Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBNHO:2026:3271

Luchtvaart. De passagier vordert compensatie van de vervoerder voor een vertraagde vlucht. Omdat de vervoerder – na wijziging van de grondslag van de vordering – geen verweer heeft gevoerd tegen de hoofdsom, wordt deze toegewezen.

Rechtbank Noord-Holland 9 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBNHO:2026:3271 text/xml public 2026-07-09T08:04:32 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-03-25 11680782 CV EXPL 25-2924 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3271 text/html public 2026-07-09T08:03:59 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:3271 Rechtbank Noord-Holland , 25-03-2026 / 11680782 CV EXPL 25-2924
Luchtvaart. De passagier vordert compensatie van de vervoerder voor een vertraagde vlucht. Omdat de vervoerder – na wijziging van de grondslag van de vordering – geen verweer heeft gevoerd tegen de hoofdsom, wordt deze toegewezen.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11680782 CV EXPL 25-2924

Uitspraakdatum: 25 maart 2026

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [plaats]

eiseres

hierna te noemen: de passagier

gemachtigde: [gemachtigde] (ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim)

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

Royal Air Maroc

gevestigd te Casablanca, Marokko

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. T. Teke (Advocatenpraktijk Teke)

De zaak in het kort

De passagier vordert compensatie van de vervoerder voor een vertraagde vlucht. Omdat de vervoerder – na wijziging van de grondslag van de vordering – geen verweer heeft gevoerd tegen de hoofdsom, wordt deze toegewezen.
1Het procesverloop 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding:

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten 2.1.
De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder haar en haar minderjarige kind op 5 en 6 juli 2023 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Casablanca, Marokko, naar Praia, Kaapverdië, met vluchtcombinatie AT1683 en AT593 (hierna: de vlucht).
2.2.
De vervoerder heeft vlucht AT1683 van Amsterdam naar Casablanca (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagier en haar minderjarige kind zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagier heeft het eventuele vorderingsrecht van haar minderjarige kind aan zichzelf overgedragen.
2.4.
De passagier heeft daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.5.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3Het geschil 3.1.
De passagier vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van vertraagde aankomst van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;- € 180,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente:- de nakosten.
3.2.
De passagier baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder haar vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- per persoon.
3.3.
De vervoerder voert verweer. Op het verweer wordt ingegaan bij de beoordeling van het geschil.
4De beoordeling 4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
In de dagvaarding heeft de passagier een verkeerde plaats van bestemming en aankomstdatum aan haar vordering ten grondslag gelegd. Dit heeft de vervoerder bij conclusie van antwoord gemeld en hij heeft de vordering daarom betwist. Bij repliek heeft de passagier aangegeven dat dit berustte op een verschrijvingsfout. Zij heeft de eindbestemming en aankomstdatum aangepast en de grondslag van de vordering dan ook gewijzigd.
4.3.
De vervoerder heeft de hoofdsom – na de wijziging van de grondslag van de eis – niet weersproken. Deze zal daarom worden toegewezen. De daarover gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de vluchtdatum. Het verzuim treedt namelijk zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De werkwijze en proceshouding van de passagier – waar hierna op in zal worden gegaan – maken dit niet anders.
4.4.
Resteert de vraag of de vervoerder rauwelijks is gedagvaard. De vervoerder voert aan dat de passagier een procedure had kunnen voorkomen door de vordering op de juiste wijze in te dienen (via zijn website). De gemachtigde van de passagiers heeft een aanmaning namens de passagier verstuurd naar een e-mailadres van de vervoerder. Hierop is een automatisch antwoord verstuurd dat verwijst naar de website van de vervoerder. De passagier heeft haar vordering niet via deze website ingediend. De aanmaning was ook niet voorzien van de juiste bijbehorende stukken, zodat hij niet in staat was om de vordering te beoordelen, aldus de vervoerder.
4.5.
De kantonrechter stelt voorop dat het indienen van een buitengerechtelijk verzoek tot compensatie in beginsel vormvrij is. De vervoerder heeft erkend dat de aanmaning hem per e-mail heeft bereikt. De omstandigheid dat de passagier de vordering niet (ook) via de website van de vervoerder heeft ingediend, maakt dit niet anders. Met betrekking tot het ontbreken van de bijbehorende stukken geldt dat de vervoerder niet heeft gesteld dat hij daar voorafgaand aan de procedure om heeft gevraagd, zodat de kantonrechter hieraan voorbij zal gaan. Van rauwelijks dagvaarden is dan ook geen sprake.
4.6.
De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagier heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
4.7.
De kantonrechter begrijpt dat de vervoerder stelt dat (een gedeelte van) de proceskosten voor rekening van de passagier moet(en) komen. Omdat de passagier de vordering pas bij conclusie van repliek heeft voorzien van de juiste feitelijke onderbouwing, heeft hij nodeloos kosten gemaakt, aldus de vervoerder.
4.8.
De kantonrechter overweegt dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld, in beginsel in de proceskosten wordt veroordeeld. Daarbij kunnen de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, voor rekening worden gelaten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte. De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kantonrechter ziet vanwege het procesverloop echter aanleiding om de veroordeling van de vervoerder tot betaling van het salaris van de gemachtigde van de passagier te matigen tot één procespunt.
4.9.
Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 1.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 6 juli 2023 tot aan de dag van voldoening van dit bedrag;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 144,47;griffierecht € 226,00;salaris gemachtigde € 144,00;

vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 72,00 aan nakosten, voor zover de passagier daadwerkelijk nakosten zal maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Artikel 7 van de Verordening.

Artikel 6:74 lid 1 jo. 6:83 sub b BW.

Artikel 237 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).

Artikel delen