Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBNHO:2025:15599

Luchtvaart. De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd vanwege een geannuleerde vlucht. De vervoerder voert aan dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Het verweer van de vervoerder slaagt niet omdat hij de passagier na de annulering heeft omgeboekt naar een vlucht van vier dagen later en onvoldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat er geen eerd...

Rechtbank Noord-Holland 21 April 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBNHO:2025:15599 text/xml public 2026-04-21T09:02:40 2026-01-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2025-12-31 11084111 CV EXPL 24-2718 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:15599 text/html public 2026-04-21T09:02:05 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2025:15599 Rechtbank Noord-Holland , 31-12-2025 / 11084111 CV EXPL 24-2718
Luchtvaart. De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd vanwege een geannuleerde vlucht. De vervoerder voert aan dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Het verweer van de vervoerder slaagt niet omdat hij de passagier na de annulering heeft omgeboekt naar een vlucht van vier dagen later en onvoldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat er geen eerdere mogelijkheid was. Daarmee heeft hij niet alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging vanwege de annulering te beperken. De gevorderde compensatie wordt toegewezen.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11084111 CV EXPL 24-2718

Uitspraakdatum: 31 december 2025

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser]

wonende te [plaats]

eiser

hierna te noemen: de passagier

gemachtigde: [gemachtigde] (Yource B.V.)

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

Royal Air Maroc

gevestigd te Schiphol

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. T. Teke (Advocatenpraktijk Teke)

De zaak in het kort

De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd vanwege een geannuleerde vlucht. De vervoerder voert aan dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Het verweer van de vervoerder slaagt niet omdat hij de passagier na de annulering heeft omgeboekt naar een vlucht van vier dagen later en onvoldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat er geen eerdere mogelijkheid was. Daarmee heeft hij niet alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging vanwege de annulering te beperken. De gevorderde compensatie wordt toegewezen.
1Het procesverloop 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek, tevens vermindering van eis;

- de conclusie van dupliek;- de akte eiser.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten 2.1.
De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hem op 28 juli 2022 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Nador, Marokko, met vlucht AT1681 (hierna: de vlucht).
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
2.3.
De passagier heeft daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3Het geschil 3.1.
De passagier vordert, na vermindering van eis, dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 400,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van het incident tot aan de dag der algehele voldoening;- € 217,80 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagier baseert zijn vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder hem vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,-.
3.3.
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling van het geschil.
4De beoordeling 4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
De vervoerder betwist dat de passagier Yource B.V. heeft gemachtigd om namens hem deze procedure op te starten. Hij voert aan dat de handtekening op de overgelegde volmacht afwijkt van de handtekening in het paspoort van de passagier.
4.3.
Het verweer van de vervoerder slaagt niet. De kantonrechter stelt vast dat de handtekening van de passagier op de volmacht licht afwijkt van de handtekening op het identiteitsbewijs van de passagier. De kantonrechter is echter van oordeel dat de passagier met het overleggen van de boekingsdocumenten, de kopie van zijn paspoort en de volmacht voldoende heeft onderbouwd dat hij Yource B.V. heeft gemachtigd om namens hem te procederen.


4.4.
Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
4.5.
De vervoerder heeft een beroep op buitengewone omstandigheden gedaan. De kantonrechter overweegt echter dat hij, ongeacht of de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden, onvoldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging vanwege de annulering te voorkomen en te beperken. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat een omboeking naar een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht, waarmee een passagier (meer dan) een dag later dan gepland op de eindbestemming aankomt, in beginsel geen redelijke maatregel is. Dit is anders als er geen mogelijkheid was voor een eerdere alternatieve vlucht of dat het organiseren daarvan een onaanvaardbaar offer van de luchtvaartmaatschappij zou vergen.
4.6.
De passagier is omgeboekt naar dezelfde vlucht, maar dan vier dagen later. Weliswaar heeft de vervoerder gesteld dat hij de passagier zo snel mogelijk heeft vervoerd naar de bestemming, maar naar het oordeel van de kantonrechter heeft hij hiermee onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat er geen eerdere directe of indirecte alternatieve vlucht beschikbaar was die door hemzelf of door een andere luchtvaartmaatschappij werd uitgevoerd. Daarmee vormt de alternatief aangeboden vlucht in beginsel geen redelijke maatregel. Dit betekent dat, ook als vast zou komen te staan dat de annulering van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden, de vervoerder moet compenseren. De gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen.
4.7.
De passagier heeft wettelijke rente over de hoofdsom gevorderd vanaf de datum van de vlucht. Dit betreft een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade direct opeisbaar is. Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. Dat is de dag waarop de passagier op de bestemming had moeten aankomen. De werkwijze en proceshouding van de passagier, waar hierna op in zal worden gegaan, doen hier niet aan af. De wettelijke rente over de hoofdsom wordt daarom toegewezen vanaf de datum van de vlucht.
4.8.
De vervoerder stelt dat hij rauwelijks is gedagvaard en dat de proceskosten voor rekening van de passagier moeten komen, dan wel moeten worden gecompenseerd. De passagier betwist dit. De kantonrechter overweegt echter dat de vervoerder inhoudelijk verweer tegen de vordering van de passagier heeft gevoerd. Er is daarom geen reden om te veronderstellen dat de vervoerder hem buiten rechte tegemoet zou zijn gekomen. Daarom ziet de kantonrechter geen aanleiding om de passagier te veroordelen in de proceskosten of de proceskosten te compenseren.
4.9.
De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder betwist deze vordering. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagier heeft onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
4.10.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
4.11.
Omdat een gedeelte van de oorspronkelijke vordering niet toewijsbaar is, wordt de vervoerder ten aanzien van het griffierecht slechts veroordeeld tot betaling van het griffierecht dat verschuldigd is voor het toe te wijzen bedrag, te weten € 135,00. Het meerdere, dat op grond van de dagvaarding aan de passagier in rekening is gebracht, dient voor rekening van de passagier te blijven.
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 28 juli 2022, tot aan de dag van voldoening van dit bedrag;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 135,97;griffierecht € 135,00;salaris gemachtigde € 205,00;

vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 41,00 aan nakosten, voor zover de passagier daadwerkelijk nakosten zal maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Artikel 7 van de Verordening.

Artikel 5 lid 3 van de Verordening.

HvJEU 11 juni 2020, C-74/19, ECLI:EU:C:2020:460.

Artikel 6:83 sub b BW.

Artikel delen