ECLI:NL:RBMNE:2026:3771
text/xml
public
2026-07-06T08:59:44
2026-06-30
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Midden-Nederland
2026-06-03
12028160 AC EXPL 25-2930
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Amersfoort
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3771
text/html
public
2026-07-06T08:59:19
2026-07-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBMNE:2026:3771 Rechtbank Midden-Nederland , 03-06-2026 / 12028160 AC EXPL 25-2930
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Amersfoort
zaaknummer: 12028160 AC EXPL 25-2930
Vonnis van 3 juni 2026
inzake
1 [eiser sub 1] ,
2. [eiseres sub 2],
beiden wonende te [plaats 1] ,
verder ook samen te noemen [eiser sub 1] c.s. (aangeduid in mannelijk enkelvoud),
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen:
de besloten vennootschap
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: Dexia
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
1Kern van de zaak
1.1
[eiser sub 1] c.s. heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst(en) hield(en) het volgende in. [eiser sub 1] c.s. leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [eiser sub 1] c.s. betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst(en) werden de aandelen verkocht en moest [eiser sub 1] c.s. het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [eiser sub 1] c.s. verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [eiser sub 1] c.s. geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [eiser sub 1] c.s. geleden schade helemaal moet vergoeden.
2De procedure
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 17 december 2025;
de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met een incidenteel verzoek;
de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
2.2
De bij de laatste conclusie overgelegde producties zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren
2.3
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.
3 De feiten
3.1
[eiser sub 1] c.s. heeft de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
[contractnummer]
21-05-2001
Profit Effect
3.2
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
12-07-2005
- € 3.063,97
Ja
3.3
Volgens opgave van Dexia heeft [eiser sub 1] c.s. op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 2.014,42 aan maandtermijnen en een bedrag van € 3.063,97 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eiser sub 1] c.s. € 339,80 aan dividenden ontvangen en € 73,38 aan fiscaal voordeel genoten. Op 4 februari 2012 heeft Dexia een bedrag van € 2.722,51 aan [eiser sub 1] c.s. uitgekeerd, volgens Dexia tweederde van de restschuld inclusief reeds verschenen rente. Op 15 januari 2025 heeft Dexia € 2.300,26, inclusief rente, als ‘onverplichte uitbetaling’ aan [eiser sub 1] c.s. betaald.
3.4
De gemachtigde van [eiser sub 1] c.s., Leaseproces, heeft bij brief van 13 maart 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
4De vordering en het verweer in de hoofdzaak en het verzoek in het incident
4.1
[eiser sub 1] c.s. vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in de hoofdzaak:
voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser sub 1] c.s. en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
voor recht zal verklaren dat [eiser sub 1] c.s. schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiser sub 1] c.s. van al datgene dat [eiser sub 1] c.s. aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiser sub 1] c.s., met rente,
Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
4.2
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering met een voorwaardelijk verzoek dat als onvoorwaardelijk verzoek wordt aangemerkt, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
[eiser sub 1] c.s. zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans van andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [eiser sub 1] c.s. in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,
- in de hoofdzaak:
voor recht zal verklaren dat Dexia niets meer aan [eiser sub 1] c.s. verschuldigd is,
[eiser sub 1] c.s. zal veroordelen in de proceskosten, met rente.
4.3
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
5 De beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak en het verzoek in het incident
algemeen
5.1 Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eiser sub 1] c.s..
5.2
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[eiser sub 1] c.s. heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
verjaring
5.4
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eiser sub 1] c.s. inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
tussenpersoon
5.5
[eiser sub 1] c.s. heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [onderneming] (verder ook: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.6
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eiser sub 1] c.s. heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eiser sub 1] c.s., anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiser sub 1] c.s. als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiser sub 1] c.s. gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eiser sub 1] c.s. in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.7
[eiser sub 1] c.s. stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
[eiser sub 1] c.s. werd telefonisch benaderd door een adviseur van [onderneming] , te weten de heer
[A] (hierna te noemen: adviseur). De adviseur stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van [eiser sub 1] c.s. door te nemen. [eiser sub 1] c.s. heeft hiermee ingestemd. Tijdens het eerste huisbezoek heeft de adviseur geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eiser sub 1] c.s. Zo is met de adviseur gesproken over het spaargeld, het koophuis en de bestaande hypotheek van [eiser sub 1] c.s. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [eiser sub 1] c.s. om een financiële reserve op te bouwen waaruit onder andere het opknappen van zijn huis kon worden betaald. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist. De adviseur adviseerde [eiser sub 1] c.s. om meerdere financiële producten en investeringen af te sluiten, waaronder investeringen in een resort in Costa Rica en in een teakplantage in Costa Rica. Daarnaast adviseerde de adviseur [eiser sub 1] c.s. om een Profit Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 4.320,-. [eiser sub 1] c.s. diende voor deze financiële producten de overwaarde op zijn woning op te nemen middels een hypothecaire lening en deze aan te wenden voor de vooruitbetaling van de Profit Effect overeenkomst, en de betalingen voor de andere financiële producten. Volgens de adviseur
zou [eiser sub 1] c.s. op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [eiser sub 1] c.s. een financiële reserve kon opbouwen om zijn huis op te knappen op termijn.
De adviseur heeft [eiser sub 1] c.s. niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan, de hypotheek niet kon worden afgelost en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als [eiser sub 1] c.s. op deze risico’s gewezen was had hij de Profit Effect overeenkomst nooit afgesloten. [eiser sub 1] c.s. had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [eiser sub 1] c.s. het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor de verhoging van de hypotheek en de Profit Effect overeenkomst is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend.
De hypotheek is overgesloten en is via een lening bij de Postbank verhoogd. [eiser sub 1] c.s. heeft, conform het advies van de adviseur, een Profit Effect overeenkomst met een vooruitbetaling van NLG 4.242.76,- afgesloten. De hypothecaire lening is aangewend voor de vooruitbetaling. Het overige deel van de opgenomen overwaarde is ingelegd in andere, door de adviseur geadviseerde financiële producten en investeringen.
5.8
[eiser sub 1] c.s. heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- een kopie van het aanvraagformulier Profit Effect op naam van [eiser sub 1] c.s., waarop een stempel is geplaatst met de tekst “ [onderneming] [plaats 2] (…)” en ATP-nummer [nummer] is ingevuld,
- een kopie van de overeenkomst van 21 mei 2001 met contractnummer [contractnummer] , voorzien van de tekst: “Adviseur ATP [nummer] - [onderneming] ”, - de hypotheekakte van 14 mei 2001 productie C, waaruit blijkt dat een hypothecaire lening van € 195.125,49 bij de Postbank is afgesloten door [eiser sub 1] c.s.,
- een kopie van een uittreksel van de KvK van [onderneming] met als beschrijving van de werkzaamheden ‘Financieel adviesbureau’,
- schermafbeeldingen van de website van [onderneming] waarop destijds onder andere te lezen was: “ We zorgen ervoor dat u snel een goed advies krijgt en dat u op korte termijn uw offerte of polis in huis hebt. We onderscheiden ons daarbij vooral in de persoonlijke aanpak. Die aanpak gaat bij ons veel verder dan een goed gesprek. We kijken nauwkeurig naar uw toekomst en uw financiële wensen en mogelijkheden.”
aanhoudingsverzoek
5.9
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.10
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(nieuwe) argumenten Dexia
5.11
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.12
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eiser sub 1] c.s. onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [eiser sub 1] c.s., tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eiser sub 1] c.s. geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eiser sub 1] c.s. dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eiser sub 1] c.s. in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiser sub 1] c.s. en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eiser sub 1] c.s. en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia
5.13
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eiser sub 1] c.s.. Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met [eiser sub 1] c.s. kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [eiser sub 1] c.s. voor rekening van Dexia.
aansprakelijkheid Dexia
5.14 Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eiser sub 1] c.s. de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [eiser sub 1] c.s. onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eiser sub 1] c.s. omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [eiser sub 1] c.s.
5.15 De door [eiser sub 1] c.s. gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser sub 1] c.s. heeft gehandeld door [eiser sub 1] c.s. als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser sub 1] c.s. niet alleen als klant aanbracht maar [eiser sub 1] c.s. tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
5.16
De als gevolg hiervan door [eiser sub 1] c.s. geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eiser sub 1] c.s. niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). Dit geldt ook voor de betaling die door Dexia is gedaan op 15 januari 2025. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
5.17
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.18
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiser sub 1] c.s. aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
het incidentele verzoek van Dexia
5.19
Dexia verzoekt dat [eiser sub 1] c.s. wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend.
5.20
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eiser sub 1] c.s. destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.21
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eiser sub 1] c.s. worden begroot op € 87,00.
vorderingen Dexia
5.22
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.23
Omdat [eiser sub 1] c.s. inhoudelijk grotendeels gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser sub 1] c.s. gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [eiser sub 1] c.s. worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 576,00 2 x tarief € 288,00)
- nakosten € 144,00
Totaal € 954,47.
5.24
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.
6De beslissing
De kantonrechter
in het incident van Dexia
6.1
wijst het verzoek af,
6.2
veroordeelt Dexia in proceskosten van [eiser sub 1] c.s., tot op heden begroot op € 87,00,
in conventie
6.3
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser sub 1] c.s. heeft gehandeld door [eiser sub 1] c.s. als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser sub 1] c.s. niet alleen als klant aanbracht maar [eiser sub 1] c.s. tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.4
verklaart voor recht dat [eiser sub 1] c.s. schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
6.5
veroordeelt Dexia om aan [eiser sub 1] c.s. te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.16,
6.6
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 954,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.7
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.8
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.9
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.10
wijst de vorderingen af,
6.11
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser sub 1] c.s. gevallen, tot op heden begroot op nihil.
Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462, gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.
Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.