ECLI:NL:RBMNE:2026:4526
Insolventie, dwangakkoord, één weigerende schuldeisers, geen verwachting meer te kunnen aflossen, nul-aanbod, verzoek toegewezen.
Rechtbank Midden-Nederland 20 July 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4526
text/xml
public
2026-07-20T11:52:21
2026-07-20
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Midden-Nederland
2026-06-11
NL:TZ:2610067:R-RK
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Utrecht
Civiel recht; Insolventierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4526
text/html
public
2026-07-20T11:51:36
2026-07-20
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBMNE:2026:4526 Rechtbank Midden-Nederland , 11-06-2026 / NL:TZ:2610067:R-RK
Insolventie, dwangakkoord, één weigerende schuldeisers, geen verwachting meer te kunnen aflossen, nul-aanbod, verzoek toegewezen.
RECHTBANK Midden-Nederland
Team Insolventie
Zittingsplaats Utrecht
Rekestnummer: NL:TZ:2610067:R-RK
Uitspraakdatum: 11 juni 2026
Vonnis op grond van artikel 287a Fw (dwangakkoord)
op het verzoek van
[verzoekster]
,
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] [plaats] ,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
tegen
[bedrijf]
,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [bedrijf] .
1De procedure
1.1
[verzoekster] heeft tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Fw.
1.2
Het verzoek is behandeld op de zitting van donderdag 4 juni 2026, waarbij aanwezig waren:
- [verzoekster] ;
- [A.] , namens Gemeenschappelijke Regeling Werk en Inkomen [locatie] ;
- [B.] , namens [bewindvoerder] .
2De feiten
2.1
[verzoekster] is alleenstaand. Zij ontvangt een WIA-uitkering. [verzoekster] heeft vier schuldeisers die in totaal € 15.540,04 van haar te vorderen hebben.
2.2
[verzoekster] heeft op 17 maart 2026 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers. Het aanbod was destijds 7,15% (saneringskrediet) aan de concurrente schuldeisers.
2.3
De onder 2.2 bedoelde schuldregeling is door alle schuldeisers behalve [bedrijf] geaccepteerd.
2.4
[bedrijf] heeft een vordering van € 9.751,94. Dit was ten tijde van het aanbod 62,75% van de totale schuldenlast. [bedrijf] is niet akkoord gegaan met het aanbod. [bedrijf] heeft aangegeven dat zij [verzoekster] genoeg heeft geholpen en tegemoet is gekomen met het afspreken van een betalingsregeling en het inschakelen van begeleiding voor financiële hulp.
3De beoordeling
3.1
Het uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrij staat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling niet voorziet in een volledige uitkering, staat het belang van [bedrijf] vast.
3.2
Het verzoek zal slechts kunnen worden toegewezen als [bedrijf] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [verzoekster] en/of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Daarbij moet, als de rechtbank daaraan toekomt, een vergelijking worden gemaakt met de situatie dat op [verzoekster] de schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard.
3.3
Allereerst zal bij de beoordeling van de vraag of [bedrijf] in redelijkheid tot de weigering kon komen, gekeken moeten worden naar de inhoud van de schuldenregeling. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het aangeboden akkoord in beginsel aan de eisen die aan een dergelijk akkoord mogen worden gesteld.
3.4
Het aanbod dat door [verzoekster] is gedaan, is naar oordeel van de rechtbank, het maximaal haalbare. Gezien de persoonlijke omstandigheden van [verzoekster] , zoals haar gezondheidsklachten. [verzoekster] is door het UWV 80-100% arbeidsongeschikt geacht. Het is niet de verwachting dat zij meer zal kunnen gaan aflossen aan haar schuldeisers. Het is voor [verzoekster] ook van belang dat zij buiten het wettelijke traject om haar schulden kan regelen in een afzienbare periode, wat in overeenstemming is met wat de wetgever met de gedwongen schuldregeling heeft beoogd.
3.5
De rechtbank zal het aanbod vergelijken met hetgeen schuldeisers in geval van een wettelijke schuldsaneringsregeling kunnen ontvangen. In de wettelijke schuldsanering is het zeer aannemelijk dat de schuldeisers niets van hun vordering zullen ontvangen. Bij de wettelijke schuldsanering is er ook nog sprake van de kosten van het salaris van de saneringsbewindvoerder.
3.6
Alles overziend is de rechtbank dan ook van oordeel dat het belang van [verzoekster] om haar schulden te saneren zwaarder weegt dat de belangen van [bedrijf] . Het verzoek zal worden toegewezen.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1
beveelt [bedrijf] in te stemmen met de onder 2.2 bedoelde schuldregeling,
4.2
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit is de beslissing van mr. R.W.J. van Veen, rechter, in samenwerking met R.A. Oelen, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.
Hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan de schuldenaar en degene die dat volgens de Faillissementswet mag gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.