Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBMNE:2026:4770

Overeenkomst van opdracht, Google Ads. De vraag is of gedaagde de overeenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd. De kantonrechter oordeelt van wel. Een deel van de vordering is toewijsbaar.

Rechtbank Midden-Nederland 6 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBMNE:2026:4770 text/xml public 2026-08-06T14:57:03 2026-07-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-07-15 12023723 MC EXPL 25-6942 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almere Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4770 text/html public 2026-08-06T14:56:20 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:4770 Rechtbank Midden-Nederland , 15-07-2026 / 12023723 MC EXPL 25-6942
Overeenkomst van opdracht, Google Ads. De vraag is of gedaagde de overeenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd. De kantonrechter oordeelt van wel. Een deel van de vordering is toewijsbaar.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummer: 12023723 MC EXPL 25-6942

Vonnis van 15 juli 2026

in de zaak van

[eiseres] B.V., handelend onder de naam [handelsnaam 1],

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [handelsnaam 1] ,

gemachtigde: mr. O.J. Boeder,

tegen

[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam 2],

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: [gemachtigde] .
1De procedure 1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 17 december 2025 met producties, - de conclusie van antwoord met producties,- de conclusie van repliek met een productie,- de conclusie van dupliek met een productie.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De kern van de zaak 2.1
[handelsnaam 1] heeft vanaf 1 oktober 2024 online marketing diensten aan [gedaagde] verleend. [handelsnaam 1] vordert in deze procedure betaling van openstaande facturen. Partijen verschillen erover van mening of de opdracht op één of twee websites betrekking had. Ook is tussen partijen in geschil of en zo ja, wanneer [gedaagde] de overeenkomst(en) heeft opgezegd.
3De beoordeling
Er is één overeenkomst gesloten
3.1
[handelsnaam 1] stelt dat er twee overeenkomsten gesloten zijn. [handelsnaam 1] verwijst naar de door beide partijen ondertekende opdrachtbevestiging en naar de e-mail van 20 september 2024. [gedaagde] voert daartegen aan dat slechts één overeenkomst voor een vaste prijs van € 200,- per maand is gesloten. Er zijn volgens [gedaagde] geen andere afspraken gemaakt, ook niet over meerwerk. Daarom vindt [gedaagde] dat [handelsnaam 1] niet meer dan de maandelijkse vergoeding van € 200,- per maand in rekening kan brengen.
3.2
Partijen zijn het erover eens dat de overeenkomst waarbij [handelsnaam 1] voor € 200,- per maand diensten voor Google Ads (SEA) verricht, gesloten is. De opdrachtbevestiging is door beide partijen ondertekend. De opdrachtgever is [gedaagde] , de website betreft “ [website] ” en de bedrijfsnaam is [handelsnaam 2] . Als product is “Google Ads Managementfee” aangevinkt, is een prijs van € 200,- per maand ingevuld, een looptijd van 3 maanden aangevinkt en is 1 oktober 2024 als ingangsdatum genoteerd.
3.3
[handelsnaam 1] heeft onvoldoende feiten naar voren heeft gebracht om te onderbouwen dat partijen een tweede overeenkomst (voor een tweede website) gesloten hebben. De enkele verwijzing naar de e-mail van 20 september 2024 is daarvoor niet voldoende. [A] schrijft in de e-mail van 20 september 2024 namens [handelsnaam 1] : “zoals besproken gaan wij dus 15 uur per maand aan [website] besteden (100,- p.u.).”, maar een bevestiging van [gedaagde] hierop ontbreekt. Uit de e-mail van 20 september 2024 blijkt dus niet dat partijen hierover overeenstemming hebben bereikt.
3.4
[handelsnaam 1] heeft op de eerste factuur van 4 november 2024 één keer € 200,- (excl. btw) voor Google Ads (SEA) in rekening gebracht. Op de facturen van december 2024, januari 2025 en februari 2025 is telkens twee keer € 200,- (excl. btw) voor Google Ads (SEA) in rekening gebracht. Omdat niet gebleken is dat partijen een tweede overeenkomst gesloten hebben, volgt de kantonrechter [gedaagde] in het standpunt dat [handelsnaam 1] slechts één maandelijkse vergoeding van € 200,- per maand in rekening kan brengen. Dit betekent dat per maand (factuur) slechts één maandelijkse vergoeding wordt toegewezen en dat de tweede wordt afgewezen. Daarnaast is op de facturen van december 2025, januari 2025 en februari 2025 een bedrag van € 58,- (excl. btw) voor “ [onderneming] ” in rekening gebracht. [handelsnaam 1] heeft niet toegelicht of onderbouwd waar dit bedrag op ziet. Deze bedragen op de facturen worden daarom ook afgewezen.

Einde van de overeenkomst
3.5
Vervolgens is de vraag voor welke maanden [gedaagde] een vergoeding verschuldigd is. De overeenkomst is per 1 oktober 2024 voor een bepaalde tijd van drie maanden gesloten. [handelsnaam 1] stelt dat de overeenkomst stilzwijgend met drie maanden wordt verlengd, behoudens opzegging minimaal een maand voordat de nieuwe termijn gaat lopen. [handelsnaam 1] stelt dat zij de overeenkomst per 1 maart 2025 beëindigd heeft. Het gaat volgens [handelsnaam 1] dus om een totale looptijd van vijf maanden.
3.6
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de overeenkomst medio november schriftelijk is opgezegd en dat hij nog maximaal twee maandbedragen verschuldigd is. Zodoende erkent [gedaagde] dat hij de maanden november en december 2024 verschuldigd is. [gedaagde] verwijst naar de opzeggingsbrief gedateerd op 28 oktober 2024, twee verklaringen van [B] (hierna [B] ) en [C] (hierna [C] ) en een verklaring van [gedaagde] zelf. [B] en [C] verklaren dat zij samen en kantoorruimte huurden in het pand waar ook [handelsnaam 1] zat. [gedaagde] maakte in deze periode af en toe gebruik van een werkplek binnen de kantoorruimte van [B] en [C] . [B] en [C] verklaren dat zij persoonlijk aanwezig waren op het moment dat [gedaagde] de schriftelijke beëindiging aan [D] (hierna [D] ) van [handelsnaam 1] overhandigde. Volgens [B] en [C] reageerde [D] rustig en zonder bezwaar.
3.7
[handelsnaam 1] betwist dat de opzegging door [gedaagde] heeft plaatsgevonden. Volgens [handelsnaam 1] zijn de verklaringen onjuist en in strijd met de waarheid.
3.8
[gedaagde] heeft zijn stelling dat de overeenkomst is opgezegd onderbouwd met twee verklaringen. De kantonrechter is van oordeel dat [handelsnaam 1] de stelling van [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. [handelsnaam 1] zegt dat de verklaringen verzonnen zijn, maar daar gaat de kantonrechter niet in mee. Bij de verklaringen zijn namelijk kopieën van de identiteitskaarten van [B] en [C] gevoegd en de verklaringen zijn met handtekeningen ondertekend. [handelsnaam 1] heeft geen andere feitelijke aanknopingspunten naar voren gebracht om de verklaringen te weerleggen. [handelsnaam 1] zegt verder dat partijen in december 2024 volop bezig waren met campagnes, dat [gedaagde] na zijn opzegging niet aan het afronden was, dat [gedaagde] een betalingstoezegging deed en dat [gedaagde] voor de laatste week van december 2024 een overleg wilde inplannen. Volgens [handelsnaam 1] doe je dat niet als je de overeenkomst tegen 31 december 2024 hebt opgezegd. De kantonrechter ziet dit anders. De overeenkomst liep nog door tot 31 december 2024. Dat er in december 2024 correspondentie tussen partijen heeft plaatsgevonden doet daarom niet aan de opzegging af. Na 31 december 2024 is er geen correspondentie meer tussen partijen geweest, althans daarvan is niet gebleken. Dit sluit wel aan op de stelling van [gedaagde] dat de samenwerking sindsdien door de opzegging beëindigd was.
3.9
De kantonrechter gaat er dus vanuit dat de overeenkomst, zoals [gedaagde] stelt, medio november 2024 door [gedaagde] is opgezegd. Dit heeft tot gevolg dat de overeenkomst op 31 december beëindigd is. [gedaagde] is betaling verschuldigd over de maanden oktober, november en december 2024.

Slotsom
3.10
Gelet op wat in 3.4 en 3.9 is overwogen, zal [gedaagde] worden veroordeeld tot betaling van 2 x € 242,- incl. btw = € 484,- voor de maanden november en december 2024. Het gaat om de factuur 20240362 van november 2024 en éénmaal het bedrag voor de Google Ads (SEA) op de factuur 20240409 van december 2024. Wat [handelsnaam 1] verder aan hoofdsom gevorderd heeft, wordt afgewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente
3.11
[handelsnaam 1] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [handelsnaam 1] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [handelsnaam 1] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De vergoeding zal in lijn worden gebracht met de toewijsbare hoofdsom en daarom wordt € 72,60 toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal ook worden toegewezen.
3.12
[handelsnaam 1] vordert wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf de datum dat [gedaagde] in verzuim is geraakt. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] met de betaling in verzuim is vanaf de respectievelijke vervaldata van de onderliggende facturen. In de dagvaarding is de wettelijke handelsrente berekend op € 166,64. Omdat de rente berekend is over een hoger bedrag dan de hoofdsom die wordt toegewezen, zal de wettelijke handelsrente worden toegewezen zoals vermeld onder de beslissing.

Proceskosten
3.13
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [handelsnaam 1] te betalen een bedrag van € 484,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW, vanaf de respectievelijke vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [handelsnaam 1] te betalen een bedrag van € 72,60 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.3
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.

PM/45352

Artikel delen