ECLI:NL:RBMNE:2026:3902
Spoedwijziging zorgregeling. Opschorting 4 weken, aanhouding van het overige.
Rechtbank Midden-Nederland 7 July 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:3902
text/xml
public
2026-07-07T11:41:34
2026-07-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Midden-Nederland
2026-06-04
C/16/612516 / JL RK 26-351
Uitspraak
Beschikking
NL
Lelystad
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3902
text/html
public
2026-07-07T11:41:05
2026-07-07
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBMNE:2026:3902 Rechtbank Midden-Nederland , 04-06-2026 / C/16/612516 / JL RK 26-351
Spoedwijziging zorgregeling. Opschorting 4 weken, aanhouding van het overige.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummer: C/16/612516 / JL RK 26-351
Datum uitspraak: 4 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedwijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,
gevestigd in Almere,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 4 juni 2026, mee in de beoordeling.
1.2.
De kinderrechter heeft op 4 juni 2026 telefonisch mondeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke uitwerking van die beslissing.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont met zijn broer [naam] bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 27 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 30 januari 2027.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 17 juni 2019 de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld: in het ouderschapsplan is vastgelegd dat [minderjarige] en [naam] elke dinsdag- en donderdagmiddag na school door vader worden opgehaald, bij hem zouden eten en om 18.30 uur weer thuis zouden zijn bij moeder. Daarnaast zouden zij om het weekend van vrijdagmiddag tot zondag 17.00 uur bij vader verblijven. Alle overige doordeweekse ochtenden, evenals de maandag- en woensdagmiddagen en om de week de vrijdagmiddag wanneer het het weekend van moeder is, verblijven de kinderen bij moeder.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de door de kinderrechter op 17 juni 2019 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken waar het [minderjarige] betreft te wijzigen, in die zin dat de reguliere zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] per direct stopgezet wordt. Ook verzoekt de GI te bepalen dat het contact tussen de vader en [minderjarige] , voor zover mogelijk, plaatsvindt onder regie van de GI, waarbij de GI in afstemming met de betrokken hulpverlening bepaalt op welke wijze en op welk moment contactherstel kan plaatsvinden. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De beoordeling
4.1.
De kinderrechter kan de onder 2.4. genoemde regeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De kinderrechter kan deze beslissing nemen zonder de belanghebbenden voorafgaand te horen. Het verhoor van de belanghebbenden kan niet worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . De kinderrechter zal de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] opschorten voor de duur van vier weken en houdt het overige deel van het verzoek aan. Hierna wordt uitgelegd waarom zij deze beslissing neemt.
4.2.
Er zijn al langere tijd zorgen over spanningen in het contact tussen [minderjarige] en zijn vader. Al bij beschikking van 16 december 2025 is de vastgestelde zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader opgeschort tot 26 februari 2026. Hierna heeft de vader meegewerkt aan een plan vanuit [bedrijf] voor gefaseerd contactherstel.
4.3.
Hoewel het contactherstel in eerste instantie positief leek te verlopen, zijn er tijdens de speltherapie nieuwe signalen van angst vanuit [minderjarige] voor zijn vader naar voren gekomen. Daarnaast zijn de zorgen over de loyaliteitsproblematiek van [minderjarige] toegenomen. De moeder is recent getrouwd met haar nieuwe partner, waarop [minderjarige] aangaf niet meer naar zijn vader te willen, omdat hij een nieuwe vader heeft. Vanuit de hulpverlening is vervolgens een nieuw plan opgesteld zodat het voor [minderjarige] duidelijk wordt dat ook het contact met zijn eigen vader moet worden hersteld. Hoewel het belangrijk is dat [minderjarige] voor dit contactherstel emotionele toestemming van de moeder krijgt, mist de GI bij vader de wil om aan te sluiten bij wat zijn zoon nodig heeft. Naast dit alles, heeft op 20 mei 2026 een incident plaatsgevonden. [minderjarige] zou in verband met de aankomende feestdagen langer bij de vader moeten verblijven. Gezien het nieuwe plan voor contactherstel was het nog niet realistisch om [minderjarige] vier dagen bij de vader te laten verblijven, waardoor de GI de vader had verzocht om in te stemmen een pauze in de uitbreiding van de omgang. De vader heeft niet ingestemd met dit verzoek en stond bij het schoolplein om [minderjarige] op te halen. [minderjarige] is vervolgens weggerend. Daarnaast heeft de GI aangegeven dat de overdrachtsmomenten zelf ook niet altijd positief verlopen. Tijdens deze momenten ontstaat er vanwege het filmen door de vader nog meer spanning bij [minderjarige] . Daarnaast zorgt de vader er niet altijd voor dat [naam] als hij bij vader is deelneemt aan de speltherapie. Ook laat hij verstek gaan bij sportactiviteiten en is zijn huiswerk niet altijd op orde. Tot slot heeft [naam] last van de spanningen rond de contacten tussen [minderjarige] en vader. Wat op zichzelf ook reden tot zorg is.
4.4.
Gezien deze zorgen is het volgens de hulpverlening noodzakelijk dat het contactherstel geborgd en gefaseerd opgebouwd zal worden. Hiervoor is het voor [minderjarige] belangrijk dat hij meer ruimte krijgt om hieraan te werken. Echter, de vader blijft vasthouden aan de zorgregeling die is vastgelegd bij beschikking van 17 juni 2019. De kinderrechter acht het op dit moment in het belang van [minderjarige] dat het contactherstel op zijn tempo zal plaatsvinden. Dat lijkt op dit moment niet het tempo van de vastgelegde zorgregeling te zijn. Daarom schort de kinderrechter de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en [minderjarige] op tot 2 juli 2026.
4.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5De beslissing
De kinderrechter:
5.1.
wijzigt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in die zin dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en [minderjarige] wordt opgeschort tot 2 juli 2026;
5.2.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.3.
roept de GI, de vader en de moeder op te verschijnen tijdens de zitting van mr. M.A. Pot van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, in het gerechtsgebouw aan Stationsplein 15 te Lelystad, op 16 juni 2026 om 15:45 uur, om nader op het verzoek te worden gehoord;
5.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 door mr. L.P. de Haas, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Mather als griffier, en op schrift gesteld op
09 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 809 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).