Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBMNE:2026:4506

Wie is opdrachtgever?

Rechtbank Midden-Nederland 21 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBMNE:2026:4506 text/xml public 2026-07-21T11:45:10 2026-07-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-07-08 12070779 UC EXPL 26-718 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4506 text/html public 2026-07-21T11:44:14 2026-07-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:4506 Rechtbank Midden-Nederland , 08-07-2026 / 12070779 UC EXPL 26-718
Wie is opdrachtgever?

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: 12070779 UC EXPL 26-718

Vonnis van 8 juli 2026

in de zaak van

VITENS N.V.,

te Zwolle,

eisende partij,

hierna te noemen: Vitens,

gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon bij haar bestuurder, [gemachtigde] .
1De procedure 1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek.
1.2
[gedaagde] heeft niet op de conclusie van repliek gereageerd, hoewel zij daartoe naar behoren de gelegenheid heeft gehad. Vervolgens is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.
2De kern van de zaak 2.1
Vitens heeft in 2022 een wateraansluiting gerealiseerd in Apeldoorn. Volgens Vitens heeft zij die werkzaamheden verricht in opdracht van [gedaagde] en moet [gedaagde] dus de kosten daarvan betalen (€ 1.025,69). Omdat [gedaagde] dat niet heeft gedaan, vordert Vitens nu betaling, met rente en incassokosten. Volgens [gedaagde] is zij geen opdrachtgever geweest en hoeft zij niets te betalen. De kantonrechter geeft Vitens gelijk en veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 1.377,32 (inclusief rente en incassokosten). Ook moet [gedaagde] de proceskosten betalen.
3De beoordeling
De na de conclusie van antwoord door [gedaagde] ingediende stukken
3.1
[gedaagde] heeft in eerste instantie mondeling op de dagvaarding gereageerd, namelijk op de rolzitting van 4 februari 2026. [gedaagde] heeft daarna nog de gelegenheid gekregen om nadere stukken (schriftelijk) in te dienen. Bij e-mail van 18 februari 2026 heeft [gedaagde] een ‘aanvullende conclusie van antwoord en producties’ ingediend bij de rechtbank. Producties zaten daar overigens niet bij. De kantonrechter maakt uit de conclusie van repliek van Vitens op dat Vitens geen enkel nader schriftelijk stuk heeft ontvangen. [gedaagde] was echter wel verplicht die stukken behalve aan de rechtbank ook aan Vitens te sturen.
3.2
Vitens heeft dus niet op de aanvullende stukken van [gedaagde] kunnen reageren. De kantonrechter ziet geen aanleiding om [gedaagde] in staat te stellen om de stukken alsnog naar Vitens te sturen en/of om alsnog de gelegenheid te geven de bij de aanvullende conclusie van antwoord horende producties in te dienen. De stellingen die [gedaagde] met de stukken nader onderbouwd, worden voldoende tegengesproken door Vitens in haar conclusie van repliek. En omdat [gedaagde] niet meer op de conclusie van dupliek heeft gereageerd, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van wat Vitens stelt. De na de conclusie van antwoord door [gedaagde] ingediende stukken heeft de kantonrechter daarom buiten beschouwing gelaten.

[gedaagde] is opdrachtgever en moet de werkzaamheden plus kosten betalen
3.3
Zoals Vitens stelt, blijkt uit de aanvraag en de orderbevestiging dat [gedaagde] de opdrachtgever van de werkzaamheden is. Dat [gedaagde] geen eigenaar van de grond is waar de wateraansluiting is gerealiseerd, zegt niets. De bevoegdheid tot het geven van een opdracht tot het plaatsen van een wateraansluiting is niet uitsluitend voorbehouden aan de eigenaar van de grond, maar kan door iedereen worden gegeven. In de orderbevestiging staat dat [gedaagde] bij onjuistheden binnen 10 werkdagen moet reageren. Dat heeft [gedaagde] kennelijk niet gedaan. Omdat [gedaagde] de opdrachtgever is, moet zij de werkzaamheden betalen. [gedaagde] betwist de hoogte van de kosten daarvan niet. De hoofdsom van € 1.025,69 zal daarom worden toegewezen.
3.4
Als onweersproken zal ook de gevorderde verschenen rente over de hoofdsom worden toegewezen, € 197,78. Vitens heeft voldoende aangetoond dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het bedrag dat Vitens vordert (€ 153,85) is in overeenstemming met de staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en wordt toegewezen. In totaal moet [gedaagde] dus (€ 1.025,69 + € 197,78 + € 153,85 =) € 1.377,32 betalen.

[gedaagde] moet ook de proceskosten betalen
3.5
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Vitens worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding



128,65

- griffierecht



350,00

- salaris gemachtigde



434,00

(2 punten × € 217,00)

- nakosten



108,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



1.021,15
4De beslissing
De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan Vitens te betalen een bedrag van € 1.377,32,
4.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.021,15, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.

RW1368

De feitelijke werkzaamheden zijn verricht door een aannemer van Vitens, maar in het kader van de leesbaarheid van dit vonnis zal over Vitens als uitvoerder worden gesproken.

Zie artikel 2.21 van het ‘Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken handel en kanton’

Respectievelijk productie 1 en 2 van Vitens

Artikel delen