Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBMNE:2026:4028

BNT, proceskostenveroordeling na intrekking beroep. Vw heeft alsnog beslist en is daarmee aan verzoekster tegemoet gekomen. In de regel dient dan het verzoek om pkv te worden toegewezen. HIerop kan een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. De toezegging om zo snel mogelijk een besluit te nemen is geen bijzondere omstandigheid. Het college had op het moment dat vz het BN...

Rechtbank Midden-Nederland 20 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBMNE:2026:4028 text/xml public 2026-07-20T08:55:21 2026-07-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-06-12 UTR 26/1196 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4028 text/html public 2026-07-20T08:54:58 2026-07-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:4028 Rechtbank Midden-Nederland , 12-06-2026 / UTR 26/1196
BNT, proceskostenveroordeling na intrekking beroep. Vw heeft alsnog beslist en is daarmee aan verzoekster tegemoet gekomen. In de regel dient dan het verzoek om pkv te worden toegewezen. HIerop kan een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. De toezegging om zo snel mogelijk een besluit te nemen is geen bijzondere omstandigheid. Het college had op het moment dat vz het BNT instelde nog steeds niet beslist. Van een afspraak dat verzoekster zou afzien van een BNT geleg op de toezegging van het college is niet gebleken.

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/1196
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. H.M.A. van den Boogaard),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, het college,

(gemachtigde: E. Diepenbroek).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten.
1.1.
Op 24 juli 2025 heeft verzoekster het college in gebreke gesteld, omdat het niet op tijd heeft beslist op haar bezwaarschrift. Verzoekster heeft op 5 februari 2026 beroep ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen door het college. Op 13 februari 2026 heeft het college een besluit genomen op het bezwaarschrift. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard en aan verzoekster de maximale dwangsom toegekend. Verzoekster heeft apart beroep ingesteld tegen dit besluit (zaaknummer UTR 26/156).
1.2.
Verzoekster heeft op 2 april 2026 haar beroep ingetrokken met het verzoek om het college in de proceskosten te veroordelen.
1.3.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft erop gewezen dat het op

4 februari 2026 aan de gemachtigde van verzoekster heeft toegezegd dat het besluit op bezwaar zo snel mogelijk zou worden toegezonden. Het college vindt dat de keuze van de gemachtigde om ondanks deze toezegging op 5 februari 2026 toch beroep in te stellen, niet voor rekening van het college moet komen.
1.4.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

3. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.

4. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop, is het college tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. Het college heeft immers alsnog een besluit op het bezwaar van verzoekster genomen.

5. Volgens vaste rechtspraak dient een verzoek om toepassing van artikel 8:75a van de Awb als regel te worden ingewilligd op grond van het enkele feit dat het bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. Het gegeven dat onverplicht en bij wijze van coulance is tegemoetgekomen, levert in beginsel niet een dergelijke bijzondere omstandigheid op. Als de noodzaak om beroep in te stellen uitsluitend is te wijten aan de handelwijze van de betrokkene zelf, kan wel gesproken worden van een bijzondere omstandigheid.

6. De rechtbank oordeelt dan de toezegging van het college dat zo snel mogelijk zou worden beslist op het bezwaar geen bijzondere omstandigheid oplevert. Allereerst heeft de rechtbank in het dossier geen stuk aangetroffen waaruit blijkt dat deze toezegging op 4 februari 2026 is gedaan. Maar ook als de rechtbank daarvan uitgaat, laat dit onverlet dat op het moment dat verzoekster beroep instelde het college nog steeds niet had beslist. Het stond verzoekster vrij om dit te doen. Van een afspraak dat verzoekster, gelet op de toezegging van het college, zou afzien van het indienen van een beroep tegen het niet-tijdig beslissen door het college, is de rechtbank niet gebleken.

7. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Bpb als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 467,-.

8. De rechtbank wijst erop dat het college verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 54,- te vergoeden.Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het college wenden.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van

mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252 en 13 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:14.

Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.

Artikel delen