Menu

Filter op
content
PONT Zorg&Sociaal

0

ECLI:NL:RBNHO:2026:5735

Lecc Exploitatie exploiteert een bungalowpark. Eiser is eigenaar van twee huisjes op het bungalowpark. Eiser is van mening dat een aantal artikelen uit de leveringsakte van 2003 (waaronder een kettingbeding) ontbonden dan wel waardeloos verklaard moeten worden. De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af. De leveringsakte kwalificeert niet als een overeenkomst tussen twee partijen, maar is e...

Rechtbank Noord-Holland 3 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBNHO:2026:5735 text/xml public 2026-07-03T14:41:56 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-05-13 C/15/368453 / HA ZA 25-463 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Alkmaar Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5735 text/html public 2026-07-03T14:17:05 2026-07-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:5735 Rechtbank Noord-Holland , 13-05-2026 / C/15/368453 / HA ZA 25-463
Lecc Exploitatie exploiteert een bungalowpark. Eiser is eigenaar van twee huisjes op het bungalowpark. Eiser is van mening dat een aantal artikelen uit de leveringsakte van 2003 (waaronder een kettingbeding) ontbonden dan wel waardeloos verklaard moeten worden. De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af. De leveringsakte kwalificeert niet als een overeenkomst tussen twee partijen, maar is een notarieel document en een uitvloeisel van de koopovereenkomst. Ontbinding van die leveringsakte is daarom niet mogelijk. Ten overvloede wijst de rechtbank er nog op dat in een groot aantal uitspraken van deze rechtbank en het gerechtshof Amsterdam al is geoordeeld over het kettingbeding en de rechtsgeldigheid van de cessie daarvan. Gelet daarop is er nog wel een schuldeiser die eiser kan aanspreken op grond van de leveringsakte. Eiser wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten die hoger zijn dan het gebruikelijke liquidatietarief, omdat er sprake is van misbruik van recht.
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: C/15/368453 / HA ZA 25-463

Vonnis van 13 mei 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij,

advocaat: mr. M.B. Bollen,

tegen

1. de ontbonden vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid

[VvE Bungalowpark] ,

te [woonplaats] ,

advocaat: mr. L.E. Huard,2. de ontbonden besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCHATZENBURG B.V.,

te Menaldum, gemeente Menaldumadeel,

advocaat: mr. K. Straathof,

gedaagde partijen,

en

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LECC EXPLOITATIE DE HORN B.V.,

te Tuitjenhorn, gemeente Schagen,

gevoegde partij aan de zijde van de gedaagde partijen,

advocaat: mr. K. Straathof.

Partijen zullen hierna [eiser] , de VvE, Schatzenburg en Lecc Exploitatie genoemd worden.

De zaak in het kort

Lecc Exploitatie exploiteert een bungalowpark. [eiser] is eigenaar van twee huisjes op het bungalowpark. [eiser] is van mening dat een aantal artikelen uit de leveringsakte van 2003 (waaronder een kettingbeding) ontbonden dan wel waardeloos verklaard moeten worden. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af. De leveringsakte kwalificeert niet als een overeenkomst tussen twee partijen, maar is een notarieel document en een uitvloeisel van de koopovereenkomst. Ontbinding van die leveringsakte is daarom niet mogelijk. Ten overvloede wijst de rechtbank er nog op dat in een groot aantal uitspraken van deze rechtbank en het gerechtshof Amsterdam al is geoordeeld over het kettingbeding en de rechtsgeldigheid van de cessie daarvan. Gelet daarop is er nog wel een schuldeiser die [eiser] kan aanspreken op grond van de leveringsakte. [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten die hoger zijn dan het gebruikelijke liquidatietarief, omdat er sprake is van misbruik van recht.
1De procedure 1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 december 2025;

- de mondelinge behandeling van 25 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Bollen heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen;

- het door mr. Bollen ter zitting overgelegde kadasterdocument.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten 2.1.
Bungalowpark De Horn (hierna: het bungalowpark) is een in Dirkshorn gelegen bungalowpark met circa 250 houten en circa 90 stenen huisjes.
2.2.
Op enig moment heeft De Horn B.V. het bungalowpark gekocht. De Horn B.V. heeft in 2003 de algemene delen van het bungalowpark verkocht en geleverd aan de VvE. De Horn B.V. verkocht daarnaast houten huisjes met ondergrond aan particulieren.
2.3.
Op 27 januari 2012 heeft de VvE de algemene delen van het bungalowpark geleverd aan de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). De in die algemene delen van het bungalowpark begrepen registergoederen heeft [naam 1] diezelfde dag geleverd aan Lecc Vastgoed B.V. De activa en passiva van het bungalowpark (behoudens registergoederen en daaraan verbonden leningen) zijn diezelfde dag door [naam 1] geleverd aan Lecc Exploitatie.
2.4.
Op 1 februari 2012 is tussen Lecc Vastgoed B.V. en Lecc Exploitatie een overeenkomst gesloten waarbij aan Lecc Exploitatie het alleenrecht van exploitatie van het bungalowpark is gegeven.
2.5.
[eiser] is sinds 2003 eigenaar van een kadastraal perceel met daarop een houten huisje. Sinds 2015 is hij ook eigenaar van een tweede huisje.
2.6.
In de akte van levering van 12 december 2003 bij de koop van het eerste huisje is op pagina 6 en volgende onder andere het volgende opgenomen met betrekking tot het gebruik van de gemeenschappelijke voorzieningen:

“Gebruik gemeenschappelijke voorzieningen

Artikel 1

a. De koper is bevoegd gebruik te maken van de voor gemeenschappelijk gebruik bestemde voorzieningen welke in het bungalowpark waarin het hierbij verkochte is gelegen, zijn aangebracht. De koper dient jaarlijks aan de beheerder een bedrag van vier honderd vijftig euro € 450,00) exclusief omzetbelasting te betalen als bijdrage in de kosten (…).

(…)

Instandhouding van kleuren

Artikel 2

(…)

Gebruik opstal

Artikel 3

(…)

Bestemmingsplan

Artikel 4

(…)

Kettingbeding

Artikel 5

De in artikel 1, 2, 3 en 4 vermelde verplichtingen en verboden, alsmede de onderhavige verplichting (artikel 5) gelden niet slechts voor de koper in deze maar ook voor zijn opvolgers in de eigendom en dienen bij iedere eigendomsoverdracht bij wijze van kettingbeding ten behoeve van de verkopers aan de verkrijger te worden opgelegd, zodanig dat deze rechtstreeks nakoming van de nieuwe eigenaar kunnen vorderen op straffe van een direkt opeisbare boete van twee en twintig duizend zeven honderd euro (€ 22.700,00) aan en ten behoeve van de verkopers verschuldigd.”
2.7.
Bij vonnis van deze rechtbank van 18 februari 2015 is onder meer beslist dat [eiser] gebonden is aan de hiervoor in de akte van levering genoemde regelingen, waaronder het kettingbeding. Het vonnis is bekrachtigd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016. Kort gezegd staat in het arrest dat het gerechtshof: “verklaart voor recht dat de eigenaren gehouden zijn tot betaling aan Lecc Exploitatie van een parkbijdrage per object of samenstel van objecten dat aan hen is geleverd bij een afzonderlijke leveringsakte waarin het kettingbeding is opgenomen.”
2.8.
Bij vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 5 januari 2022 is - voor zover van belang - het volgende geoordeeld over het kettingbeding in de leveringsakte van 2003:

“4.7. Vaststaat dat voornoemd arrest van het gerechtshof Amsterdam (toevoeging rechtbank: het hiervoor genoemde arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016) voor [eiser] in kracht van gewijsde is gegaan. Immers, [eiser] was partij bij dat arrest en is niet in cassatie gegaan. Het bepaalde in artikel 236 Rv brengt dan mee dat het gerechtshof Amsterdam ten aanzien van [eiser] op voornoemde geschilpunten onherroepelijk heeft beslist, en dat deze geschilpunten in deze procedure niet opnieuw aan de orde kunnen worden gesteld.
4.8.
Dit geldt ook voor de rechtsoordelen die zijn vervat in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 februari 2019, waarop Lecc zich ook beroept. In dat hoger beroep heeft [eiser] het in het arrest van 25 oktober 2016 als tardief gepasseerde verweer opnieuw gevoerd, te weten dat de rechten uit het kettingbeding niet rechtsgeldig door De Horn B.V. aan de VvE zijn gecedeerd omdat een mededeling daarvan zou ontbreken. Het gerechtshof heeft daarop op 5 februari 2019 geoordeeld dat het feit dat de VvE na de cessie gefactureerd heeft voor de parkbijdragen, te beschouwen is als toereikende mededeling van de overdracht van het recht op de parkbijdragen en dus van de rechten uit het kettingbeding. Vast staat dat [eiser] niet in cassatie is gegaan tegen dit arrest.
4.9.
De kantonrechter neemt de onherroepelijke rechtsoordelen en beslissingen van het gerechtshof Amsterdam in de hierboven genoemde uitspraken dus als uitgangspunt, en gaat voorbij aan hetgeen [eiser] in deze procedure opnieuw aan de orde stelt over het doorbreken van het kettingbeding, zijn gebondenheid daaraan tegenover Lecc en zijn daaruit voortvloeiende verplichting om parkbijdragen te betalen, de rechtsgeldigheid van de cessie, de volmacht van [naam 2] en de afvalkosten. De daarover door [eiser] aangevoerde argumenten stuiten af op het gezag van gewijsde.”
2.9.
Het gerechtshof Amsterdam heeft dit vonnis van de kantonrechter van 5 januari 2022 bekrachtigd bij arrest van 19 december 2023.
3Het geschil 3.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, na eisvermindering ter zitting, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

I. de artikelen 1, 2, 3 en 5, zoals vermeld op pagina 6 tot en met 9 van de akte van levering d.d. 12 december 2003, zoals als productie 2 overgelegd, ontbindt;

II. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;

subsidiair

III. de inschrijving van de artikelen 1, 2, 3 en 5, zoals vermeld op pagina 6 tot en met 9 van de akte van levering d.d. 12 december 2003, zoals als productie 2 overgelegd, in de openbare registers waardeloos verklaart ex artikel 3:29 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW);

IV. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Bij de akte van levering van 29 december 2003 heeft Schatzenburg het resterende deel van haar eigendom verkocht aan de VvE. In deze akte van levering zijn alle rechten van Schatzenburg op [eiser] aan de VvE gecedeerd. Schatzenburg is per 8 februari 2016 ontbonden, terwijl de VvE is ontbonden per 27 december 2022. Er is derhalve thans niemand meer die [eiser] kan aanspreken op grond van de artikelen 1, 2, 3 en 5 van de akte van levering van 12 december 2003. Op grond van artikel 6:259 lid 1 sub a BW verzoekt [eiser] dan ook dat de overeenkomst tussen [eiser] en de VvE wordt ontbonden, in die zin dat de artikelen 1, 2, 3 en 5 geen toepassing meer kennen. Volgens [eiser] is het namelijk in strijd met het algemeen belang om een verplichting te laten voortduren waar niemand belang meer bij heeft. Daarnaast is er geen schuldeiser meer, Schatzenburg heeft immers haar rechten gecedeerd aan de VvE en die laatste is ontbonden. Subsidiair vordert [eiser] dat de rechtbank de inschrijving van de artikelen 1, 2, 3 en 5 van de leveringsakte van 12 december 2003 in de openbare registers waardeloos verklaart ex artikel 3:29 BW.
3.3.
De VvE voert aan dat zij in 2012 haar registergoederen aan [naam 1] heeft geleverd en dat de VvE in 2016 is ontbonden. Voor het overige heeft de VvE zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.4.
Lecc Exploitatie en Schatzenburg voeren verweer.
3.4.1.
Lecc Exploitatie heeft aangevoerd dat de toenmalige eigenaren het bungalowpark hebben verkocht aan De Horn B.V. In 2003 heeft De Horn B.V. vervolgens de algemene delen van het bungalowpark verkocht en geleverd aan de VvE. De Horn B.V. heeft daarnaast de houten huisjes met ondergrond en parkeerplaatsen aan particulieren verkocht. Op 27 januari 2012 heeft de VvE de algemene delen van het bungalowpark geleverd aan [naam 1] . De in de algemene delen van het bungalowpark begrepen registergoederen heeft [naam 1] diezelfde dag nog geleverd aan Lecc Vastgoed B.V. De activa en passiva (behoudens de registergoederen en daaraan verbonden leningen) van het bungalowpark zijn diezelfde dag door [naam 1] geleverd aan Lecc Exploitatie. Op 1 februari 2012 is tussen Lecc Vastgoed B.V. en Lecc Exploitatie een overeenkomst gesloten waarbij Lecc Exploitatie het alleenrecht van exploitatie van het bungalowpark is gegeven. Lecc Exploitatie voert aan dat de vorderingen voortvloeiende uit het kettingbeding steeds rechtsgeldig zijn gecedeerd aan de rechtsopvolgers en dat zij [eiser] kan aanspreken op basis van dat kettingbeding. [eiser] is dan ook gebonden aan het kettingbeding zoals in de akte van levering van 12 december 2003 opgenomen. Dit is al in meerdere uitspraken van de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam bepaald.

Bovendien weet [eiser] dat hij de rechtbank verkeerd voorlicht door te stellen dat er geen partij meer is die hem kan aanspreken op basis van het kettingbeding en gebruikt hij steeds al in eerder gevoerde procedures aangevoerde (en in die procedures beoordeelde) argumenten opnieuw.
3.4.2.
Schatzenburg heeft samengevat aangevoerd dat [eiser] het tegen beter weten in doet voorkomen alsof er na het cederen van alle rechten door Schatzenburg aan de VvE geen nadere cessie heeft plaatsgevonden. Dit terwijl bij vonnis van deze rechtbank van 24 februari 2016 is overwogen dat de rechten en verplichtingen van De Horn B.V. jegens [eiser] voortvloeiend uit het kettingbeding in de akte van levering van 12 december 2003 steeds rechtsgeldig van kracht zijn gebleven en op correcte wijze zijn overgedragen aan de opeenvolgende kopers. [eiser] is dan ook gehouden een parkbijdrage te betalen aan Lecc Exploitatie. [eiser] heeft de rechtbank gelet op het voorgaande bewust onjuist en onvolledig voorgelicht en daarmee bewust in strijd met 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) gehandeld.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling 4.1.
Deze zaak komt er in het kort op neer dat [eiser] van mening is dat er geen schuldeiser meer is die rechtsgeldig een beroep kan doen op het kettingbeding zoals opgenomen in de akte van levering van 12 december 2003 (zie hiervoor onder 2.6) en dat de bepalingen 1, 2, 3 en 5 van die leveringsakte daarom in strijd zijn met artikel 6:259 lid 1 sub a BW en/of artikel 3:29 BW. Lecc Exploitatie heeft betwist dat er geen schuldeiser meer is en heeft toegelicht hoe de rechten en verplichtingen van De Horn B.V. voortvloeiende uit de akte van levering van 12 december 2003 - na aan een aantal andere partijen te zijn overgedragen - gecedeerd zijn aan Lecc Exploitatie. Volgens Lecc Exploitatie heeft [eiser] dan ook geen grondslag om zich te beroepen op de hiervoor genoemde artikelen. Daarbij voert Lecc Exploitatie aan dat de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam al een aantal keer hebben bepaald dat de rechten en plichten ten opzichte van [eiser] uit de leveringsakte keer op keer correct zijn gecedeerd aan een opvolgende partij en zo uiteindelijk bij Lecc Exploitatie zijn komen te liggen.

Beoordeling op grond van artikel 6:259 lid 1 sub a BW
4.2.
[eiser] beroept zich primair op artikel 6:259 lid 1 sub a BW en subsidiair op artikel 3:29 BW. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat de advocaat van [eiser] ter zitting desgevraagd heeft toegelicht dat het gevolg van de ontbinding van artikelen 1, 2, 3 en 5 van de leveringsakte van 12 december 2003 zou moeten zijn dat de inschrijving van die artikelen waardeloos verklaard moet worden (ex artikel 3:29 BW). De rechtbank leidt daaruit af dat [eiser] bedoelt dat artikel 3:29 BW een uitvloeisel is van artikel 6:259 lid 1 sub a BW en dat daaraan aldus geen zelfstandige betekenis toekomt. Hierna zal de rechtbank dan ook alleen het standpunt van [eiser] ten aanzien van artikel 6:259 lid 1 sub a BW beoordelen.

Afwijzen vorderingen [eiser]
4.3.
In het petitum van de dagvaarding heeft [eiser] gevorderd dat de rechtbank de artikelen 1, 2, 3 en 5 van de akte van levering van 12 december 2003 zal ontbinden. Ter zitting heeft de advocaat van [eiser] dit bevestigd na vragen hierover van de rechtbank.

Gelet daarop oordeelt de rechtbank als volgt. De leveringsakte van 12 december 2003 kwalificeert niet als een overeenkomst tussen twee partijen, maar is een notarieel document en een uitvloeisel van een koopovereenkomst tussen twee partijen. Ontbinding van die leveringsakte is daarom niet mogelijk. De conclusie die daaruit volgt is dan ook dat de vorderingen van [eiser] afgewezen moeten worden.

Gezag van gewijsde
4.4.
In het voorgaande heeft de rechtbank geconcludeerd dat de vorderingen van [eiser] afgewezen moeten worden. Maar zelfs al zou de rechtbank tot de conclusie zijn gekomen dat de leveringsakte wel (gedeeltelijk) ontbonden zou kunnen worden of gedeeltelijk waardeloos zou kunnen worden verklaard (hetgeen dus niet het geval is), dan zouden de argumenten van [eiser] niet tot een ander oordeel leiden. Anders dan [eiser] heeft gesteld, is er nog wel een schuldeiser die hem kan aanspreken op grond van de leveringsakte van 12 december 2003.
4.5.
Het gerechtshof Amsterdam heeft (zie 2.7 en 2.8) immers in 2016 al geoordeeld over het kettingbeding en de rechtsgeldigheid van de cessie en heeft toen bepaald dat de eigenaren gehouden zijn tot betaling aan Lecc Exploitatie van een parkbijdrage per object of samenstel van objecten dat aan hen is geleverd bij een afzonderlijke leveringsakte waarin het kettingbeding is opgenomen. Vervolgens is in uitspraken van de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam in 2018, 2019, 2022 en 2023 herhaald dat het kettingbeding rechtsgeldig is gecedeerd aan Lecc Exploitatie dan wel dat sprake is van gezag van gewijsde inzake het kettingbeding, waardoor de rechtbank gebonden is aan de eerdere beslissingen over hetzelfde feitencomplex voor wat betreft de geldige cessie en het voortbestaan van het kettingbeding in de leveringsakte van 2003.
4.6.
[eiser] heeft weliswaar op de zitting erkend dat in uitspraken van de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam (onder andere) is uitgemaakt dat het kettingbeding rechtsgeldig is gecedeerd aan Lecc Exploitatie, maar volgens hem heeft het gerechtshof Amsterdam in 2016 met haar uitspraak een juridische dwaling begaan en is er sprake van nieuwe feiten en omstandigheden, waardoor het gezag van gewijsde doorbroken zou moeten worden. [eiser] voert daar grofweg drie argumenten voor aan: (1) het door [eiser] ter zitting overgelegde kadaster-stuk van 12 juli 2011; (2) een verklaring van notaris Sterel uit 2012 naar aanleiding van een door [eiser] tegen Sterel ingediende klacht; en (3) het feit dat [eiser] geen cassatie tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016 heeft ingesteld omdat hij geen cassatieadvocaat kon vinden die heil zag in een cassatieberoep en hij daarvoor bovendien onvoldoende steun kreeg vanuit de VvE.
4.7.
De rechtbank komt tot de conclusie dat het gezag van gewijsde niet doorbroken kan worden. [eiser] heeft ten eerste niet toegelicht wat hij met het door hem ter zitting ingebrachte kadaster-stuk van 12 juli 2011 wil aantonen, zodat dit geen onderbouwing van zijn standpunt vormt. Voor zover [eiser] zich verder beroept op een volgens hem nieuw aan het licht gekomen verklaring van notaris Sterel, komt de rechtbank tot de conclusie dat deze verklaring reeds uit 2012 stamt en, zoals aangevoerd door Lecc Exploitatie, die verklaring gaat over de vraag of [naam 1] en Lecc Exploitatie huisjeseigenaren kunnen houden aan verplichtingen die zij jegens de VvE op zich hebben genomen door ondertekening van een beheersovereenkomst. Dat onderwerp en deze verklaring zijn eerder al aan de orde is gekomen in het arrest van 5 februari 2019, zodat ook dit geen nieuw feit is of nieuwe omstandigheden zijn. Verder staat vast dat [eiser] geen cassatie heeft ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016. Dat heeft tot gevolg dat hij aan het oordeel van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016 is gebonden. Waarom [eiser] geen cassatie heeft ingesteld, is niet relevant.
4.8.
De conclusie is dan ook dat ook deze rechtbank is gebonden aan de eerder (onherroepelijk) gedane uitspraken, waaronder de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016, over het rechtsgeldig cederen van het kettingbeding aan Lecc Exploitatie. Deze uitspraak is immers in gezag van gewijsde gegaan en het gezag van gewijsde kan op grond van het voorgaande niet worden doorbroken.

Proceskosten
4.9.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Lecc Exploitatie heeft verzocht om af te wijken van het gebruikelijke liquidatietarief, omdat [eiser] volgens haar misbruik van procesrecht maakt. Er is onder andere sprake van misbruik van procesrecht als het innemen van stellingen - gelet op de evidente ongegrondheid daarvan - in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. Dat is hier het geval. [eiser] had op voorhand moeten begrijpen dat zijn herhaalde stellingen over (kort gezegd) het kettingbeding en de rechtsgeldigheid van de cessie geen kans van slagen hadden, omdat daarop al onherroepelijk door deze rechtbank en het gerechtshof Amsterdam is beslist. Door die stellingen in de onderhavige procedure opnieuw in te nemen, heeft [eiser] onnodig en tegen beter weten in geprocedeerd. Daardoor heeft hij gedaagden nodeloos op (extra) kosten gejaagd. Bovendien heeft [eiser] de rechtbank bij dagvaarding onvolledig en onjuist voorgelicht door achterwege te laten dat er eerdere procedures tussen partijen zijn gevoerd waarin al is bepaald dat Lecc Exploitatie recht heeft op de parkbijdrage door geldige cessies van het kettingbeding. Daarmee heeft [eiser] gehandeld in strijd met artikel 21 Rv. Daarom is afwijking van het uitgangspunt dat het salaris advocaat volgens het toepasselijke liquidatietarief wordt berekend gerechtvaardigd. Het toepasselijke liquidatietarief van € 653,- zal worden vermenigvuldigd met twee, tot € 1.306,- per proceshandeling.

Ten aanzien van VvE zal de rechtbank het normale liquidatietarief in rekening brengen, omdat de VvE geen verweer heeft gevoerd tegen de vorderingen van [eiser] en zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.10.
De proceskosten van Schatzenburg en Lecc Exploitatie worden begroot op:

- griffierecht



714,00

- salaris advocaat



3.918,00

(3 punten × € 1.306,00)

- nakosten



189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



4.821,00
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten van Schatzenburg en Lecc Exploitatie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.12.
De proceskosten van VvE worden begroot op:

- griffierecht



714,00

- salaris advocaat



1.306,00

(2 punten × € 653,00)

- nakosten



189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



2.209,00
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Schatzenburg en Lecc Exploitatie van € 4.821,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van Schatzenburg en Lecc Exploitatie als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van VvE van € 2.209,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 tot en met 5.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. de Metz en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.

AFS/BdM

Niet gepubliceerd.

Gerechtshof Amsterdam 25 oktober 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4267.

Rechtbank Noord-Holland 5 januari 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:168.

Gerechtshof Amsterdam 5 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:283.

Gerechtshof Amsterdam 19 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:3451.

Niet gepubliceerd.

Zie onder andere: Gerechtshof Amsterdam 25 oktober 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4267. Gerechtshof Amsterdam 16 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:110. Gerechtshof Amsterdam 5 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:283. Rb. Noord-Holland 5 januari 2022, ECLI:NL:2022:168. Gerechtshof Amsterdam 19 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3451.

Gerechtshof Amsterdam 16 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:110.

Gerechtshof Amsterdam 5 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:283.

Rb. Noord-Holland 5 januari 2022, ECLI:NL:2022:168.

Gerechtshof Amsterdam 19 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3451.

Gerechtshof Amsterdam 5 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:283.

Zie eerder al overwogen bij deze rechtbank in r.o. 4.5-4.7. van ECLI:NL:RBNHO:2022:168.

Artikel delen