd, had [eiseres] deze kosten niet hoeven maken. Deze bedragen zijn dan ook het directe gevolg van de tekortkoming en komen daarom als schade voor toewijzing in aanmerking.

c) deskundigenkosten
3.16.
[eiseres] vordert tot slot vergoeding van twee facturen van [onderneming 3] ter hoogte van € 11.525,24 en € 363,00 voor het opgemaakte rapport en een reactie van [onderneming 3] op [onderneming 4] . [gedaagde] voert aan dat hij deze schade niet hoeft te vergoeden, omdat [eiseres] deze kosten heeft gemaakt vanwege een vaststellingsovereenkomst die [eiseres] met de Vereniging van Eigenaren (VvE) van het pand heeft gesloten. Zij hebben gezamenlijk een afspraak gemaakt om een deskundige in te schakelen ter voorkoming van toekomstige claims door de VvE. Maar, naar het oordeel van de rechtbank komt deze schade wel voor vergoeding in aanmerking. De kosten voor [onderneming 3] houden namelijk direct verband met kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onderdeel b BW. Uit het rapport en de reactie van [onderneming 3] volgt dat [gedaagde] aansprakelijk is en de schade heeft veroorzaakt. Dat [eiseres] met de VvE van haar pand afspraken heeft gemaakt om [onderneming 3] in te schakelen, staat daar los van. Dit leidt ertoe dat de rechtbank ook deze schadeposten toewijst.
3.17.
Gelet op het bovenstaande wijst de rechtbank het volledige bedrag van € 80.561,72 toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding (8 juli 2025) zoals door [eiseres] is gevorderd.

Geen belang meer bij een verklaring voor recht
3.18.
Voor een toewijzing van een verklaring voor recht dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen en aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden schade, ziet de rechtbank gelet op het voorgaande geen aanleiding. [gedaagde] dient immers de gevorderde schadevergoeding al aan [eiseres] te betalen en [eiseres] heeft niet gesteld waarom een verklaring voor recht daarnaast nodig is. Dit betekent dat deze vordering wordt afgewezen.

De buitengerechtelijke incassokosten
3.19.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.580,62. [gedaagde] betwist dat [eiseres] buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. [eiseres] heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en zij heeft vergoeding daarvan gevorderd. Dat die kosten zijn gemaakt volgt niet alleen uit de sommatiebrief van 20 mei 2025, die niet zoals [gedaagde] aanvoert slechts een opmaat is tot de dagvaarding, maar in ieder geval ook uit een brief van 4 juni 2024 (productie 11 bij dagvaarding) en een e-mail van 15 juli 2024 (productie 13 bij dagvaarding). Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de rechtbank de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen. Daarom zal een bedrag van € 1.580,62 worden toegewezen.

De proceskosten
3.20.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding



144,47

- griffierecht



1.374,00

- salaris advocaat



2.580,00

(2 punten × € 1.290,00)

- nakosten



189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



4.287,47
3.21.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4De beslissing
De rechtbank
4.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een schadevergoeding van € 80.561,72, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 8 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.580,62 aan buitengerechtelijke kosten,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.287,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. van 't Hof en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.

Artikel delen