ECLI:NL:RBNHO:2026:7999
WAHV - artikel 147 WVW: mag de opsporingsambtenaar in privétijd en privévoertuig de snelheidslimiet overschrijden om een achtervolging in te zetten bij verstoring van de openbare orde?
De kantonrechter beantwoord deze vraag bevestigend mits is voldaan aan de door de Minister gestelde voorwaarden voor vrijstelling. Het beroep is gegrond verklaard.
Rechtbank Noord-Holland 1 July 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:7999
text/xml
public
2026-07-01T16:32:38
2026-07-01
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Noord-Holland
2026-06-03
12009165 WM25-4363
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Haarlem
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7999
text/html
public
2026-07-01T16:31:04
2026-07-01
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBNHO:2026:7999 Rechtbank Noord-Holland , 03-06-2026 / 12009165 WM25-4363
WAHV - artikel 147 WVW: mag de opsporingsambtenaar in privétijd en privévoertuig de snelheidslimiet overschrijden om een achtervolging in te zetten bij verstoring van de openbare orde?
De kantonrechter beantwoord deze vraag bevestigend mits is voldaan aan de door de Minister gestelde voorwaarden voor vrijstelling. Het beroep is gegrond verklaard.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknummer : 12009165 WM VERZ 25-4363
CJIB-nummer : [nummer]
Uitspraakdatum : 3 juni 2026
Uitspraak op een beroep tegen een boete op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [betrokkene]
woonplaats : [betrokkene]
(hierna te noemen: betrokkene).
De verkeersboete en het beroep
Aan betrokkene is een boete opgelegd voor een verkeersovertreding (10 kilometer harder rijden dan toegestaan binnen de bebouwde kom).
Betrokkene heeft administratief beroep ingesteld tegen de boete. De officier van justitie heeft dat beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. Het beroep is behandeld op de zitting van 20 mei 2026. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. De betrokkene is ook verschenen.
De betrokkene heeft in het beroepschrift en op de zitting aangevoerd dat hij zich op de dag van de overtreding in zijn vrije tijd in zijn privé-voertuig bevond toen hij zich geconfronteerd zag met een verkeersruzie waarbij geweld werd gebruikt. Omdat betrokkene werkzaam is als politieagent bij de afdeling team Verkeer van de politie Amsterdam, besloot betrokkene de agressor te achtervolgen. Volgens betrokkene was hij daarbij – in tegenstelling tot hetgeen daarover door de officier van justitie in diens beslissing is gesteld – van het bepaalde in het RVV 1990 vrijgesteld, zodat betrokkene de geldende snelheidslimiet ter plaatse mocht overschrijden. Van de situatie is door betrokkene ter zitting een proces-verbaal overgelegd dat door hem is opgemaakt op 18 juni 2025.
De vertegenwoordiger van de officier van justitie (hierna: vertegenwoordiger) heeft op de zitting medegedeeld het standpunt in de beslissing van de officier van justitie te handhaven en heeft de kantonrechter verzocht om het beroep ongegrond te verklaren. Volgens de vertegenwoordiger was betrokkene ten tijde van de gedraging niet vrijgesteld van het bepaalde in het RVV 1990, omdat betrokkene in een privévoertuig reed. Volgens de vertegenwoordiger blijkt dit uit de beschikking van de minister van Infrastructuur en Waterstaat van 8 december 2021 in samenhang met de Brancherichtlijn Politie 2023 en geldt slechts een vrijstelling voor bestuurders van voorrangsvoertuigen, althans van dienstvoertuigen.
De betrokkene is het met die stelling niet eens en heeft daartegen aangevoerd dat politieambtenaren in bepaalde gevallen ook voertuigen van een burgers kunnen vorderen en ook daarmee de verkeersvoorschriften worden genegeerd.
De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.
De beoordeling
De kernvraag in dezen is of betrokkene van de bepalingen van het RVV was vrijgesteld of niet. De kantonrechter is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Daarbij is het volgende van belang.
Betrokkene wordt verweten 60 kilometer per uur te hebben gereden binnen de bebouwde kom, hetgeen in strijd is met artikel lid 1 onder g Wegenverkeerwet (WVW) in samenhang met artikel 20 onder a Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV). Van dit voorschrift kunnen bestuurders van voorrangsvoertuigen afwijken wanneer de uitoefening van de taak dit vereist artikel (91 RVV). Daarnaast biedt artikel 147 WVW de minister de mogelijkheid vrijstelling te verlenen van het krachtens die wet bepaalde, ten behoeve van openbare of door de minister daarmee gelijk te stellen diensten.
Op grond van artikel 147 WVW heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat bij beschikking van 8 december 2021 (RWS-2021/43650) (hierna: de Beschikking) vrijstelling verleend van het bepaalde van het RVV 1990, aan onder meer ambtenaren werkzaam bij de politie als bedoeld in artikel 2 onder a tot en met c van de Politiewet 2012. Betrokkene kan dus in zijn hoedanigheid als politieambtenaar, los van hetgeen is bepaald in artikel 91 RVV voor voorrangsvoertuigen, zijn vrijgesteld van het bepaalde in het RVV. Vervolgens is aan de orde de vraag of de geboden vrijstelling ook gold de situatie waarin betrokkene zich bevond op de dag van verkeersovertreding.
Voor vrijstelling zijn de volgende in de Beschikking opgestelde voorwaarden van belang:
De veiligheid van het verkeer dient zoveel mogelijk te worden gewaarborgd en de in de brancherichtlijn verkeer politie opgenomen voorschriften ten aanzien van het gedrag in het verkeer dienen te worden nageleefd, en;
De bevoegdheid die aan de vrijstelling wordt ontleent moet noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de opgedragen taak.
Daarnaast zijn ook onderdelen van de Brancherichtlijn Politie 2023 (hierna: de Richtlijn) van toepassing bij het bepalen van de reikwijdte van de genoemde vrijstelling. Alhoewel de tekst van deze Richtlijn op punten cryptisch is geformuleerd en zich in beginsel richt tot bestuurders van voorrangsvoertuigen, leidt de kantonrechter uit paragraaf 2 van de Richtlijn af dat de in de Richtlijn genoemde voorwaarde ‘dat sprake moet zijn van een dringende taak’ ook geldt voor bestuurders van niet-voorrangsvoertuigen. Uit eerdergenoemde Beschikking volgt voorts dat de in de Richtlijn genoemde gedragscode eveneens van toepassing is.
1e voorwaarde: is de veiligheid voldoende gewaarborgd?
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft betrokkene zich aan deze voorwaarde uit de Beschikking gehouden. Betrokkene heeft de maximumsnelheid slechts met 10 kilometer per uur overschreden. Nu betrokkene is opgeleid als politieambtenaar binnen het team Verkeer, gaat de kantonrechter er van uit dat betrokkene ook de verkeersveiligheid bij deze snelheidsoverschrijding in acht heeft genomen.
2e voorwaarde: noodzakelijkheid voor de uitvoering van de opgedragen taak/sprake van dringende taak?
In gevolge artikel 3 van de Politiewet 2012 heeft de politie als opgedragen taak onder meer het handhaven van de rechtsorde. Uit het door betrokkene overgelegde proces-verbaal van 18 juni 2025 blijkt dat betrokkene heeft waargenomen dat twee voertuigen voor hem op de weg tot stilstand kwamen, een man zijn voertuig verliet en richting de bestuurderszijde van het andere voertuig liep, het portier opentrok, meerdere keren een trappende beweging maakte tegen of in het voertuig, terug rende naar zijn eigen voertuig en met verhoogde snelheid wegreed. Daarop heeft betrokkene de achtervolging ingezet. Gelet op die waarneming komt de kantonrechter tot het oordeel dat het overschrijden van de maximum snelheid noodzakelijk was om de mogelijke verdachte aan te houden en de rechtsorde te handhaven. Ook is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van een dringende reden in de zin van de Richtlijn. Volgens de Richtlijn moet onder ‘dringende taak’ worden verstaan ‘een ernstige verstoring van de openbare orde of de rechtsorde, waarvoor een directe en snelle inzet noodzakelijk is’. Betrokkene zag zich geconfronteerd met een verkeersruzie met mogelijke fysieke mishandeling en/of vernieling. Dit kan als een ernstige verstoring van de openbare orde worden aangemerkt en maakte handhavend optreden zonder meer noodzakelijk.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de kantonrechter tot het oordeel dat betrokkene onder de vrijstelling van de Beschikking viel waardoor hij niet in overtreding was en dus dat aan hem ten onrechte een boete is opgelegd.
Het beroep wordt daarom gegrond verklaard. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd.
Tot slot wil de kantonrechter nog het volgende overwegen. Door het samenstel van allerlei regelgeving die op elkaar inwerken, waaronder wetten, beschikkingen, brancherichtlijnen, gedragscodes en de vaak weinig heldere formulering in deze regelgeving kan de kantonrechter zich goed voorstellen dat het voor de wetshandhavers op de werkvloer volstrekt niet duidelijk is welke regels van toepassing zijn bij de uitoefening van hun taken. Dit zou een reden kunnen zijn om nog een kritisch naar al die regels te kijken en te bezien of dit niet anders kan. Het is immers wrang dat betrokkene, die in dezen adequaat en lovenswaardig heeft opgetreden, zich vervolgens bij de rechter moet verantwoorden wegens een mogelijke overtreding.
De uitspraak
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de
boete is opgelegd;
‒ bepaalt dat de officier van justitie het bedrag dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 Wahv hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending: